woensdag 16 mei 2018

Promoties deel 2

In het rapidtornooi van Aalter was ik na mijn partij tegen Giovanni Callebaut zie het geheugen bijzonder uitgelaten. Als 2300 speler winnen van een 1600 speler is uiteraard niets speciaal maar het was de manier waarop met een dubbel torenoffer dat mij enorm bekoorde. Het dubbeltorenoffer stond al lang op mijn verlanglijst om eens in een partij te spelen (zie o.a. partijpublicaties). De Amerikaanse grootmeester Gregory Serper schreef er zelfs een artikeltje over "typical patterns everyone should know double rook sacrifice" maar gaf toe dat hij het zelf nog nooit heeft kunnen spelen.

Het broertje is natuurlijk het dubbel loperoffer waarmee de koningsvleugel ontmanteld wordt. Hiervan bestaan uit de praktijk heel wat voorbeelden zie o.a. chesscollection Double Bischop Sacrifices en een artikeltje van de sterke Amerikaanse grootmeester Daniel Naroditsky zie "the double bishop sacrifice".  Zelf kreeg ik begin dit jaar voor het eerst de kans om het eens te spelen. Alhoewel het slechts een online blitzpartijtje met 3 minuten bedenktijd betreft, ben ik er toch vrij trots op.
Andere uitdagingen die op mijn verlanglijst staan of stonden zijn o.a. een koninklijke vorkeen zelf-vorkexcelsior,... Dit zijn allemaal stuk voor stuk zeer uitzonderlijke thema's. Een minder ambitieuze lijst kan je ook maken zoals in het artikel "chess moves to play before you die". Daarnaast is het ook perfect mogelijk om na het behalen van een doel, condities toe te voegen. Zo zal ieder van ons wel al eens een minorpromotie gedaan hebben al is het maar om fun te hebben (opgelet voor het Nakamura-scenario zie zijn partij tegen Mamedyarov die ik vermeldde in het artikel grapjes). Moeilijker wordt het om een minor-promotie te vinden wanneer ze als noodzakelijk kan worden beschouwd. Een voorbeeldje hiervan konden we terugvinden in mijn artikel promoties. Pas echt uitzonderlijk wordt het wanneer niet alleen 1 type minorpromotie moet maar die tevens uniek is. Met uniek bedoel ik dan geen stelling die al eens eerder in de praktijk voorkwam.

Op de site van Tim Krabbe staat een artikel "Practical underpromotion" die aantoont hoe weinig voorbeelden er bestaan die voldoen aan alle bovenstaande voorwaarden. Wel laatst was ik stomverbaasd om te zien dat er in 1 van mijn partijen zelfs 2 unieke en verplichte minor-promoties hadden kunnen gebeuren. Ik zeg 'hadden' want in de partij werd prematuur remise overeengekomen. Spijtig natuurlijk maar begrijpelijk want ik had net voordien een stuk weggeblunderd en enkel met de computer werden deze parels ontdekt. Ik begin met de makkelijkste.

Zwart offert loper, 2 torens en maakt een minorpromotie. Toch kan het nog gekker als wit kiest voor de kritieke zet 32. Df6.
 
+3000 elo schaak zonder twijfel. Het aantal verplichte zetten om het winnend voordeel vast te houden in de diverse varianten lijkt mij teveel om als mens achter het bord allemaal te vinden. Bovendien zijn het gros allemaal stille zetten dus zonder schaak.

Een verlanglijstje of bucketlist in het schaken kan dus ook iets helemaal anders zijn dan ratings of titels winnen. Trouwens behalve speciale zetten kan het ook gewoonweg deelnemen zijn aan bepaalde schaakactiviteiten. Zelf kijk ik bijvoorbeeld erg uit om straks samen met mijn zoon competities te spelen. Dit kan zijn in 1 team of in grote internationale tornooien of misschien wel ooit onze eerste officiële onderlinge partij.

