dinsdag 19 september 2017

Grapjes?

Tijdens het lezen van H.E. Bird van Hans Renette viel het mij niet alleen op dat er in de 19de eeuw heel wat matchen werden georganiseerd maar ook dat men heel wat partijen buiten competitie speelden. In die tijd was het vrij normaal om een club te bezoeken en een informele partij met een toevallige aanwezige vrije schaker te spelen. Vandaag zien we zoiets nog nauwelijks gebeuren. Zonder afspraak riskeer je niet tot schaken te komen in een club. Ik heb al geregeld meegemaakt dat ik na een half uur mijn clubbezoek stopzette en huiswaarts keerde omdat niemand beschikbaar/ bereid was om te schaken.

De drempel voor nieuwkomers is hierdoor natuurlijk ook een stuk hoger. Niet zelden hoor ik door clubverantwoordelijken dat de competitie spijtig al begonnen is en er dus enkele maanden moet worden gewacht om mee te spelen. Het gevolg is natuurlijk dat er velen onmiddellijk na de introductie afhaken. We hebben al geen overschot aan nieuw bloed en dit zorgt alleen maar voor een versnelde vergrijzing.

Het huidige ruime aanbod aan tornooien zal zonder twijfel een belangrijke rol spelen in het gebrek aan interesse voor informele partijen. De vaste clubspelers hebben genoeg aan die tornooipartijen en verkiezen na de partij de gezelligheid van de bar op te zoeken i.p.v. nog meer te schaken. Jammer want die informele partijen zijn ideaal om op een zachte wijze kennis te maken met het schaakspel. De score wordt niet bijgehouden waardoor je zorgeloos kan experimenteren en bijleren. Praten, lachen tijdens de partij is niet verboden en wordt vaak als een plus beschouwd.

Online daarentegen bestaat wel nog veel interesse voor informele partijtjes. Je kan hierbij een onderscheid maken tussen partijtjes met en zonder online rating maar veel verschil maakt dit niet. Een online rating heeft bijzonder weinig waarde door het gebrek aan een afgelijnd kader. Zelf speel ik geen tornooien online dus eigenlijk kun je stellen dat al mijn online blitz als losse partijtjes kan worden beschouwd. In elk geval te serieus neem ik het niet op en dan durf ik wel eens een grap uithalen met mijn tegenstander.
Meestal zijn het heel zwakke spelers die niet opgeven. Mijn zoon Hugo heb ik trouwens ook aangeraden om door te spelen tot de mat wanneer hij zijn eerste jeugdtornooitjes begon te spelen zie opgeven. Tegenwoordig is hij deze fase ontgroeid en geeft hij wel op wanneer hij voelt dat alle verdere tegenstand nutteloos is geworden.

Wanneer sterke(re) spelers doorspelen tot de mat dan is er natuurlijk meer aan de hand. Dit beschouw ik als een duidelijk gebrek aan respect en dan zal ik het niet nalaten om hen een lesje te leren.
Ik negeerde opzettelijk meerdere malen mat in 1 om een regen aan dame-promoties te kunnen maken. Eigenlijk had ik het liever met paardpromoties gedaan maar ik vond het te langdradig om eerst de automatische dame-promoties af te zetten en na de partij terug aan. Een beroemd voorbeeld van totaal overbodige paard-promoties is uiteraard de online-partij Crafty - Nakamura uit 2007.
Iedereen vond het leuk hoe de computer belachelijk werd gemaakt maar een soortgelijk gedrag tegen mensen is zonder twijfel dubieuzer. Het is niet omdat schaken dan wel lijkt op een sadistisch examen dat de speler een vrijgeleide krijgt om een sadist te zijn. We zitten hier in de schemerzone van wat nog als grap of als grove belediging kan worden beschouwd. Trouwens toevallig publiceerde de Amerikaanse grootmeester Gregory Serper een paar dagen geleden een artikel op chess.com over allerlei beledigingen in het schaken. Hij vindt beledigingen erg schadelijk voor het schaken.

In publiek ben ik het absoluut eens dat je zulke grapjes beter niet doet. Je riskeert na afloop een dreun te krijgen van je tegenstander en een zelden keer kan zulk grapje ook als een boemerang in het gezicht terugkeren. De hele wereld lachte Nakamura een paar maanden geleden uit nadat hij afgestraft werd voor zijn arrogantie in Paris Grand Tour Chess waarbij hij compleet nodeloos promoveerde tot paard i.p.v. dame.
Laatst vroeg mij Stefan Docx na mijn 8ste ronde partij van Open Gent waarom mijn partij zo lang heeft geduurd. Op zet 17 kwam ik al een kwaliteit en pion voor waarvoor mijn tegenstander die 250 punten lager gekwoteerd was, geen enkele compensatie had. Bovendien hadden we allebei nog zeeën van tijd op de klok want meer dan een half uur elk hadden we nog niet gebruikt. Echter zelfs in dit soort compleet gewonnen situaties heb ik geleerd dat het toch loont om geconcentreerd te blijven spelen. Ik blijf zoeken naar de beste zetten en laat mij niet verleiden tot sneller spelen of grapjes maken. Het is ook 1 van de redenen waarom ik bijna geen (en bovendien beduidend minder dan mijn tegenstanders) concentratiefouten maak zie mijn artikel fouten.
Aanvankelijk dacht ik dat mijn tegenstander al na zet 17 zou opgeven maar erg vond ik het doorspelen niet. Daarentegen op het einde liep het wel de spuigaten uit zeker omdat we nog steeds allebei ruim een kwartier op de klok hadden staan. Trouwens dit was slechts een peulschil met de andere wansmakelijke grap die mijn tegenstander uithaalde tijdens de partij. Echter dat is voor een volgend blogartikeltje.

