vrijdag 21 april 2017

Dogma's deel 2

Zeer weinig competitieschaak spelen gebruik ik graag als excuus om schaakboeken te lezen die schaaktechnisch weinig of niets bijbrengen. Ik vind het in elk geval veel plezierig om allerlei schaakanekdotes en verhalen te lezen dan mijn hersenen te pijnigen met moderne openingsvarianten of het oplossen van allerhande oefeningen. De boeken Nadorf x Najdorf en Timman's Titans waren dan ook voor mij de perfecte leesliteratuur in de voorbije maanden. Najdorfs dochter schrijft een soort biografie over haar vader met haar wel zeer merkwaardige maar tevens uiterst interessante invalshoek. Jan Timman verraste mij aangenaam met een zeer vlotte schrijfstijl waarbij hij bij elk van de 10 oud-wereldkampioenen er steeds in slaagde om een uniek en persoonlijk verhaal op te hangen.
In tegenstelling met Najdorfs boek doorspekken kwalitatief hoogstaande analyses Jan Timman's boek. Zo heeft Jan er duidelijk lol in om tal van verbeteringen te tonen op de reeds klassieke My Great Predecessors geschreven door oud-wereldkampioen Garry Kasparov. Sinds de publicatie ervan is er ondertussen weer heel wat water naar de zee gevloeid waardoor Jan uiteraard over veel krachtigere software en hardware beschikt dan Garry Kasparov toen. Naast zijn eigen partijen met de wereldkampioenen focust Jan zich vooral op hun minder bekende of zelfs onbekende partijen. Hierbij wordt ruimschoots aandacht geschonken aan een serie geheime trainingspartijen die Botvinnik speelde tussen 1936 en 1970.

Ragozin, Kan, Averbakh en Furman waren Botvinniks belangrijkste sparringpartners. Een partijtje gespeeld in Moskou 1953 tegen Ilya Kan, vooral  bekend voor een Siciliaanse variant, trok mijn aandacht. In het bijzonder zet 16 waarin Botvinnik een zeer merkwaardige keuze maakt.

In 1998 gaf Jan 2 uitroeptekens aan de zet. Vandaag vind hij het nog steeds de beste praktische keuze voor een bordpartij maar toont tezelfdertijd aan dat de huidige computers erin slagen om het concept te neutraliseren.

In mijn meest recente les maakte ik dankbaar gebruik van dit partijfragment. Na eerst een reeks goede voorbeelden van pionstructuren te hebben besproken, vond ik het hoogtijd om mijn leerlingen ook te waarschuwen voor te dogmatisch denken. Dynamische elementen moeten vaak voorrang krijgen op structurele aspecten. M.a.w. je moet soms met opzet je structuur laten verzwakken om de stukken actief te krijgen.

Omdat mijn leerlingen vaak zich afvragen of dit soort schaak ook op hun niveau kan afspelen, had ik mij op voorhand al gewapend met een voorbeeldje uit mijn eigen bordpraktijk. De toen 21 jarige Nederlander Sebastiaan Smits imponeerde mij met zijn gedurfde 17de zet.

De complete partij kan je trouwens ook naspelen in mijn artikel de neo scheveningen.

Dit was niet het enige voorbeeld in mijn bordpraktijk. In 2003 kreeg ik dezelfde themazet op het bord in de Open Le Touquet. De Duitser Erwin Hein leek mij heel wat sterker dan zijn rating.

Hier liep het dus uiteindelijk verkeerd af voor zwart maar in de partij verkreeg hij er zeker voldoende spel mee.

Hierna waren mijn leerlingen overtuigd dat het goed is om ook aandacht te schenken aan niet alledaagse thema's die we zien in grootmeesterpartijen. Je weet tenslotte nooit wat er op het bord zal komen. Vele kleintjes helpen uiteindelijk ook om een stap verder te zetten in het schaken.

Brabo

dinsdag 11 april 2017

Schaakcomfort deel 2

Op school kan het wel eens saai zijn. Bepaalde verplichte vakken boeien soms helemaal niet en een lesgever die zijn cursus slechts afleest, is allesbehalve interessant. Desalniettemin heb ik zeer weinig gespijbeld in mijn schooljaren. Slechts op de hogere school bijna uitsluitend wanneer het academisch kwartiertje er al op zat, durfde ik een les over te slaan. Echter dit betekent niet dat ik elke les aandachtig was. Zo gebeurde het wel eens dat ik  tijdens de les een partijtje blindschaakte met een medeleerling die toevallig 1900 elo had. Het schaakcomfort was allesbehalve maar dat was toen uiteraard van ondergeschikt belang.

Maximaal schaakcomfort heb ik meegemaakt in de hoogste afdelingen van de Franse interclub. Zo herinner ik mij een match waar we in een luxueuze vergaderzaal van een 5 sterren-hotel speelden. Tijdens de wedstrijd was er gratis drank en zelfs kleine versnaperingen voor alle spelers. Grote geluidsdichte deuren en een attente arbiter zorgden voor complete stilte in de speelruimte. Van zulke condities kunnen we enkel dromen in Belgie. Anderzijds zoals ik in de commentaren van het vorig artikel reeds schreef, loopt het geregeld de spuigaten uit. 