Brabo

woensdag 9 mei 2018

Dame-eindspelen deel 2

Na de vliegende start van Deurne in de Belgische interclub zie artikel records waren de verwachtingen hoog. De titel leek toen absoluut haalbaar. Echter nog voor nieuwjaar was de droom aan diggelen geslagen. Nederlagen in de toppers tegen Jean Jaures en Borgerhout creëerden een onoverbrugbare kloof. In de 2de helft van het seizoen stond er al snel niets meer op het spel voor Deurne en wellicht verklaart dit ook deels waarom de resultaten bergaf gingen. Met 3 opeenvolgende nederlagen aan het slot werd het zelfs uiteindelijk nog een blamage. Deurne scoorde slechts 1 matchpunt meer dan de degradatiezone. Het is het slechtste resultaat voor Deurne in 20 jaar dat ik er speel. Misschien moeten we toch toegeven dat een gebrek aan nieuwe jonge spelers langzaamaan een afbrokkeling van de ploeg/club betekent. 4 jaar geleden speelden we nog in 1ste klasse.

Zelf speelde ik desondanks een goed seizoen. Met 5 overwinningen, 5 remises en slechts 1 nederlaag tegen de Russische grootmeester Vyacheslav Ikonnikov was ik ruim topscorer van de ploeg en zelfs Deurne. De 7,5/11 waren goed voor een 25 fide-elo winst. Ik ben daar best tevreden mee zeker rekening houdend dat ik zo weinig schaak. Extra partijen voor fide heb ik het voorbije jaar niet gespeeld. Anderzijds gewoon geregeld bezig zijn met schaak-gerelateerde activiteiten (zie Hoeveel tijd spendeer je aan het schaken?) zal ook wel iets opleveren in het competitieschaak. Ik kan/mag mezelf zeker niet verkopen als een standaard inactieve speler die sporadisch nog eens een potje speelt.

Dus mijn persoonlijke score was dik ok. Toch had het nog een pak meer kunnen zijn indien ik overal het maximale uit de vaak riante stellingen had gehaald. Na het analyseren van de partijen werd duidelijk dat ik minstens 5 extra halfjes had kunnen scoren. Nu eerlijkheidshalve moet ik er onmiddellijk bij vertellen dat het vaak niet eenvoudig was. De computer mag dan wel in een nano-seconde de juiste zet opgeven, achter het bord zonder assistentie is het een ander paar mouwen. Sommige zetten miste ik door tijdnood daar er enkel increment overbleef. Andere miste ik door een gebrek aan ervaring. Nog andere miste ik omdat het simpelweg te moeilijk was om allemaal correct door te rekenen. Een voorbeeldje van dit laatste was een wondermooie kans die ik kreeg in mijn partij tegen de Nederlandse FM Bonno Pel. Dame-eindspelen zijn in de regel niet eenvoudig en het was dan ook pas achteraf dat ik met behulp van de computer in onderstaande stelling winst ontdekte.
In dame-eindspelen deel 1 demonstreerde ik welke belangrijke rol de koning heeft in dit type eindspelen. Hier zien we een ander aspect namelijk de transpositie naar het pionneneindspel. Niet zelden kan er met de dames op het bord onvoldoende progressie gemaakt worden en dan is het goed om uit te kijken naar eventueel gunstige pionneneindspelen. In de partij deed ik dit pas later maar dan kon mijn tegenstander de dameruil vermijden. Trouwens toen was ruil zelfs speelbaar maar het pionneneindspel vertrouwde hij niet. Dit is geen slechte taktiek bij onzekerheid want vele pionneneindspelen zijn erg verraderlijk terwijl verdedigen met schaakjes vaak makkelijker is. Dit had ik al eens terloops vermeld in mijn artikel praktische eindspelen bij de commentaar op de partij tegen Jan Gooris. Recent werd dit ook bevestigd in de partij Anish Giri - Yifan Hou gespeeld te Wijk aan Zee.
Trouwens Yifan verloor al eens op een gelijkaardige wijze een dame-eindspel een paar jaar eerder tegen de wereldkampioen Magnus Carlsen.
Dus in beide gevallen was het pionneneindspel theoretisch remise maar misrekende de nummer 1 van de dames zich. Voor ons gewone stervelingen is het bijgevolg absoluut nuttig om in dame-eindspelen steeds uit te kijken naar dameruil. Het kan een excellente winstpoging zijn wanneer alle normale middelen opgedroogd zijn en de tegenstander zijn laatste energie-reserves aan het gebruiken is.