Brabo

zondag 10 september 2017

Evolutie

Vorige maand was het grote internationaal nieuws natuurlijk de comeback van Garry Kasparov. Hij speelde voor het eerst sinds 2005 opnieuw partijen voor een elorating. Wel het is te zeggen voor rapid en blitz-elos die trouwens toen in 2005 nog niet eens bestonden.

Uiteraard was ook ik benieuwd wat Kasparov ervan zou bakken. Ik begon dan ook de live-uitzendingen met grote belangstelling te volgen. Echter al bijna even snel verdween mijn interesse voor het evenement. De combinatie van het late aanvangsuur (ze speelden in Saint Louis/ US), de vele fouten door het snelle tempo (rapid/ blitz) en wellicht ook de weinig spanning zorgden ervoor dat ik slechts een klein aantal partijen effectief gezien heb. Rapid/ blitz heeft mij nooit echt geinteresseerd (ik heb nog altijd geen enkele fide-partij ervoor gespeeld) en het betere smoelenwerk van Kasparov zie kasparov what went wrong compenseerde niet voor het tragisch lijden van het ooit zo gevreesde monster van Bakoe.

Voor een Kasparov in zijn piek zou dit een catastrofaal tornooi zijn geweest. Hij was zelf ook absoluut niet tevreden met vandaag de 13de plaats op de wereldranglijst in rapid en de 9de plaats op de wereldranglijst in blitz terwijl hij gewoon was om jaren de nummer 1 te zijn. Achteraf werd dan ook druk gespeculeerd over waarom en wat er fout ging. Met 54 jaar speelt leeftijd wellicht een rol maar een veel grotere negatieve invloed had zijn absurde tijdsverbruik die helemaal geen link heeft met de leeftijd. Een goede uitleg voor dit laatste vond ik in het artikel Why was Kasparov deep thinking? Als je regelmatig speelt dan maak je bepaalde beslissingen automatisch zonder nadenken. Echter als je lang geen competitie meer gespeeld hebt dan is dit automatisme verdwenen en tracht je te compenseren met extra rekenen waardoor zeer kostbare tijd wordt opgebrand.

Deze gevaren beschreef ik al in mijn artikel inactiviteit. Je moet een minimum aan partijen spelen om het spelniveau te behouden. Het is ook de reden waarom ik mij inschreef voor het maneblusserstornooi in Mechelen. De speeldagen en het tempo vind ik niet optimaal maar soms moet je compromissen maken. Het Deurnse clubkampioenschap is dit jaar nog zwakker dan vorig jaar zie deelnemerslijst waardoor het opnieuw niet meer mijn minimumcriteria haalt (die volgens velen al heel laag zijn).

Anderzijds heeft de hele gehypte circus natuurlijk ook grotendeels gezorgd voor onrealistische verwachtingen van Kasparov. Bovendien ondanks harde tegenbewijzen geloven ook nog velen in elo inflatie waardoor men de hedendaagse topspelers beschouwde als slachtvee voor Kasparov. M.a.w. het was erg moeilijk om vooraf een gezonde voorafbeschouwing te krijgen ook al omdat zijn comeback iets heel uniek was voor de schaakwereld. Achteraf is het allemaal veel helderder. We begrijpen nu veel beter wat voor onmogelijke opdracht Kasparov zichzelf had opgelegd. Als we nu objectief kijken naar de resultaten dan moeten we eigenlijk vaststellen dat Kasparov het heel goed heeft gedaan gezien de uitzonderlijke condities.

Hij heeft getoond dat hij voor iedere topspeler gevaarlijk is waarin zijn openingsrepertoire nog steeds een sleutelrol speelt. In de meeste partijen kwam hij zeer goed uit de opening met verfrissend modern schaak. Niets leek of hij ooit gestopt was met openingen te studeren of zich niet had kunnen aanpassen aan de meest recente evoluties. Kasparov maakte zeker niet de fout om vast te houden aan lang vervlogen stukken analyse.