Zo ook laatst in de interclubronde tegen Jean Jaures. Jean Jaures speelt dit seizoen in hetzelfde clubhuis als KGSRL en moet het bijgevolg stellen met de lokalen die nog op overschot zijn. Gevolg is dat 2 ploegen in een piepklein lokaaltje worden gepropt. Ik vermoed dat er 20 personen op 15m2 waren gepakt. De wedstrijd was nog maar begonnen en ons 1ste bord Jan Rooze liet mij weten dat hij mij steeds zou moeten storen om naar buiten te kunnen gaan. Bovendien met 6 van de 8 spelers die + 50 zijn heb je automatisch veel meer toiletbezoekjes dan gemiddeld (leeftijd speelt een belangrijke rol voor de prostaat). Het enige paardenmiddel dat ik kon toepassen was mijn tafel met mijn buik vooruit te duwen als mijn tegenstander Ashote Draftian even van zijn bord weg was. Niemand kloeg zelfs niet wanneer bijna het kader achter hem van de muur viel door een botsing.

Zelf kan ik makkelijk een hele middag op mijn stoel blijven zitten als er te weinig plaats is om te bewegen. Ik neem trouwens al geruime tijd zelf eten en drinken mee naar wedstrijden. Echter tegen het lawaai was ik niet gewapend. Iedereen was zeer verwonderd dat de deur naar de speelzaal niet dicht kon ondanks zeer recente grondige renovaties waardoor er heel wat geluidshinder kwam van beneden en de gang. Ik vergeet nog steeds dat oordopjes deel moeten maken van mijn wapenarsenaal want ik verloor in de opening opnieuw erg veel tijd doordat ik mij niet kon concentreren. Schaken met de vingers in de oren is allesbehalve comfortabel. Gelukkig kon ik erger vermijden in tijdnood door af te wikkelen naar het eindspel.

Ook Marcel Van Herck kloeg achteraf over de abominabele speelomstandigheden. Ook hij kon zijn plaats nooit verlaten waardoor hij de tussenstand niet kende en daardoor moest gokken of de remise al dan niet kon worden aangenomen. Bijzonder pijnlijk is het om daarna vast te stellen dat de match verloren werd met het kleinste verschil. Dit zou wel eens het detail kunnen zijn die besliste over wie volgend seizoen naar 1ste afdeling mag gaan. Anderzijds is er weinig animo in onze ploeg voor 1ste afdeling zie verslag over de meest recente interclubronde tegen Temse. Het schaakcomfort is in de hoogste afdeling vaak een stuk minder. Zo herinner ik mij dat er eens 1 enkel kindertoilet beschikbaar was voor alle interclubploegen, er geen of nauwelijks verwarming was in putje winter....

Ik vind persoonlijk zoiets ongehoord zeker als je dan weet dat heel wat spelers betaald worden. Het toont een compleet gebrek aan respect voor de schakers om enkel winnen als prioriteit te stellen. Trouwens ook Jean Jaures is in hetzelfde bedje ziek want ze waren niet beschaamd om toch een grootmeester op te stellen op hun 1ste bord. Onze sterke Jan was de dupe.

Sorry maar i.p.v. de grootmeester had Jean Jaures in een behoorlijk lokaal kunnen investeren. Na de wedstrijd gaf ik dan ook luidop aan niet meer te willen meespelen in de interclub indien zou blijken dit de norm te zijn in alle interclubwedstrijden.

Ik snap ook wel dat veel schaakclubs weinig middelen hebben maar zeker voor wedstrijden met profs zou ik toch als bond een minimum aan schaakcomfort eisen. In Duitsland bestaat zoiets al zie schachblev turnierordnung met o.a. eisen over temperatuur (20-23 graden Celsius), 75m2 voor 1 ontmoeting, minimum 2,6m hoogte,... Zonder enig reglement mag je niets van schaakcomfort verwachten. Zo durfde eens een thuisploeg het aan om hun tegenstanders uit te nodigen in een prostitutiehuis waarna uiteraard terecht protest kwam.

Brabo

donderdag 6 april 2017

Schaakcomfort

Het materiaal van den schaker

De instrumenten van de schaker: op zijn minst een pen, potlood of balpen. Maar de stoel waar hij op zit is minstens even belangrijk – net als de tafel, het bord, de stukken en de klok natuurlijk. Maar bij een beetje competitie zijn klok, bord en stukken vastgelegd en kan je niet onderhandelen over alternatieven. Ook de stoel of tafel is dat vaak niet, maar lijkt me even belangrijk voor de concentratie, het schaakgevoel en de latere herinnering aan de partij.

Beginnen we bij de klok: mijn voorkeur ging altijd uit naar Gardé klokken (jawel met accent aigu, dat werd me pas later duidelijk – en hoe kon een Duitse klok nu Gardé noemen?). Klassiek, degelijk – en verrassend kwalitatief voor een Oost-Duits product. De witte plastic Russische klokken daarentegen hadden een oncomfortabel drukgevoel en boven alles een goedkope uitstraling. Dan had je nog die hele kleine analoge klokjes (merk?) en dat was het zo’n beetje bij ons in de club. Neen, Gardé stak er met kop en schouders bovenuit. Goede klokken om mee te blitzen ook trouwens. Algauw werden er ringetjes rond de drukknoppen gelijmd, om blitzers die de klok met de vlakke hand insloegen, te ontmoedigen. Een beetje schaker kan echter met één vinger de klok even hard indrukken. Incidenten, waarbij de drukknop van de tegenstander letterlijk de lucht invloog door de kracht van het indrukken, maken ondertussen deel uit van de onafhankelijk gevalideerde wereldgeschiedenis.