Brabo

woensdag 2 mei 2018

Het geheugen

De meeste ouders met jonge kinderen hebben het superdruk. Weekends en avonden staan volgepropt met allerlei activiteiten zodat hun oogappels niets hoeven te missen. Het vergt vaak een zeer strikt schema om alles geregeld te krijgen.  Zo heeft mijn zus een groot bord in huis geplaatst waarop per uur en per dag alle activiteiten van haar 3 kinderen staan vermeld met daarbij ook wie (pa/ ma/ ...) verantwoordelijk is voor de taxi-service.

Competitie-schaak past in dit moderne plaatje totaal niet. Enerzijds heb je de eendaagse tornooien maar dan betekent het dat er bijna steeds een conflict is met de andere wekelijkse niet-schaak activiteiten. Anderzijds heb je de kampioenschappen over een reeks vaste speeldagen maar waarbij je als ouder nooit weet op voorhand hoeveel uren de activiteit zal duren. Dus in tegenstelling met de meeste niet-schaak activiteiten zit er meestal niets anders op dan ter plaatse vele uren te wachten. Veelal is men wel bereid om de vele kilometers te rijden maar dat wachten zorgt ervoor dat vele ouders afhaken waardoor slechts een klein aantal kinderen echt de kans krijgen om hun schaaktalent te ontwikkelen.

Natuurlijk speelt het ook een rol dat schaken in België vrij onbelangrijk is. Het is geen bekende sport en buiten de eigen schaakwereld zal je nauwelijks of geen erkenning krijgen. Trouwens we zijn daar zelf ook voor een groot deel schuldig aan. Zo won recent mijn zoon Hugo de titel van Belgisch kampioen bij de -10 jarigen nadat hij vorig jaar nog de titel bij de -8 jarigen won. Echter een maand na het tornooi kan ik nog steeds hierover niets terugvinden op het internet. Ik vind het zowel persoonlijk teleurstellend als een gemiste kans voor het schaken om zichzelf te profileren.

We ontbreken dus duidelijk aan schaakcultuur. Het is geen toeval dat onze sterkste spelers in de diverse categorieën veel meer dan gemiddeld een band hebben met schaaklanden. Hun ouders vinden het veel natuurlijker om zeer grote inspanningen te maken voor het schaken. Het schaakland bij uitstek is Armenië. Sinds 2011 is schaken er een verplichte les voor 6 tot 8 jarigen op school. Kampioenen worden er als echte helden ontvangen zie deze ongelooflijke video van de triomftocht in Yerevan na de gewonnen Olympiade van 2012. Deze extreme toewijding voor het schaken zien we ook duidelijk in een foto van een rij Armeense moeders geduldig wachtend op wanneer hun kind terugkomt van de schaakwedstrijd.
Wachtende Armeense (groot-)moeders op hun kinderen die schaken.
Bron: http://www.bbc.com/news/stories-43084816
Zoiets heb ik zelf nog nooit gezien in België. De enige uitzondering die dit benadert is het Belgisch jeugdkampioenschap waar heel veel jonge kinderen voor het eerst standaardwedstrijden spelen of ten minste meerdere in 1 week. Dit vlaggenschip van de jeugdtornooien is de laatste jaren enorm gegroeid (waarover meer in een later artikel) en vele ouders vinden het een ideale combinatie van schaken en vakantie. Daar dit plaatsvindt in het paasverlof is het ook veel makkelijker om te plannen. Trouwens de partijtjes van de kleinste duren meestal ook niet al te lang zodat het wachten veelal meevalt. Veel ouders verkiezen daarom ook gewoon in de speelzaal te blijven tijdens de wedstrijden maar dit kan gelukkig niet meer sedert enkele jaren. Het creëerde stress bij de spelers en wrevel bij de organisatoren. Vandaag zien we daarom dat men zich verplaatst heeft net voor de deur van de speelzaal. Die plaats probeer ik dan ook zo snel mogelijk te verlaten.
Gezellige drukte voor de deur van de speelzaal op het bjk ????
Bron: http://www.demercatel.be/
Voor de meeste schaakouders houdt het dus hierbij op betreffende grote tornooien. De enkele uitzonderingen zoals ikzelf (zie Hoeveel tijd spendeer je aan het schaken?) kan ik op een hand tellen. Uiteindelijk kan ik het ook best begrijpen. Als ouder heb je zeker ook rechten en ben je niet verplicht om jezelf helemaal weg te laten cijferen voor de kinderen. Bovendien soms is het ook gewoon geen optie. Ik bedoel wat met meerdere eigen kinderen die elk hun specifieke wensen hebben, onregelmatige werkuren, zieke ouders waarvoor je ook wilt zorgen,...