Zelf mocht ik recent eens ondervinden hoe gevaarlijk het is om oude theorie af te haspelen die gespeeld werd zelfs in een wereldkampioenschap. In 2006 scoorde ik er nog een leuke overwinning mee zie de invloed van wks op openingen maar het is opnieuw de Belgische IM Stefan Docx die mij hardhandig aantoont dat ik nog veel werk heb aan mijn repertoire (zie voor eerdere voorbeelden naar hollandse stappen in de engelse opening en grootmeesternorm voor Stefan Docx).
Ik ben zeker niet de enige schaker die deze fout soms maakt. We zien trouwens hierin een duidelijke stijlbreuk tussen jonge en oudere schakers. Jonge schakers bouwen hun repertoire op rond hypermoderne-systemen die vandaag als kritiek worden beschouwd. Echter oudere schakers blijven vaak gewoon spelen wat ze veel vroeger hebben bekeken en volgen de laatste trends veel minder of niet op. De 67 jarige Robert Schuermans voldoet zeker aan bovenstaande beschrijving voor een oudere schaker. Hij houdt ervan om de oude lang vergeten systeempjes van Fischer, Karpov en andere oude grootheden boven te halen zeker tegen de jonge schakers. Niet zelden scoort hij een punt omdat deze jonge schakers hun klassiekers niet kennen.

Echter in Open Brasschaat liep het helemaal verkeerd tegen de 15 jarige Sterre Dauwe die een 200 punten lager gekwoteerd stond. Robert had dan ook brute pech deze keer. Sterre is namelijk een van mijn beste leerlingen in KMSK en 2 weken eerder had ik op het onjk (waar we allebei waren) mijn analyses getoond die ik gemaakt had naar aanleiding van mijn partij tegen Stefan Docx. Het moet dan natuurlijk lukken dat het net deze variant is dat Robert ook speelt waardoor Sterre wel heel makkelijk met voordeel uit de opening kwam.
In mijn artikels oude wijn in nieuwe zakken deel 1 en deel 2 toonde ik enkele voorbeelden over hoe oude openingen succesvol als verrassingswapen kunnen worden gebruikt. Echter in dit nieuw artikel toon ik aan dat wanneer het verrassingseffect weg is dat je veel kwetsbaarder bent. Zelfs iets klakkeloos naspelen wat op een wereldkampioenschap werkte en zowel voor als net nadien wellicht heel grondig werd bekeken door de beste spelers, biedt geen garanties. Openingen evolueren en vandaag nog veel sneller dan voorheen met de steeds sterker wordende schaakprogramma's. Elke topspeler werkt vandaag keihard om al deze evoluties bij te houden en zelf zijn steentje bij te dragen. Anders ben je gedoemd zoals wellicht de meeste amateurs om hopeloos achterna te hollen.

Brabo

zondag 3 september 2017

Koninklijke vorken

De zomervakantie is alweer voorbij. Voor heel velen stond schaken op een laag pitje. Anderen bleven wel (heel) actief. De berichtgeving hierover was versplinterd over talloze kleine websites bij een gebrek aan een overkoepelend nieuwsplatform. Dit vind ik spijtig want enkele jongeren deden het uitstekend en verdienen hiervoor een veel ruimere erkenning. Zo denk ik eerst aan  de 10 jarige Temse speler Enrico Follesa die met een elowinst van 276 elo op 1 maand naar alle waarschijnlijkheid een Belgisch record brak. Een wereldrecord is het niet want de Slovaakse FM Jergus Pechac slaagde in april 2015 erin om maar eventjes 426 elo in 1 maand te stijgen.

Een ander Belgisch record werd verpulverd door de 11 jarige Daniel Dardha spelend voor Hoboken. Hij won zonet het -12 jeugdkampioenschap van de Europese schaakfederatie gehouden in Tsjechië. Dit betekent dat hij hierdoor de jongste FM ooit wordt in België. Trouwens door nu dichtbij het jeugdschaak op te volgen, leerde ik dat er 3 soorten individuele jeugdkampioenschappen zijn in Europa waarbij standaardschaak wordt gespeeld. Dus 1 voor de Europese schaakfederatie, 1 voor de Europese unie die begin augustus doorging in Oostenrijk en 1 voor de Europese landen die plaatsvindt in Roemenië en morgen start.

De uitzonderlijke prestaties van deze zeer jonge spelers kwam er absoluut niet vanzelf. Niet alleen eigen inzet en hard werken spelen hierbij een rol maar minstens even belangrijk is de onbaatzuchtige opoffering van hun ouders. Ik vond het dan ook een geweldig mooi gebaar van Daniel dat hij op zijn facebook een zeer mooie dankbetuiging plaatste voor zijn papa. Met hun toestemming heb ik dit hier overgenomen.
Achter elke jeugdkampioen ligt een zwetende coach en een ondersteunende ouder 
Weinigen beseffen de enorme inspanningen ouders maken om hun kind dit soort successen te laten behalen. Als je wacht op anderen zoals de club, de federatie dan zou je wel eens heel lang op de honger kunnen blijven zitten. In het artikel Hoeveel tijd spendeer je aan het schaken? lichtte ik al een tip van de sluier op. Vorig jaar spendeerde ik 25 volle dagen aan het begeleiden van mijn zoon en zoals het er nu uitziet, zou het dit jaar wel eens dubbel zoveel kunnen zijn. Deze zomer speelde Hugo voor het eerst ook grote tornooien mee en met succes. Hij werd Open Nederlands kampioen t.e.m. 8 jaar en zette een knalprestatie neer in het zeer aangename Brugse meestertornooi waarvoor hij beloond werd met een eerste zeer mooie 1474 fide elo.