Uiteindelijk kwamen er digitale klokken aan – eerst een redelijke variëteit, maar toen DGT met zijn klok kwam (en de steun van FIDE kreeg) was het zo goed als voorbij met “duizend bloemen”. Later zijn er toch weer andere merken van digitale klokken opgekomen (ik herinner me dat de KOSK met een heel apart type speelde – en misschien nog), maar de DGT is de referentie gebleven. Op zich geen probleem, de DGT is een goede klok, maar ook hier was eerst gewenning nodig, want wanneer was die vlag nu gevallen… Maar voor blitzers is de digitale klok een zegen gebleken. Eindelijk 100% zeker dat je met vijf tegen drie minuten speelt, of dat dat vlaggetje niet 10 seconden te vroeg is gevallen. Ook tijdnoodadepten kussen hun beide handen. Ikzelf heb het ooit gepresteerd om de klok even uit het oog te verliezen op mijn 38ste zet in een interclubpartij, waarin ik gewonnen stond. Ik had mijn keuze gemaakt – keek nog even op de klok of ik nu al zou zetten en … nog 3 seconden! Ik voerde mijn zet onmiddellijk uit. 3 seconden… voor twee zetten. Mijn tegenstander had toen snel moeten zetten, maar wou in plaats daarvan mij nerveus maken en ging even wandelen. Dat gaf me de tijd om alle varianten uit te rekenen en het juiste antwoord op de twee waarschijnlijkste varianten uit te rekenen. Het is me gelukt om de 40ste zet te halen en de partij te winnen. Zonder digitale klok was ik verloren geweest.

Stukken en bord dan – zolang het bord een opplooibaar wit-bruin/zwart plastic/karton bord is, mogen het van mij verzwaarde plastic stukken zijn. Elke schaker weet dat bij goedkope houten stukken het paard een probleemgeval is – als enige stuk dat niet op een draaibank kan vormgegeven worden, is het vaak samengesteld uit twee stukken die aan elkaar gelijmd zijn. En die lijm komt vroeg of laat los. Mijn allereerste schaakspel – dat van mijn grootvader – had dat probleem. Dat nadeel hebben plastic stukken niet – gelukkig. Toch blijft het paard een zwak beestje, vooral als de oortjes wat uitspringen. Tweede risicogeval is de toren, die vaak bij het vallen van de tafel een kanteel verliest.

Een beetje competitiestuk is verzwaard. Niet verzwaarde stukken zijn voor amateurs. Sierstukken die je kan kopen in “speciaalzaken” houden hier geen rekening mee. Zo werd ik ooit getrakteerd op een mooi schaakspel met sierstukken (metaal) op houten voetjes. Niet mee te schaken jong – die paarden waren volkomen uit balans! Het bord was wel mooi, maar wat jammer van die stukken…

Als we het geluk hebben om op een houten ingelegd bord te spelen, horen daar vaak mooie houten stukken bij. Dat heb ik niet zo vaak in wedstrijdomstandigheden meegemaakt (Veurne speelde met zo’n stukken in IC, maar dat was zowat de enige club in West-Vlaanderen). Als je niet vaak met een bepaald soort stukken speelt, dan heb je daar aandacht voor – aandacht die niet naar de partij zelf gaat – je wordt je bewust van de stukken waarmee je speelt. Dat effect ebt wel weg, maar “feeling” speelt wel degelijk een rol – zelfs op amateurniveau.

Dus we hebben bord, stukken en klok. Wat meer? Tafel en stoel. Een organisator heeft vaak niet veel keuze wat stoelen en tafels betreft, maar wel over de keuze hoeveel borden er op een rij tafels gezet wordt. En dat is soms een moeilijke keuze. Vaak wordt de fout gemaakt om borden te dicht bij elkaar te plaatsen of zijn de apart geplaatste tafels gewoon te klein. Te klein betekent: geen plaats om je notatieformulier, je balpen, je drankje … op tafel te leggen zonder alles op jouw bord of dat van je buurman te moeten leggen. Te ver van elkaar geplaatste borden zijn aangenaam voor de schaker die zich volledig wil concentreren op zijn partij, maar het gevoel om samen te zitten schaken, de mogelijkheid om eens over de stelling naast je “mee te denken” gaat wat verloren. A fine line…

De rijen tafels op zich kunnen ook te dicht tegen elkaar staan, vooral op tornooien. Wanneer je de pech hebt “ingesloten” te zijn, wordt het een moeilijke trip naar de gang, in een rij van bijna rug-tegen-rug geplaatste stoelen. Daarnaast loopt je er steevast alle truien en jassen af die op de rugleuning gehangen zijn.

De tafel zelf moet van de juiste hoogte zijn. Je wil geen “bargevoel” door een te hoge tafel of te lage stoel, noch te ver moeten reiken om je stukken op de laatste rij te verzetten (zeker niet in tijdnood). Fischer bezorgde ooit een tafelmaker een halve hartaanval (ik geloof dat het bij het WK in 1972 was), toen hij wou dat een stuk van een wedstrijdtafel met ingelegd bord, minder breed moest zijn. Een stuk eraf dus… De mooiste foto vind ik in dat opzicht die van Burn tegen Owen (zie bv Edward Winter's chess explorations 54). Het lijkt onmogelijk dat beiden comfortabel zitten: Owen in een gemakkelijke zetel, Burn rechtop in een hogere stoel – zo’n 20 cm hoger gezeten lijkt het wel. En toch bevinden hun hoofden zich op bijna dezelfde hoogte.