Helemaal altruïstisch is mijn tijd en geld aan het schaken van mijn zoon evenmin. In mijn artikel Hoeveel geld spendeer je aan het schaken? gaf ik al aan dat ik het ook als een persoonlijke investering zie voor mezelf. Het zorgt voor heel wat extra eigen plezier en in de toekomst hoop ik zelf ook veel meer te kunnen schaken. Dit laatste ben ik recent beginnen testen in enkele rapidtornooitjes met mijn zoon. Dit betekent dat hij nu na de partij niet meer direct bij iemand terechtkan en dus soms 15 tot 30 minuten op zichzelf is aangewezen. Het blijft een risico want je weet nooit wat er kan gebeuren in die tijd op een vreemde locatie met een 9 jarig kind. Natuurlijk zijn er altijd wel andere volwassen in de buurt maar die zullen zeker nooit verantwoordelijkheid nemen.

Sinds begin dit jaar heb ik ondertussen 3 eendaagse rapidtornooitjes samen met mijn zoon gespeeld. De tijd vliegt zo veel sneller voorbij. De geldprijzen die ik win, zijn natuurlijk ook leuk maar het is voor mij ook een beetje de enige mogelijkheid om enig competitieritme te behouden. Ik speel op 6 maanden slechts 6 standaardwedstrijden (enkel de Belgische interclub) dus bijzonder weinig als gepassioneerde schaker.

Tot nu toe ontstond er slechts 1 keer een probleem tijdens een tornooi. Toen mijn rapidpartij tegen de hoogst gerangschikte tegenstander in het rapidtornooi van Geel (zie Catenaccio) al 5 minuten bezig was, werd ik door de arbiter zachtjes op de schouder getikt om mij te vertellen dat Hugo niet aan zijn bord zat. Hugo was nog buiten aan het spelen met zijn leeftijdsgenootjes maar had geen rekening gehouden dat hij in een hogere schaakcategorie (-12 jarigen) speelde die een verschillend tijdschema hanteert. Het duurde even voor ik Hugo te pakken had maar uiteindelijk kon hij toch nog die partij winnen met een tijdshandicap van 10 minuten. Mijn tegenstander en toevallig ook medepassagier was sportief om mijn klok stil te zetten maar kreeg hiervoor geen punt van mij cadeau.
Vorige jaren sprak ik vaak met vele ouders tijdens de rapidtornooitjes waaraan mijn zoon deelnam. Tegenwoordig ontmoet ik af en toe iemand aan het bord want ik ben zeker niet de enige ouder die kan schaken. In de partij hieronder was ik iets handiger dan de papa van Norah Dechamps (zij is een jaartje ouder dan Hugo) op het rapidtornooi in Lokeren.
Echter tegen de geoefende rapidspelers heb ik het lastig. Sommigen nemen rapid duidelijk even serieus of relax (kwestie van perceptie) als standaardschaak. In de interclub had ik vorig jaar nog vrij vlot gewonnen van de Belgische expert David Roos zie herdersmat maar in onderstaande rapid was hij duidelijk handiger. Ik stond lang heel goed tot gewonnen maar zijn tijdsindeling was gewoon veel beter.
In standaardschaak is taktiek al heel belangrijk maar in rapid is dit nog veel meer het geval. Zo goed als elke partij wordt beslist door combinaties. Koffiehuisschaak maar dit betekent niet dat het allemaal kommer en kwel is. Zo leverde ik gisteren een erg leuk miniatuurtje af in het rapidtornooi van Aalter.
We zijn aan het einde van dit blogartikel dus hoogtijd om de link met de titel te verklaren. Tijdens de rapidtornooitjes zag ik meerdere spelers de zetten noteren van hun eigen partijtjes. Echter ik heb alle rapidpartijen op deze blog (en nog meer op de computer) puur gereconstrueerd uit mijn geheugen. 's Avonds of zelfs een dag later kon ik mij nog steeds bijna alle partijen compleet herinneren. Dit is een talent waarvan ik vermoed dat niet iedereen ze heeft. De bekende Oekraïense grootmeester-trainer Vladimir Tukmakov beschrijft in zijn boek Modern Chess Preparation hoe belangrijk vandaag een goed geheugen is voor de speler die meesterniveau ambieert. Misschien kan het geheugen getraind worden maar wanneer spelers mij achteraf vertellen dat ze zelfs niet meer de eerste zet herinneren of wie hun tegenstander was dan denk ik dat er weinig hoop is.