25 volle dagen per jaar spenderen als ouder om je kind te begeleiden naar zijn activiteit of zelfs nog meer is natuurlijk een kwestie van prioriteiten stellen. Je kan zoiets uiteraard van niemand eisen. Bovendien is het vele wachten ook bijzonder vervelend. Ik zie sommige ouders urenlang staren naar de deuropening waar hun kind moet verschijnen na het beëindigen van hun partij. Een fantastisch artikel over het penibel lot van de schaakouders kan je hier lezen. Zelf vind ik het minder lastig omdat schaken mijn eigen biotoop is. Zelfs tijdens de Brugse meesters waar weinig of geen andere schaakouders waren om mee te praten, ging de tijd toch nog vrij snel.

Steeds vaker breng ik nu ook mijn laptop mee naar de tornooien om verder te werken aan de analyse van mijn eigen partijen. Na de Open Gent had ik weer 9 nieuwe gespeelde partijen en daar ben ik wel een maand mee zoet. Geregeld krijg ik dan ook verwonderde blikken of zelfs vragen over wat ik daar allemaal kan uithalen. Wel naast de evaluatie van de zetten, ontdek ik soms ook echte mooie pareltjes. Zie bijvoorbeeld een fragment van mijn analyse op de partij tegen de Bulgaarse grootmeester Boris Chatalbashev (de partij kwam in mijn vorig artikel al aan bod).
Het is een deflectie van de koning d.m.v. een puur dame-offer geforceerd gevolgd door een koninklijke vork. Ik ben op het web gaan grasduinen naar gelijkaardige voorbeelden en het blijkt iets heel unieks te zijn. Een zeer beroemd voorbeeld ervan is de gemiste kansen uit de wk-partij tussen Alexander Alekhine en Max Euwe gespeeld in 1937.
Minstens even bekend is een ander voorbeeld uit opnieuw een wk-partij deze maal tussen Tigran Petrosian en Boris Spassky.
Tigran is misschien de enige speler die het 2 keer heeft kunnen spelen zie zijn partij tegen Vladimir Simagin alhoewel er hier een klein verschil is doordat de koninklijke vork niet helemaal geforceerd is.

Op de verzamelsite over koninklijke vorken staan nog heel wat mooie voorbeelden maar behalve bovenstaande in dit artikel voldoet geen enkele aan al mijn strikte voorwaarden. Velen zijn zonder dame-offer of gaat het dame-offer gepaard met materiaal slaan. Bij anderen is er dan weer geen deflectie van de koning. Tenslotte zijn er ook velen waar de vork niet geforceerd was en dus vermeden kon worden.

Het zijn dit soort kleine leuke dingetjes ontdekken waarvoor ik ook graag analyseer. In elk geval wordt de wachtende last voor de schaakouder er een stuk minder zwaar door. De partijen van Gent zijn ondertussen verwerkt dus nu tijd om zelf ook weer wat schaakpartijtjes te spelen en nieuwe avonturen op het bord te creëren.

Brabo

zondag 27 augustus 2017

Openingsstrategie

Mijn vorig artikel toont duidelijk aan dat veel spelers weinig of geen tijd steken in het studeren van openingen. Een lezer reageert daarop dat het niet zo belangrijk is omdat elke 2000 punter toch nog halve of hele punten te vaak wegsmijt in het midden- en eindspel. Hier zit natuurlijk een grond van waarheid in. Als je beter wilt scoren dan kijk je best naar waar er het snelst en meest progressie kan worden gemaakt. Dit zal zelden de opening zijn voor een hobbyspeler dus zij werken best eerder aan andere aspecten van het schaken. Anderzijds wil ik ook opmerken dat het nog altijd beter is om ergens aan te werken dan helemaal niets te doen. M.a.w. het studeren van openingen zal ook voor zwakkere spelers niet compleet nutteloos zijn.

In dit artikel gaan we nog een versnelling hoger met de openingsstrategie dus dit is een waarschuwing aan de lezers. Als gewone amateur zal je er nauwelijks of niet mee te maken krijgen. Niet alleen is dit omwille van een gebrek aan openingskennis maar vooral ook omdat de strategie compleet gebaseerd is op het repertoire van de tegenstander. Echter de meeste amateurschakers hebben zeer weinig partijen in de database staan waardoor voorbereiden moeilijk of zelfs niet kan. Pas vanaf + 2200 zien we dat het aantal partijen in de database ons iets kan vertellen over het repertoire van een speler zie de sterktelijst.

Een basis openingsstrategie bestaat uit het op voorhand bepalen van een antwoord op alle mogelijke openingen die de tegenstander gespeeld heeft volgens de database. Ik heb hiervoor mijn eigen methodes ontwikkeld zie o.a. archiveren en databases gebruiken maar uit ervaring weet ik dat er weinig (meesters) zijn die iets gelijkaardigs doen. Veel competitiespelers beperken zich tot meer eenvoudige recepten die veelal gebaseerd zijn op het zoeken van speelbare stellingen waarbij kritieke scherpe lijnen worden vermeden. De Welshe grootmeester Nigel Davies schreef recent op zijn multi-blog dat zijn comeback vlot was verlopen net doordat hij zich aan deze minimalistische openingsstrategie had gehouden.