Wat je zeker niet wil is een tafel die te laag is, zodat je maar met moeite je knieën eronder krijgt (ik ben nogal groot), of je benen niet comfortabel kan kruisen. Finaal is er nog de horror van de wiebelende tafel. Niet ergers dan dat, vooral als het effect zich voordoet bij elke verandering in houding van jezelf of je tegenstander. Dan begint een subtiel spel van druk uitoefenen (of net niet). Bierkaartjes zijn niet altijd voorhanden en dan is het een kwestie van stilzwijgende afspraken.

Uiteindelijk hebben we de stoelen. In Gent heb ik het ooit eens gezien dat iemand op de twee achterpoten van de witte tuinstoelen balanceerde en er prompt doorheen schoot – niet doen dus. Zijn de tafels soms niet al te veel soeps, de stoelen zijn vaak nog van bedenkelijker kwaliteit. Vaak zijn de klassiekers nog de beste stoelen om in te schaken. Beroemd zijn de testsessies van WK-matchspelers voor het eerste treffen; de zaal wordt geïnspecteerd, het licht, het geluid, het bord, tafel, stukken en … stoel. Comfort mag niet overheersen, want dan verdwijnt de scherpte. De stoel moet ondersteunen, maar mag zich niet op de voorgrond plaatsen.

Het laatste comfortaspect is de belichting. Ik moet bekennen dat de slechtste omstandigheden die ik meemaakte, deze waren in de open van Leuven (sorry mensen). Geen daglicht, onvoldoende sterkte van de verlichting – sommige tafels hadden zelfs een eigen bureaulamp gekregen (eigen of vanuit de organisatie verschaft?). Het was quasi onmogelijk om hier foto’s te nemen. De analysezaal met bar aan de straatkant had veel betere speelomstandigheden, maar was waarschijnlijk net te klein om een wissel door te voeren.

Belichting is voor schakers heel belangrijk – Fischer (hij weer) kon er enorm over doorbomen, maar zijn opmerkingen zorgden er ook voor dat alle andere spelers mee profiteerden. Fel zonlicht is uit den boze (hier is de raad van Ruy Lopez nog altijd geldig: ga met je rug naar de zon zitten), maar een plaats dichtbij het raam is altijd te verkiezen boven ééntje in het midden van de zaal. Daglicht is onovertroffen en soms is het TL-licht een kwelling, vooral als de ballast niet goed werkt en de TL flikkert. Halogeenlampen zijn ook nog OK, maar het gele licht zal snel de indruk wekken dat er onvoldoende lichtsterkte is.

Dus – een schaker kan veel in slechte omstandigheden, maar topprestaties worden enkel geleverd in optimale omstandigheden. En dan heb ik het nog niet over het geluid gehad (het eeuwige bar-probleem), de verwarming, tocht, repetities van andere clubs naast, boven of onder het speellokaal…

HK5000 

dinsdag 28 maart 2017

Opkomst en teloorgang van schaaktornooien

Opkomst en teloorgang van schaaktornooien

Net zoals alles in dit leven, kennen schaaktornooien een beginfase, een volwassen fase en een uitdovende fase. Tornooien kunnen op twee manieren beginnen: ofwel is er een groep schakers die – vaak op amateurbasis – een tornooi beginnen, dat steeds meer succesvol wordt en uitgroeit tot een vaste afspraak op de kalender. Een andere mogelijkheid is dat een mecenas zijn (“haar” komt niet vaak voor) portefeuille opentrekt en meteen van start gaat met grote namen – of het amateur-initiatief overneemt.

We kennen allemaal de eerste versie – en vaak zijn dit de leuke tornooien, waarin je tegen bekende en minder bekende schakers van eigen land speelt. Dergelijke tornooien zijn vaak kleinschaliger of minder prestigieus, maar hebben een grote schare volgelingen. Misschien het beste voorbeeld blijft de open van Gent, dat al decennialang op de woeste zeeën van conjunctuur, concurrentie op de kalender en … de Gentse feesten vaart. Het is een tornooi dat de kinderschoenen ontgroeid is en al een tijdje in de volwassen leeftijd vertoeft (de 40ste editie komt eraan) – nog altijd ondersteund door de leden en medewerkers van de KGSRL, maar de financiële kant is ook afgedekt door sponsor Eastman. Een tornooi waarvan we mogen hopen dat het nog lang blijft doorgaan.

Een totaal andere aanpak heeft bv de Grenke Open in Karlsruhe genomen. Het tornooi kent rond Pasen zijn tweede editie en nu (27 maart) al zijn er meer dan duizend (jawel, 1000!) spelers geregistreerd, waaronder 204 titelhouders. Grenke least IT-diensten aan KMO’s en met dat businessmodel is blijkbaar goed geld mee te verdienen. We hebben in België ook zo’n periode gehad, toen Bessel Kok baas was bij Swift en Brussel eind jaren ’80, begin jaren ’90 plots schaaktornooien had waaraan de wereldtop deelnam (OHRA en Swift, gevolgd door de kandidatenmatchen). Als speler kan je enkel maar denken: profiteren zolang het duurt en hopelijk duurt het lang.