Brabo

maandag 23 april 2018

Mode deel 2

Mijn vorig artikel toonde aan dat er een enorme variëteit aan openingen bestaat. Het is vandaag volstrekt onmogelijk geworden zelfs als top-beroepsschaker om compleet up to date te zijn met alle bestaande theorie. Anderzijds stel ik wel vast dat vele openingen gespeeld op amateurniveau vrijwel ongevaarlijk zijn. Heel wat tegenstanders spelen helemaal geen kritieke varianten en willen eigenlijk alleen maar een speelbare niet-theoretische stelling bereiken waarin geschaakt kan worden.

Ik bedoel dat je als ambitieuze schaker best concentreert in de openingsstudie op de kritiekere varianten. De andere minder gevaarlijke systemen mogen ook bestudeerd worden maar vaak volstaat een gezonde ontwikkeling al om zonder kleerscheuren de opening door te komen. Trouwens het aantal resterende belangrijke systemen is nog steeds heel uitgebreid wat we bevestigd zien aan de vele uren openingsstudie sommige professionals dagelijks maken.

Voor een amateurschaker is het niet eenvoudig om het kaf van het koren te scheiden. Hoe kan ik weten welke openingen ik tijd moet aan spenderen en welke niet? Een coach kan hierbij zeer nuttig zijn maar wat als je die niet hebt. In elk geval is het een fabeltje om te denken dat partijen van spelers met een hogere rating automatisch meer diepgang in de opening bevatten. Ik deed de proef op de som door van mijn 100 recentste partijen te bepalen per elogroep hoeveel diepgang (afwijking t.o.v. eerder gespeelde partijen) er gemiddeld was. Eerst voor wit.
Voor zwart zien we geen belangrijk verschil.
Dus er bestaat geen link tussen rating en openingskennis. Nee dat is onjuist. Het is best wel zo dat een rating correleert met openingskennis. De verwarring ontstaat door het mixen van openingskennis met openingsvernieuwingen. 99% van mijn tegenstanders zijn volgers waarmee ik bedoel dat ze zelden of nooit in de opening met eigen op voorhand uitgewerkte ideeën spelen. Nu erg verwonderlijk is dit niet want alle elogroepen die ik ontmoet bestaan uit bijna uitsluitend amateurschakers die weinig of geen tijd spenderen aan persoonlijke analyses in de opening.

De echte pioniers en leiders in de openingen zijn natuurlijk onze topschakers en niet te vergeten de correspondentieschakers. Als we willen weten welke openingen kritiek zijn dan moeten we in de eerste plaats kijken naar hun partijen wat ik al o.a. geruime tijd doe in het voorbereiden van mijn partijen zie databases gebruiken . Eerder vermeldde ik al in mijn artikel de expert deel 2 te kijken naar partijen van spelers met een elo + 2600.

Kritieke openingen volgen is makkelijker gezegd dan gedaan want vandaag zijn er meer dan 200 +2600 elo actieve spelers. Dit betekent elke dag nieuwtjes die een top-professional moet bekijken. Zo twitterde de Nederlandse topgrootmeester Anish Giri eens "Als meer dan 2 twics op je laptop ontbreken dan is er iets fout gegaan met je werkschema." In mijn artikel hoeveel geld spendeer je aan het schaken gaf ik aan dat ook ik de gratis twics download (2 keer per jaar) maar tijd om alle relevante +2600 partijen voor mijn repertoire eruit te halen en te bestuderen, heb/ maak ik niet.