Tegenwoordig zullen de sterkste amateurs/ profschakers nog een stap verder gaan met de openingsstrategie. In tegenstelling tot de meeste amateurs (waar ik ook toebehoor), leren ze meerdere openingsrepertoires. Ik speel bijvoorbeeld altijd 1.e4 maar in de hogere eloregionen is het vrij normaal om zelfs 4 openingszetten zoals 1.e4, 1.d4, 1.Pf3 en 1.c4 of meer geregeld te spelen. Dit maakt het niet alleen moeilijker voor hun tegenstanders om voor te bereiden zie opnieuw mijn artikel de sterktelijst maar maakt het ook veel makkelijker om de opening te sturen naar stellingen die je verkiest.

Dit laatste blijkt een enorme troef te zijn vooral wanneer je weinig tijd hebt om voor te bereiden en je de tegenstander niet (goed) kent. Het is zelfs zo dat je in theorie hier geen schaakprogramma voor nodig hebt. Zo biedt o.a. chess.db al een profielanalyse aan van de tegenstander waardoor je een vrij goed beeld krijgt over zijn/ haar openingsrepertoire. Je weet dus in luttele seconden wat er kan/zal gebeuren op de diverse openingsrepertoires. Met die informatie kan je dan een ruwe schatting maken van de slaagkans van ieder openingsrepertoire en uiteindelijk de beste selecteren.

Sommige van mijn tegenstanders in Open Gent hebben deze gevorderde openingsstrategie toegepast tegen mij. In mijn partij tegen de Bulgaarse grootmeester Boris Chatalbashev (tevens tornooiwinnaar) kwam dit misschien wel het best tot uiting. Zo begon de partij eigenlijk al vooraf met de partijvoorbereiding. We kregen hiervoor een uurtje van de organisatie dus ging ik onmiddellijk aan de slag met de partijen van Boris. Al snel ontdekte ik dat Boris heel graag 1.e4 g6 2.d4 Lg7 speelt. Daarop speelde ik in het verleden al 3.Pf3 en 3.Pc3. Als ik 3.Pf3 kies dan antwoordt Boris vooral met 3...d6 en misschien met 3..c5
Partijen Boris Chatalbashev na 1.e4 g6 2.d4 Lg7 3.Pf3
Na 3.Pc3 blijkt dat Boris naast 3...d6 ook geregeld 3...c6 er tussen smijt zie.
Partijen Boris Chatalbashev na 1.e4 g6 2.d4 Lg7 3.Pc3
Tegenwoordig heb ik sowieso een lichte voorkeur voor 3.Pf3 maar het feit dat ik 3...c6 zou vermijden met 3.Pf3 vond ik een leuke bonus. Dit is niet omdat ik 3...c6 vervelend vind maar met slechts een uur voorbereidingstijd was het zeer welkom om de variantenboom te knippen. Boris speelt ook de Siciliaans Draak en ik had gezien dat ik na 1.e4 g6 2.d4 Lg7 3.Pf3 c5 met 4.Pc3 cxd4 5.Pxd4 zou transponeren.

Ik kreeg natuurlijk een koude douche tijdens de partij want tot mijn ontsteltenis koos Boris voor 3...c6 na mijn 3.Pf3. Ik vroeg hem achteraf waarom want volgens mijn database speelde hij dit toch niet na 3.Pf3. Boris beantwoordde mij al lachend. Normaal kiest hij nooit voor 3...c6 na 3.Pf3 omwille van 4.c4 waarna er een type Koningsindisch op het bord verschijnt waarvan hij helemaal niet houdt. Echter hij had vooraf even mijn profiel opgezocht en gezien dat ik enkel opende met 1.e4. Hij wist dus op voorhand dat ik naar alle waarschijnlijkheid geen 4.c4 zou spelen omdat ik geen enkele ervaring had met het Koningsindisch. De stellingen na 4.Pc3 zag hij daarentegen wel helemaal zitten want hij had het nog recent goed bekeken.
Echter het is niet omdat de openingsstrategie lukt dat het punt daarom vanzelf komt binnengerold. Ik week af van mijn eerdere partijen in deze opening zie correspondentieschaak. Dit was een zeer bescheiden poging om de tegenstander te verrassen maar vooral een idee dat ik al een tijdje eens wou testen. De analyses kon ik mij spijtig niet meer exact herinneren want de laatste keer dat ik er naar gekeken had was begin dit jaar tijdens de partijvoorbereiding op de Belgische expert Ward Van Eetvelde.

Het is wellicht niet het beste voorbeeld om deze gevorderde openingsstrategie uit te leggen maar wel eentje waar er geen twijfel bestaat dat het eigen repertoire in deze partij werd gekozen in functie van het repertoire van de tegenstander. Zulke strategie vergt natuurlijk een heel ruime kennis van de schaakopeningen. Voor de modale schaker is zoiets geen optie want het kost jaren studie en training om dit te kunnen. Bovendien vermoed ik dat je best hiervoor ook een universele stijl hebt. Ik bedoel je bent best een all-round speler die op alle vlakken dus positioneel, tactisch, .... goed bent. De wereldtop zijn allemaal modelspelers hiervoor.