Ondergang en stopzetting

Het meest recente voorbeeld dat ik uit eerste hand heb, is het 33ste tornooi van Cappelle-la-Grande, dat dit keer zonder sponsoring doorging. Gevolg: geen geld meer voor uitnodigingen, en dus ook geen toppers meer (Kamsky, Yusupov, Iturrizaga…). Het scheelde trouwens niet veel of het tornooi was helemaal niet doorgegaan. Enkel de lokale (groot)meesters wilden nog eens passeren (in 2017 waren dat Alexandre Dgebuadze en Jean-Marc Degraeve), nu vooral aangelokt door de grotere kans op de eerste prijs. Gevolg: ook wat minder interesse van de “gewone” spelers – want geen kansen meer om tegen grootmeesters uit te komen. De lokale kranten berichtten over uitstaande schulden, gevolg van het genereuze beleid dat gevoerd werd (le phare dunkerquois. Het vreemdste is wel dat zelfs de eigen website het nalaat om het tornooi nog wat bekendheid te geven op internet – ik heb nog nergens de eindklassering gepubliceerd gezien. Toch wat kortzichtig, om zo de opties voor de toekomst te beperken.

Van het vangnet dat er zou moeten zijn na vertrek van de sponsor – de begeesterde amateur-organisator – is hier niets te merken. Spijtig. Hierna twee foto’s die het verschil illustreren.
Cappelle-la-Grande in 2016: een bomvolle zaal en ook de twee platformen zijn goed gevuld. Sponsoring en vlaggen decoreren de wanden van de speelzaal.
Cappelle-la-Grande in 2017: weinig animo, weinig bezoekers, een te grote zaal voor het aantal deelnemers dat er is; op het podium slechts drie topborden.
Het meest bekende voorbeeld is natuurlijk Linares (1978-2010, 27 edities). Het toptornooi van Luis Rentero (1932 – december 2015), een kruidenier die incasseerde toen hij zijn supermarktketen verkocht aan Delhaize, kwam abrupt tot een einde toen de geldkraan opdroogde. Er werd nog even geflirt met alternatieve formules (waaronder een formule waarbij de helft van het tornooi doorging in Mexico (jetlag!)), maar het gesloten tornooi dat ooit “het Wimbledon van het Schaken” werd genoemd, is niet meer. Jammer, het was het eerste echte supertornooi dat jaar na jaar enkel de wereldtop uitnodigde en zo een maatstaf was van who’s who in het schaken. Het nadeel van die evolutie was echter dat de wereldtop het best aangenaam vond om uit te komen in tornooien met veel startgeld en weinig “elo-risico”. Verliezen van een 2700-2750 collega is minder elo-pijnlijk dan van een 2550-2600 patzer. Linares was eigenlijk de real-life versie van wat Andy Soltis beschreef in “Los Voraces”: een miljonair die in een woestijndorp de wereldtop verzamelt om de picking order van dat jaar vast te leggen (dit doet denken aan de legende in de worstelwereld, waar éénmaal per jaar een echte (geheime) kamp plaats vindt, die bepaalt wie intrinsiek de beste is, zodat de show events voor het publiek zonder verdere harde strijd en risico op blessures kunnen afgewerkt worden). Los Voraces werd geschreven als rubriek voor het roemruchte chesscafe.com (toen het nog gratis was) en is nu te koop als boekje, maar je kan het zeer leesbare werkje toch gratis op Google Books vinden.

Maar Linares was duidelijk een “kunstmatig” tornooi: niet gedragen door een lokale schaakclub of enthousiastelingen, die ook gratis eens de handen uit de mouwen willen steken. Wat dat betreft lijken tornooien als Hastings, Reggio Emilia en Wijk aan Zee stressbestendiger en duurzamer. Is het trouwens toeval dat deze drie tornooien geconcentreerd zijn in de wintermaanden?

Een opmerkelijke trend was er trouwens in Spanje in de 90’er jaren, waar het ene na het andere toptornooi werd opgezet. Het was alsof steden zich verplicht voelden om een schaaktornooi te hebben om mee te tellen; Dos Hermanas, Madrid, Leon… Het was prima voor de ontwikkeling van het schaaktalent van Topalov en het trok meerdere schakers aan om zich tijdelijk of definitief in Spanje te vestigen (Salov, Ljubojevic). Gelukkig profiteerde ook het Spaanse schaakleven ervan en konden spelers van meestersterkte opklimmen tot IGM niveau. Een decennium later was het geld op, bouwwerven werden stilgelegd, ruwbouwgeraamtes waren stille getuigen van verwoestse dromen.
   
Schaaktornooien als indicator van een bubble? Misschien – geld moet rollen en sponsoring is een manier om dat te doen. De cultuur en volksaard zal dan beslissen waar een mecenas het meest waardering of exposure denkt te creëren – in België is dat voor het ogenblik nog voetbal. Schaken is nog te apart en blijft zo een behoeftig kind, dat het moeilijk heeft om zich te plaatsen als sport, cultuur of kunst, en zonder geld kan het niet overleven of talent (en iconen) cultiveren. Maar wat het langdurig organiseren van tornooien betreft is er nog altijd de liefde voor het spel nodig.

HK5000   

dinsdag 21 maart 2017

Picsblog

OK, na een zeer lange afwezigheid ben ik nog eens in de pen gekropen. Ik moet zeggen – hoed af voor onze webmaster – toen hij met zijn project begon, dacht ik eerst – dit duurt 100 artikelen en dan is de inspiratie op…  Neen dus. Brabo heeft zijn zichtveld breed gehouden; van persoonlijke ervaringen aan en naast het bord, tot gezinsleven met een in schaken geïnteresseerde zoon, wat internationaal nieuws, analyses, nieuwtjes, methodes, taktiek, eindspel en psychologie. Nogmaals tip of the hat to you, Brabo. En dat alles gespekt met partijmateriaal (geloof me, er kruipt toch wat tijd in om zo’n diagram met een pgn fragment te stofferen).