Zo is het zonder twijfel voor de meeste amateurs. Dagdagelijks werken aan openingen kan je niet verwachten van amateurs en heeft bovendien ook zeer weinig nut. Veel interessanter is voor hen te werken met samenvattingen waarin een aantal nieuwe kritieke openingslijnen worden uitgelegd door een professional zodat dit snel en efficiënt kan worden ingestudeerd. Openingsboeken en dvds zijn hierbij natuurlijk het eerste adres waaraan we denken. Nadeel van die media is dat ze zeer snel gedateerd zijn en bijlange niet de laatste trends kunnen volgen. Om echt de mode te volgen, zijn schaaktijdschriften nodig en dan liefst met de klemtoon op openingen. 2 abonnementen beveel ik aan betreffende kwaliteit: chesspublishing.com en chessbase magazin.

Uiteraard betekent dit dat er flink wat overlap is tussen beide magazines. Alhoewel verschillende auteurs werken voor beide magazines, worden dezelfde trends door beiden opgemerkt. Zo was ook recent het geval betreffende de Armeense Winawervariant van het Frans. Allebei publiceerden ze in januari begin dit jaar een overzicht van de meest recente ontwikkelingen in dit systeem zie chesspublishing januari 2018 en chessbase magazine 182. Eigenaardig kreeg ik het zelf net voor nieuwjaar al voorgeschoteld door de Belgische expert Nathan De Strycker in het 56ste kersttornooi van Deurne.
Gelukkig wist mijn tegenstander niet meer precies de analyses over deze variant want anders had het best een stuk lastiger geweest voor mij. Omdat ik zelf geen abonnement heb op een tijdschrift, maakte ik zelf een uitgebreid onderzoek over de opening. Tot mijn verbazing moest ik vaststellen dat het hypermoderne systeem perfect speelbaar is voor zwart zie hieronder mijn samenvatting. Mijn analyses maakte ik met behulp van het moderne monte carlo-mechanisme dus het laten spelen van zeer veel snelle partijtjes door de computer tegen zichzelf zie computers worden autonoom.
Ok dus we weten nu wie de laatste trends maakt en waar we ze gemakkelijk kunnen terugvinden. De volgende vraag die we kunnen stellen is in hoeverre dit allemaal relevant is voor de amateurschaker. Die vraag is voor mij moeilijk met zekerheid te beantwoorden omdat ik gewoon onvoldoende vertrouwd ben met de precieze inhoud van de magazines. Ik schat dat ik gemiddeld 1 keer per jaar in mijn partijen iets nuttig ervan zou kunnen gebruiken. Dat is erg mager maar dit ligt ook vooral aan mijzelf omdat ik mijn eigen weg ga in de openingen door de wetenschappelijke aanpak en ik weinig partijen speel: 38 met een langzame tijdscontrole vorig jaar schreef ik in mijn artikel verrassingen deel 2.

Kortom persoonlijk vind ik het veel geld om voor 1 magazine ongeveer 100 euro uit te geven per jaar. Voor beroepsschakers liggen de kaarten helemaal anders. Zo sakkerde de Amerikaanse grootmeester Alexander Lenderman met het befaamde Russische spreekwoord "скупой платит дважды" na zijn kansloze nederlaag in 22 zetten van vorige donderdag tegen de Amerikaanse topgrootmeester Fabiano Caruana. De opening was besproken in het meeste recente nummer van newinchess jaarboek 126 (dit magazine wordt slechts 4 keer per jaar gepubliceerd in tegenstelling tot maandelijks bij chesspublishing en tweemaandelijks bij chessbase) maar Alexander had het niet gezien terwijl Fabiano het wel.
Mijn Russische schoonvader gebruikt het spreekwoord ook regelmatig. Een gierig persoon betaalt tweemaal. Een halfje extra verliezen in het US-kampioenschap zou wel eens vele malen meer kunnen kosten dan 100 euro zie prijzengeld en dan spreek ik nog niet over kwalificatie voor de olympiade, titel,....

Terugkerend naar de gewone stervelingen, is het twijfelachtig of het loont om de mode te volgen. Er zullen altijd spelers zijn vooral jongelingen die graag op de hoogte zijn van de laatste nieuwe snufjes. Af en toe riskeer je dus te spelen tegen een fashionista maar paniek lijkt mij overbodig zeker omdat op amateurniveau zelden de opening beslissend is voor het eindresultaat.

Brabo

maandag 9 april 2018

Welke openingen spelen mijn tegenstanders?