Brabo

zondag 13 augustus 2017

De open spelen

Als je kijkt naar de jongste leeftijdsgroepen dan zie je zeer veel Italiaanse vierpaardenspelen. De reden is natuurlijk dat veel lesgevers dit hun studenten aanleren omwille van een aantal voordelen. Het is een opening met een zeer gezonde opbouw die leidt naar voldoende interessante posities om zowel leuke partijen te spelen als zichzelf als schaker snel te ontwikkelen. Bovendien duurt het slechts enkele minuten om de opening aan te leren waardoor de lesgever maximaal tijd overhoudt om veel belangrijkere thema's zoals taktiek te bekijken.

Een paar enkelingen op de jeugdtornooien trachten hiervan te profiteren door op de proppen te komen met enkele ingestudeerde huisnummertjes. Dit zijn vaak scherpe gambieten die zeer efficiënt zijn omdat gewone ontwikkelingszetten als verdediging niet werken en concrete theoriekennis noodzakelijk is. Toen ik zag dat mijn zoon Hugo soms cruciale partijen hierdoor verloor in de tornooien en dus niet geklopt werd op zijn waarde, realiseerde ik mij dat ik hem hiertegen moest beschermen.

Als specialist in de open spelen besefte ik meer dan ooit wat voor enorme berg theorie er vandaag bestaat. Bovendien leek mij de wetenschappelijke aanpak opdringen aan een kind gedoemd om te falen. Nee al snel werd de keuze gemaakt om de open spelen te verlaten. Zo switchte hij van 1.e4 e5 naar 1.e4 c6 en kozen we met wit voor ruilvarianten van het Spaans zie mijn artikel over het bjk. Theoretisch dus niet de meest kritieke openingen maar zo krijgt hij wel steeds stellingen waarin hij gewoon lang kan schaken.

Nu het is niet alleen de keuze voor de open spelen van trainers en beginners die ik in vraag stel. Ik ben geregeld ook verwonderd hoe het mogelijk is dat sterkere/ ervaren spelers kiezen voor de open spelen wanneer ze duidelijk nauwelijks of niets kennen van de theorie. Tot 3 maal toe in de voorbije Open Gent was ik aangenaam verrast van de zeer gebrekkige openingskennis van mijn tegenstanders. Zie bijvoorbeeld in ronde 1 tegen nochtans een +1800 elopunter. Als je de Ponziani speelt dan zou je toch verwachten dat je ten minste op de hoogte bent van de Fraser-verdediging.
Op mijn blog schreef ik 2 artikels over de opening zie 14 x sos en computers worden autonoom maar net zoals in mijn vorige artikel had mijn tegenstander het niet gelezen. Misschien kent mijn tegenstander niet mijn blog maar zelfs dat vind ik geen excuus want de Fraser-verdediging beschouw ik als basiskennis voor een Ponziani-speler.

Trouwens wat ik ook basiskennis beschouw is de klassieke hoofdlijn van het Spaans: 1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Lb5 a6 4.La4 Pf6 5.0-0 Le7 6.Te1 b5 7.Lb3 d6 enz... Echter mijn tegenstander in ronde 3 slaagde erin om de volgorde door elkaar te haspelen want speelde op zet 8 h3 i.p.v. c3. Ik profiteerde hiervan handig door hetzelfde motief te gebruiken als ik al eerder toonde in mijn artikels de volgorde en familieschaak deel 2.
Opmerkelijk is dat deze onnauwkeurigheid voorkwam in 300 meesterpartijen maar in 2 van de 3 partijen gewoon werd getransponeerd. Het evaluatieverschil is klein maar valt wel op te merken in de zwartscore die beduidend beter is met Pa5.

Veel groter is het evaluatieverschil na het dooreenhaspelen van de zettenvolgorde in mijn 3de voorbeeld. Ook hier zien we dat mijn tegenstander weer kiest voor een open spel-opening zonder gehinderd te zijn van veel kennis.
In mijn database staan er 32 meesterpartijen met dezelfde fout. 19 keer online had ik het al op het bord gehad. Ik bedoel maar dat de voorbeelden zeker geen alleenstaande gevallen zijn.

Het is vooral opvallend dat het hier gaat over zeer elementaire posities uit de open spelen die mishandeld worden door vele schakers. We hebben het dus helemaal niet over het missen van een nieuwe sterke zet ergens diep in een variant. Ik kan hieruit alleen maar afleiden dat veel spelers puur op gevoel spelen en niet de minste zin hebben om te studeren voor het schaken. In open spelen is zoiets geregeld (zeer) negatief zeker als je tegen schakers speelt die wel een zekere theoretische bagage hebben. Het switchen naar minder veeleisende openingen lijkt mij absoluut een must voor deze "luie" schakers.

Brabo

woensdag 2 augustus 2017

Matchen

Vorige week was er zeer verrassend nieuws in de schaakwereld met de aankondiging van Magnus Carlsen die in september de World-cup zal meespelen. Niet alleen ziet Magnus dit tornooi in tegenstelling met vele van zijn (oudere) collega's als een leuke uitdaging maar zijn onverwachte deelname zorgt ook voor complicaties. De World-cup is een kwalificatie-tornooi voor het kandidatentornooi maar het is niet helemaal duidelijk wie er kwalificeert als Magnus op een kwalificatie-plaats eindigt.