Dus ja, wat kan ik aanbrengen?

Als ex-schaker vertoef ik nog altijd occasioneel in « het wereldje ». De jongste jaren verschoof mijn aandacht van speler naar waarnemer en ben ik meer en meer mij beginnen toeleggen op fotografie van schakers. Met een nieuw toestel ben ik recent dan ook enkele  tornooien « gaan teisteren ». Als ex-schaker – die heel graag rustige omstandigheden had (ook bij de kibitzers) – ben ik me bewust van de overlast die een fotograaf kan veroorzaken. De eerste vijf à tien minuten in een partij staat er nog niet veel op het spel, maar hoe minder tijd er over is voor de spelers, hoe meer de schakers ongestoord en geconcentreerd wil blijven. En dan wil je niet een aantal pottenkijkers rond je bord, laat staan een fotograaf die in je gezichtsveld komt close-ups nemen.

Ik fotografeer dan ook altijd zonder blitz – wat me in bv Cappelle-la-Grande met mijn oud toestel (Panasonic FZ100) al veel half-gelukte (lees: net iets te onscherpe foto’s) heeft opgeleverd. Mijn nieuwe reflextoestel (Canon Eos 6D) doet het op dat vlak veel beter, maar maakt natuurlijk het typische klikgeluid dat bij een reflextoestel hoort; van het ene nadeel in het andere dus.

Nu heeft zo’n toestel wel een ‘stillere’ setting, maar ik weet dat zo’n klik in het middenspel – laat staan in tijdnood – niet geapprecieerd wordt. Daarom hou ik mijn oudere toestel achter de hand – het is stiller en heeft een goede zoom, dus kan ik vanop 10-15 meter in relatieve stilte, toch nog goede close-ups nemen, zonder dat de spelers zich hiervan bewust zijn.

Ik ben een amateurfotograaf, zonder enige scholing, dus ik vergelijk mijn foto’s zeker nog niet met die van David Llada, Alina L’Ami of Lennart Ootes, die hun foto’s regelmatig kunnen slijten aan Chessbase of schaaktijdschriften. Enkele gespecialiseerde tijdschriften en een boek over mijn camera waren al een eye-opener van wat mogelijk was. Behalve het feit dat ik zonder blitz fotografeer, is er nog een restrictie die ik mij voorlopig opleg : ik neem geen tientallen foto’s van mijn onderwerpen, maar probeer de juiste foto te krijgen in slechts enkele opnames. Ook doe ik zo goed als geen « postproductie ». Veel verder dan autokleur of autobalans ga ik niet in Picasa/Google Photos. Nog geen Photoshop of Lightroom dus – voorlopig.

Bij de aankoop van mijn nieuwe toestel kreeg ik al wat fotografisch advies van Ronald Flou (van de Ieperse Schaakkring), die zelf al een gevorderd schaakfotograaf is en als dusdanig een regelmatig gast(fotograaf) is op schaakevenementen. Wie enkele foto’s van hem wil bewonderen, kan zijn publieke google+ pagina of zijn albums op KISK Ieper bezoeken.

De overstap van mijn oude digitale toestel naar de nieuwe Canon was een indrukwekkende opstap naar een hogere klasse in de fotografie. De kwaliteit van het toestel is onvergelijkbaar beter en het kunnen spelen met sluitertijd, f-factor, ISO-factor nodigt uit tot experimenteren en minder de volautomatische setting te gebruiken. Het heeft zelfs geleid tot het beter kunnen werken met mijn oude toestel en zelfs de camera van mijn smartphone.

Zonder teveel in technische details te willen gaan, wil ik toch enkele staaltjes tonen. Naast de al gemelde autocorrectie is een hele eenvoudige bewerking – die een foto opwaardeert – het croppen van de foto (bijsnijden). Het verhoogt de focus en maakt de foto minder “slordig” – je beperkt je tot de essentie. In de foto hierna (Giri en L’Ami in gesprek in Wijk aan Zee 2017) zou je nog rustig al die rommel aan de rechterkant kunnen afsnijden.
Een schaker is op zich al een dankbaar onderwerp, maar een schaakfoto krijgt pas iets extra’s als je er een eigen draai aan geeft, door iets te suggereren. Aspecten zoals “de eenzame schaker”, “winst of verlies”, “twijfel”, “concentratie”, …


Onderstaande foto kreeg van mij het onderschrift: “How to react when Anatoli Karpov is in the room and all attention goes to him – Ilya Smirin shows how”. Op de laatste ronde kwam de ex-WK op de gong slaan om de ronde op gang te brengen, en natuurlijk had iedereen maar oog voor Karpov. De spelers die alle ronden ervoor in de belangstelling hadden gestaan, waren plots quantité négligeable. De foto heb ik wat bijgesneden (tegenstander Eric Hansen staat er niet meer op, om Smirin duidelijk in het midden van de foto te krijgen).
En een goede foto hoeft echt geen foto te zijn van een wereldtopper – integendeel, soms ligt het beste materiaal gewoon te wachten in de eigen club. Onderstaande foto (bewerkt met Prisma op gsm) vind ik persoonlijk nog altijd een hele sterke.
Voor wie zelf aan de slag wil – wie denkt in een tornooizaal rustig een foto kan nemen van een rij borden met schakers die mooi stil zitten – forget it. Je moet al geluk hebben om spelers aan vijf borden vijf seconden in dezelfde pose aan te treffen. Er wordt een zet gespeeld, klok ingedrukt, zet opgeschreven, een speler staat op, rekt zich uit, drinkt wat, verandert zijn houding, … er gebeurt van alles aan het bord. Om dan met een lange sluitertijd te werken, is vragen om wazige foto’s. Dus een beetje camera helpt zeker, maar ook inzicht, oog voor compositie, goed licht, een goede opstelling en … vooral veel geduld!