Mijn antwoord op de reactie van het vorig artikel was nogal vaag. Ik schreef dat het aantal openingen dat je kan tegenkrijgen zelfs met een zeer nauw repertoire enorm is. Echter wat is enorm. Kan daar een cijfer opgeplakt worden? Wel met dit speciaal artikel zal ik dit trachten te doen.

Echter vooraleer we kijken naar cijfers, moeten we eerst bepalen wat een opening is. Ik heb meerdere bronnen geconsulteerd en kwam tot de vaststelling dat hierover geen consensus bestaat. Het classificatiesysteem ECO (Encyclopedia of chess openings) is zowat het enige dat overal in de schaakwereld gebruikt wordt maar verder dan de openingen groeperen in 5 hoofdcategorieen en 500 subcategorieen gaat het niet. Dus ECO classificeert maar zegt niet wat een opening is of uit hoeveel zetten een opening bestaat.

Eigenlijk doet de precieze definitie er hier niet toe want wij zijn vooral geïnteresseerd in hoeverre iemand in boek kan zijn. M.a.w. waar stopt de voorkennis betreffende de openingszetten van een speler. Dit hangt af van opening en speler zelf. Zelf ken ik heel wat openingsvarianten voorbij zet 20 zie bv. fouten en copycats. Bij beginners gaat de diepste openingskennis vaak niet verder dan een paar zetten. Van wereldtoppers is bekend dat sommige van hun ingestudeerde varianten zelfs voorbij zet 40 gaan. Anderzijds biedt een (zeer) hoge rating absoluut geen garantie dat de speler veel afweet van een opening zie verrassingen deel 1. Kortom het is koffiedik kijken wie wat precies kent en dit wordt nog versterkt door het feit dat vele schakers moedwillig hun openingskennis verbergen zie geheim.

Ik ben dus verplicht om een arbitraire grens te trekken. Als referentie gebruik ik de standaardinstellingen om een openingsboek in Chessbase te creëren. Op mijn blog heb ik in talloze artikels voorbeelden getoond van mijn openingsboek zie groene zettenanalyseren met de computer deel 3schaakopeningen studeren deel 2databases gebruiken, ... maar nergens legde ik uit met welke instellingen dat boek gecreëerd werd.
Default (standaard) worden er 20 zetten gebruikt met een variatie hierop volgens ECO. In mensentaal betekent dit dat we gemiddeld 20 zetten als openingsvariant beschouwen met meer of minder zetten per variant volgens de classificatie van de variant. Voor grote lange hoofdvarianten worden dus meer dan 20 zetten geïmporteerd in het boek terwijl voor kleine nevenvarianten er minder dan 20 worden geïmporteerd.

20 zetten wordt dus de basis om unieke openingen te definiëren. Dit laat ons eindelijk toe om te kijken welke openingen mijn tegenstanders spelen. Mijn persoonlijke database van standaardpartijen bevat er vandaag meer dan 800. Als we kunnen achterhalen hoeveel keer er dezelfde 20 openingszetten of partij (indien de partij minder dan 20 zetten duurde) gespeeld werden, weten we automatisch hoeveel openingen ik tot nu toe al op het bord heb gehad. Een uurtje door de database scrollen, was voldoende om dit te achterhalen. Het resultaat was op zijn zachtst opmerkelijk. Slechts 2 keer kreeg ik exact dezelfde 20 openingszetten in meerdere partijen op het bord. Bovendien ben ik er zeker van dat deze 2 unieke gevallen helemaal gelinkt kunnen worden aan zeer bewuste keuzen van mijn tegenstanders. Zo koos de Nederlandse IM Edwin Van Haastert ervoor om mijn verliespartij tegen de Belgische IM Thibaut Maenhout gespeeld een paar weken eerder te kopiëren. Het werd een gevecht vol fouten maar in de eindfase miste hij een duivelse wending.
De 2de unieke situatie ontstond in het klubkampioenschap van Deurne. In 2009 had ik reeds eens gewonnen tegen de 1700 speler Pascal Francois. In 2011 herhaalde Pascal dezelfde opening omdat er theoretisch niets mis mee was. Ik ging akkoord omdat er tussen een computerevaluatie en praktische kansen een belangrijk verschil bestaat in de variant.
Toen we een 3de keer in 2013 tegen elkaar speelde, had Pascal zijn les geleerd. Een openingsvariant mag je niet enkel selecteren op basis van de computerevaluatie en dus varieerde Pascal veel vroeger met een interessant alternatief.