Eerder werd meermaals gezegd dat de world-cup een loterij is maar Magnus weet zelf ook wel dat het formaat hem sterk bevoordeelt. In klassiek schaak zal het tegen de sterkste spelers kwestie zijn van niet te verliezen want in de tiebreak is hij torenhoog favoriet. De tiebreak bestaat uitsluitend uit rapid en blitz en in die disciplines is hij de onbetwiste nummer 1. De ratingverschillen met de andere topspelers loopt snel op tot 100 punten en meer zie 2700chess. Kortom financieel als publicitair is zijn deelname een wel-berekende gok.

Ongetwijfeld zal de world-cup ook met een veel grotere aandacht worden gevolgd door de media dan gewoonlijk. Een wereldkampioen zorgt ervoor dat een tornooi onmiddellijk een heel andere status krijgt. Het grote publiek zal massaal weer afstemmen op de live-partijen van Magnus. Anderzijds blijft het een groot circus en daar verandert de deelname van Magnus niets aan. Matchen van slechts 2 standaard-partijen kan je onmogelijk beschouwen als een serieuze test tussen spelers. Je hebt veel meer partijen nodig om te kunnen spreken van een echte krachtmeting. Echter tijd en geld voor dit soort matchen is er zelden vandaag.

De wk-finales zijn de laatste restanten van onze rijke matchgeschiedenis. Daar ze bestaan uit slechts maximaal 12 klassieke partijen, volstaan ze vaak niet om een winnaar aan te kunnen duiden waardoor een tiebrake noodzakelijk is. Het is een spijtige maar noodzakelijke evolutie in onze hedendaagse maatschappij. Ik zal nog enkele maanden zoet zijn met het boek H.E. Bird van Hans Renette maar nu al valt het mij op dat schaken in de 19de eeuw niets meer lijkt op wat wij vandaag gewoon zijn. Matchen waren toen de norm want in die tijd ontstonden pas de allereerste tornooien. M.a.w. schaken voor 1900 gebeurde vooral door het uitdagen en aanvaarden van matchen. Trouwens dan spreken we niet over een paar partijtjes. Zo speelde Henry Bird wel 4 matchen in 1873 tegen de toenmalige Britse kampioen John Wisker samen goed voor 58 partijen. Dat is zelfs meer partijen dan de befaamde afgebroken match tussen Karpov - Kasparov gespeeld in 1984/85.

Zelf speelde ik in het verleden meerdere matchen maar uitsluitend tegen computers zie (gambieten en chesskids). Een match tegen een sterke lokale speler heb ik 4 jaar geleden hier op de blog nog toegejuicht (zie deze reactie) maar daar is zoals gewoonlijk nooit iets van gekomen. Het enige waarmee ik vandaag in de buurt kom zijn mijn individuele levenslange scores. Het schaakwereldje is heel klein dus je komt telkens weer dezelfde tegenstanders tegen in de diverse tornooien. Desalniettemin is het aantal spelers waartegen ik meer dan 5 keer een standaardpartij gespeeld heb, zeer beperkt.
Schakers waar ik minstens 5 keer een lange partij heb tegen gespeeld.
Ondanks een schaak-carriere van meer dan 20 jaar is dit een zeer korte lijst. Ik vermoed dat eenzelfde lijst voor een speler zoals Tom Piceu zowel veel grotere matchen kent als vele malen langer is. Zijn partijcommentaar op een recente wedstrijd tegen Thibaut Maenhout "partij elfendertig" laat duidelijk verstaan dat hij sommige spelers wel heel vaak ontmoet. De belangrijkste reden voor mijn korte lijst is simpel. Ik speel weinig. Tom is een paar jaar jonger dan ik en heeft 1104 partijen voor Belgische rating verwerkt. Voor mij zijn er dit slechts 478.

De eerste speler in de lijst is voor mij een oude-bekende: de Belgische expert Pascal Bauwe spelend voor de West-Vlaamse schaakclub Kortrijk. Eind jaren 90 ontmoette ik hem geregeld toen ik nog uitkwam voor de Roeselaarse Torrewachters maar daarna verwaterde het contact. Hij is een zeer degelijke speler en met enkele decennia ervaring uiterst moeilijk opzij te zetten.
Bron: https://www.facebook.com/torrewachters/
Onze 4 vorige onderlinge ontmoetingen werden steeds remise maar kwalitatief vind ik de partijen niet goed genoeg om eentje hier op de blog te tonen. De laatste dateerde al van 1999 dus in de recente Open Gent was ik gebrand om eindelijk eens de score te openen. Ik ben niet meer dezelfde speler van toen en dat wou ik wel eens demonstreren op het bord. Het werd misschien mijn beste partij van het tornooi want ik leverde een vrij gave partij af.
 
Pascal vertelde mij achteraf dat hij van mijn blog afwist maar zoals velen las hij mijn artikels niet aandachtig. Zijn openingsgok mislukte wat hij had kunnen weten indien hij mijn artikel een repertoire opbouwen had gelezen. Het bewijst nogmaals mijn stelling in mijn artikel paswoord.