HK5000

donderdag 16 maart 2017

Ploegencompetities

Aan het einde van de werkweek wordt er mij wel eens gevraagd wat de plannen zijn voor het weekend. Geregeld zeg ik dan een wedstrijdje interclub. Vervolgens moet ik soms een woordje uitleg geven want buitenstaanders begrijpen niet hoe je schaak in ploegverband kunt spelen. Schaken speel je toch 1 tegen 1, niet? Dat klopt. Een ploegencompetitie is niet meer dan gewoon de punten optellen van een aantal partijen en de sommen vergelijken tussen beide ploegen.

Dan kan je natuurlijk de vraag stellen wat er zo aantrekkelijk is aan ploegencompetities. 1552 spelers worden elke interclubronde aan een bord verwacht in België. Als je het vergelijkt met om het even welke andere schaakcompetitie in België dan is dit een reusachtig aantal. Nochtans wordt er gevraagd om 11 zondagen op te offeren terwijl andere tornooien kampen met een gebrek aan spelers ondanks veel minder speeldagen.

Het is een beetje zoals het kip en het ei. Zonder de massale deelnemersaantallen zou de interclub nooit zoveel (nieuwe) deelnemers aantrekken en net omwille van de aantrekkingskracht heeft de interclub zoveel deelnemers. Anderzijds speelt het unieke formaat hierin zeker ook een rol die toelaat om je steeds te omringen door spelers van ongeveer gelijke sterkte. De 5 afdelingen zorgen voor een redelijke afscheiding tussen verschillende speelsterktes. Dit betekent dat je niet alleen 11 interessante partijen kunt spelen maar ook dat je naast de partijen gesprekspartners hebt die op hetzelfde niveau over het schaken kunnen meepraten.

Echter hierover wil ik in dit blogartikel niet uitweiden. Nee ik ben eerder geïnteresseerd om eens te kijken of er een zekere cohesie en ploegsfeer kan ontstaan die verder gaat dan een stel schakers die bij elkaar zijn geplaatst door toeval. Is zoiets mogelijk bij schakers die op zichzelf vaak uiterst individualistisch zijn? Wel eerlijk gezegd, het is absoluut niet evident en soms gewoon zo goed als onmogelijk. Sommige ploegen spelen met een roterend systeem van spelers waardoor je nooit een groepsgevoel kunt creëren. Anderzijds levert zelfs een honkvaste kern geen garantie. Als ik onze huidige 1ste ploeg van Deurne vergelijk met die van 10 jaar geleden dan zijn nog steeds 5 kernspelers van de 8 dezelfde. Desalniettemin stelde ik tot mijn grote verwondering vast dat de 8 spelers na het beëindigen van de recente uitwedstrijd in Gent tegen Jean Jaures, werden verdeeld over 5 auto's !

Nochtans kan het ook anders wat ik leerde uit de jaren waarin ik Franse interclub speelde. Elke interclubronde werd gewerkt aan een echt team te smeden. Dit begon al vooraf door iedereen te betrekken bij de ploegopstelling (de Franse interclub laat binnen een zekere marge toe te schuiven met de spelers). 10 minuten voor de ronde kregen we een serieuze peptalk van de president en na de ronde werden de banden versterkt met een gezamenlijke maaltijd in een restaurant. Ook het voorstellen en aanvaarden van remisevoorstellen moest steeds via de ploegkapitein gebeuren. Ik herinner mij nog levendig hoe ik eens een serieuze uitbrander kreeg toen ik in onderstaande stelling remise aannam zonder voorafgaande consultatie.
De La Riva Aguando,O 2549 - Brabo 2308 : 1/2 - 1/2
Het staat ongeveer gelijk in de slotstelling en ik dacht dat een remise met zwart tegen een 250 punten hoger gekwoteerde grootmeester een zeer goed resultaat was. Echter op dat moment stonden we achter in bordpunten en verhoogde ik met de remise enkel de druk op de andere teamgenoten. In hogere zin bezegelde ik hiermee de matchnederlaag. Het was een pijnlijke maar leerzame les.

Met de jaren heb ik dan ook geleerd om een betere teamspeler te zijn zelfs als dit soms ten koste gaat van je eigen ambities. Ik ben vandaag dan ook sneller bereid om risico's te nemen wanneer de matchsituatie dit van mij verlangt. Zo was ik laatst van plan een zeer riskant kwaliteitsoffer te spelen in de slotstelling van mijn partij tegen Ian Vandelacluze. Het was pas toen ik hoorde dat de matchoverwinning al veilig was dat ik de zetherhaling toeliet.

Aanvankelijk vonden mijn teamgenoten het kwaliteitsoffer onzin. Pas na enkele varianten te tonen ging men akkoord dat het de enige serieuze winstpoging was die wit kon proberen in de slotstelling.