Deze soort matchen gespreid over vele jaren zijn uiteraard niet hetzelfde als over een korte periode van dagen/ weken. Een speler evolueert zowel technisch als zijn openingskeuzes. Desondanks blijven bepaalde karakteristieken ook dezelfde. Als iemand 20 jaar geleden zich niet voorbereidde dan zal hij dit naar alle waarschijnlijkheid ook niet doen vandaag voor een partij. Een aanvalspeler wordt zelden een positionele speler en omgekeerd.

We hebben vandaag de elopunten zodat deze individuele levenslange scores nog weinig of geen betekenis hebben voor het publiek. Echter de betrokkenen bekijken dit vaak helemaal anders. Het is geen toeval dat een derby altijd bijzondere aandacht krijgt. Tussen de Belgische internationale meesters Stefan Docx en Geert Van der Stricht hangt ook altijd een speciale spanning. Bij elke partij tegen elkaar staat een beker op het spel die de winnaar naar huis mag nemen. De beker wordt voorzien door de winnaar van de laatste ontmoeting. Bij gelijkspel blijft de beker in het bezit van de laatste winnaar. Ik vind het een leuke en creatieve methode om hun levenslange match extra glans te geven.

Brabo

maandag 24 juli 2017

Materiaal grabbelen

Materiaal offeren om aan te vallen is ons allemaal welbekend. Gambieten blijven zeer populair in amateurschaak maar ook in het topschaak zien we geregeld weinig ontzag voor materiaal. Zo speelde Kramnik gisteren opnieuw een schitterende offerpartij tegen de Duitse sterke grootmeester Matthias Bluebaum zie o.a. hier. Of wat te denken van de Chineese topgrootmeester Wei Yi die een week eerder de Russische topgrootmeester Vladimir Malakhov versloeg met een zeer knap kwaliteitsoffer zie o.a. het nieuwsreport op chess.com.

Zowel technisch als psychologisch is de opdracht voor de verdediging lastig waardoor het vaak loont om te offeren zelfs al is het niet allemaal correct. Een thema die hier zeer dicht tegen aanleunt is materiaal grabbelen. Dan spreek ik niet perse over het beantwoorden van een gambiet gepleegd door de tegenstander maar eerder wanneer je ontdekt dat druk/ initiatief kan worden verzilverd met materiaalwinst. Kies je voor het uitbetalen van de dividenden door het materiaal te pakken? Of hoop je op meer en ben je bereid om dubbel of niets te spelen?

Een initiatief is vaak vluchtig. Slaag je er niet in om het om te zetten naar iets tastbaars zoals materiaal of structuur dan riskeer je uiteindelijk met lege handen over te blijven. Echter beter 1 vogel in de hand dan 10 in de lucht is in het schaken allerminst eenduidig. Dit ondervond ik bijvoorbeeld een paar maanden eerder. De partij tegen Frederic Verduyn kwam al eerder aan bod in het artikel chesspub maar deze keer wil ik enkel kijken naar de fase waarin ik besliste om een pion te winnen.
      Achteraf gezien was het hoogstwaarschijnlijk slimmer geweest om niet voor de pion te kiezen en dus vast te houden aan het stellingsvoordeel. Zekerheid bestaat hier niet want als je niet snapt hoe zulk voordeel werkt dan kan het ook snel bergaf gaan.

Een ander voorbeeld van dit thema verscheen in mijn meest recente interclubpartij tegen David Roos. De partij werd hier ook al integraal gepubliceerd zie Herdersmat. Ik zoom in op zet 18 toen ik besliste om een kwaliteit te winnen.
Uiteindelijk maakte het misschien weinig uit. Feit is dat het na de kwaliteitswinst helemaal nog niet makkelijk is als wit niet blundert. Niet onmiddellijk willen oogsten is veel efficiënter en lijkt mij praktisch gewoon ook veel sterker.

In mijn meest recente bordpartij voor Belgische rating overkwam ik mijn innerlijke materialistische demonen. Ik negeerde de ene materiaalwinst na de andere waaronder zelfs een stuk en scoorde zonder twijfel mijn beste overwinning ooit op Robert Schuermans. Ik vind het een unieke prestatie van mijzelf zeker als je daarbij weet dat ik mijn laatste partij met zwart moest winnen om clubkampioen te kunnen worden in Deurne.
 
Ik stond zoveel materiaal voor op het einde dat ik het mij kon permitteren om met een kwaliteitsoffer de opgave af te dwingen. Bovendien zat Robert helemaal door zijn tijd heen terwijl ik nog een half uur had staan. In deze partij zien we alle troeven van wachten met materiaal grabbelen en de druk trachten stelselmatig te verhogen.

De tegenstander verliest erg veel tijd op de klok om de steeds moeilijker wordende problemen op te lossen. Uiteindelijk zien we dat er vaak veel meer kan worden geoogst. Praktisch is deze strategie dus zeer efficiënt maar in de praktijk bijlange niet zo frequent toegepast dan gambieten. Psychologisch bestaat er vandaag onterecht een te groot verschil in het offeren van materiaal en het niet grabbelen van materiaal voor dezelfde minder tastbare voordelen.

Brabo