Ploegencompetities kunnen dus een extra dimensie geven aan elke wedstrijd zeker als er gewerkt wordt met matchpunten. Echter niet iedereen is bereid of geschikt om daaraan mee te werken. Meer dan eens zie ik dat iemand zijn eigen belangen laat primeren t.o.v. de ploeg. Helemaal fout kan je het evenmin noemen want uiteindelijk zet je enkel je eigen elopunten op spel. Dit is trouwens ook de reden waarom sommige spelers ijveren om ploegencompetities niet te laten meetellen voor elo.

Brabo

woensdag 8 maart 2017

Piondoorbraken

Op de jeugdtornooien wordt mij geregeld gevraagd waar je een coach kunt vinden. Ambitieuze ouders zoeken een meer individuele aanpak voor hun kind waarvoor ze zelfs willen betalen maar kunnen dit niet vinden/ krijgen in de meeste clubs. Het gemakkelijkst lijkt mij het internet want via skype is elke afstand te overbruggen. Zo vind je op chess.com een lange lijst van coaches waaronder zelfs de Belgische FM Hans Renette.

Echter betalende lessen garanderen niet perse betere kwaliteit. Een curriculum, trainerscertifcaat, ... vertellen je niet alles. Op chess.com geeft de Amerikaanse IM en coach Jeremy Silman enkele tips. Een grootmeester is een overkill wanneer je een beginner bent. Na enkele lessen moet je kunnen aanvoelen dat het voor jou interessant is. Durf het aan om van coach te veranderen wanneer je niet tevreden (meer) bent van de lessen. Wees realistisch over de vooropgezette doelstellingen.

Ik ben geen coach maar geef les aan een kransje van beste jeugdschakers in KMSK. In mijn lessen kijk ik o.a. naar de thema's die in de stappenmethode aan bod komen maar ik geef er een eigen interpretatie aan. Trouwens een kleine rondvraag bij mijn leerlingen maakte mij duidelijk dat de meesten al alle stappen hadden doorlopen. Sommigen zijn zeer ambitieus dus het is een uitdaging voor mijzelf om ze iets interessants te kunnen aanbieden. Vooraf stelde ik mij de vraag of dit als beginnende lesgever moeilijk zou zijn maar bijna alles wat ik toonde aan hen was 100% nieuw. Sommige leerlingen hebben meer dan 2000 elopunten dus dit had ik niet verwacht.

Zo besprak ik in de voorbije maanden het thema over piondoorbraken dat in stap 5 aan bod komt. In een paar uurtjes lesvoorbereiding slaagde ik erin een interessante aanvulling te creëren t.o.v. wat in het boek werd verteld. Ik begon met een merkwaardig pionneneindspel waarmee ik onmiddellijk de rekencapaciteiten van mijn leerlingen serieus op de proef stelde. Iedereen in de groep kende wel de 3 tegen 3 pionnen opgave maar de onderstaande opgave was voor hen allemaal nieuw.

Ik moest een aantal tips geven vooraleer men eindelijk de unieke oplossing vond. Iedereen begreep onmiddellijk mijn advies. In pionnendoorbraken kan je niet gokken maar moet je bereid zijn om nauwkeurig varianten uit te rekenen.

Met een tweede opgave boorde ik een nieuw segment aan in pionnendoorbraken. In het stapjesboek wordt hierover niets gezegd maar vaak gaan stukoffers vooraf in pionnendoorbraken. Deze maal wou ik eens kijken wie de schaak-actualiteit volgt. Ik vind zoiets vanzelfsprekend voor ambitieuze leerlingen maar slechts 1 leerling herkende vaag de onderstaande stelling uit een recente toppartij gespeeld in de London Chess Classic 2016.

Soms krijg ik de opmerking dat topschaak heel verschillend is van ons amateurschaak. Wel om dit te counteren, toonde ik ook nog 2 voorbeelden uit mijn eigen praktijk tegen het type tegenstanders die mijn leerlingen zelf ook kunnen verwachten. De eerste is een fragment uit mijn partij die ik al eens gebruikte in het artikel correspondentieschaak.

Niet eenvoudig vonden mijn leerlingen om zulk thema te zien in deze stelling. Het tweede voorbeeld daarentegen ging veel makkelijker om op te lossen. Een ander fragment van dezelfde partij kwam aan bod in eten en drinken deel 2.

Hierna waren mijn leerlingen overtuigd dat stukoffers geregeld vooraf gaan aan piondoorbraken. Ik vermoed dat de les meer dan een uur moet hebben geduurd. Ik laat graag mijn leerlingen zelf een tijdje zoeken naar een oplossing en daarnaast praat ik de tijd makkelijk vol over allerlei nevenaspecten zoals de actualiteit, Fenexcelsior, ....

Ik beweer zeker niet dat dit de perfecte les is. Ik ben een beginner in lesgeven dus ik leer zelf nog veel bij over hoe iets didactisch goed uit te leggen. In elk geval heb ik nog geen klachten gehoord alhoewel misschien mijn lesonderbrekingen door interclub/ tornooien minder aangenaam zijn. Mijn gratis lessen vinden plaats op zondagmorgen van 10.15 tot 12 uur in de sporthal den Boemel te Mechelen. Iedereen is welkom die lid is van de Mechelse club (of wenst te worden) mits een zekere basissterkte.

Brabo