Ik wil terugkeren naar de oorspronkelijke vraag van welke openingen spelen mijn tegenstanders. Ondertussen weten we het antwoord. Elke partij is een nieuwe opening dus op een paar extreme uitzonderingen na kunnen we niet voorspellen wat er in de toekomst nog zal verschijnen. De openingen studeren van de tegenstanders brengt bijgevolg weinig zoden aan de dijk.

Ruimer genomen zouden we zelfs kunnen stellen dat openingen serieus studeren voor ons bescheiden niveau sowieso nutteloos is. Dit laatste werd al eerder geïnsinueerd in een reactie van the Unknown One op een artikel van 2012. Echter dit is een stap te ver voor mij. In heel veel openingen is een handvol zetten kennen al een onmiskenbaar voordeel. Ik bedoel de arbitraire grens van 20 zetten is dan misschien wel ok om een opening te definiëren maar vertelt ons zeer weinig over het nut van openingen studeren zie o.a. naar mijn recent artikel de onzin van blitz deel 2.

Omdat elke opening zeer uiteenlopende karakteristieken heeft, kan ik geen cijfer plakken op hoeveel openingszetten men minstens moet kennen om een voordeel te verkrijgen. Bovendien hangt dit ook sterk af van de kennis van de tegenstander want enkel als je cruciale informatie meer kent, kan er een openingsvoordeel geclaimd worden. Daarom in het 2de gedeelte van dit artikel wil ik vooral inzoomen op het effect van openingen studeren volgens de wetenschappelijke aanpak die ik hanteer in mijn partijen. Hoe snel breidt de openingskennis uit wanneer je met een zeer nauw repertoire speelt? Met meer dan 20 jaar ervaring volgens deze speelmethode, kan ik hierover zeker enkele opmerkelijke statistieken tonen. Dus in al die tijd heb ik steeds dezelfde openingen gespeeld en enkel aanpassingen gemaakt aan het repertoire wanneer er een variant niet meer deugde. Hieronder zie je de evolutie van mijn openingskennis in de witpartijen.
Er blijkt weinig verschil te bestaan in de evolutie van mijn openingskennis in de zwartpartijen.
Gemiddeld over de meer dan +400 wit- en + 400 zwartpartijen wordt er al op zet 8-9 afgeweken. In minder dan 200 van de +800 partijen was ik het die afweek op een eerdere partij waarbij ik dus iets introduceerde dat ik had geleerd uit mijn fouten. Opmerkelijk is dat we nauwelijks enige progressie  van de zetafwijking zien in de laatste 15 jaren schaak alhoewel er  steeds ongeveer evenveel gespeeld werd. Enkele honderden partijen spelen levert dus weinig op betreffende diepgang van het repertoire. Ik vermoed wel dat als dezelfde strategie in schaal geëxtrapoleerd wordt dat er duidelijke vooruitgang geboekt zou kunnen worden. Dit is trouwens o.a. wat het project Alpha zero met 44 miljoen trainingspartijen verwezenlijkte. Uiteraard geen enkele mens is in staat om ooit zoveel partijen te spelen.

Alhoewel er gemiddeld heel vroeg wordt afgeweken in mijn partijen, is er toch nog een substantieel % partijen waarin de afwijking t.o.v. eerdere partijen later gebeurde. Om dit te illustreren maakte ik een grafiek waarin het % gespeelde partijen wordt geindexeerd volgens afgeweken zet. Hieronder volgt eerst de grafiek voor mijn witpartijen.
Latere afwijkingen gebeuren beduidend minder in mijn zwartrepertoire. Hier speelt zonder twijfel mijn Hollandse openingskeuze een rol waartegen wit een zeer ruime keuze heeft aan interessante varianten (dit vermeldde ik voor het eerst reeds in mijn artikel een hollands gambietje deel 2).
Uit de grafieken kunnen we aflezen dat in 27% van mijn witpartijen er een duplicatie is van de eerste 10 openingszetten t.o.v. eerder gespeelde partijen. Voor mijn zwartpartijen is dit slechts 16%. Voor de eerste 15 openingszetten zien we dat het aandeel voor de witpartijen al is geslonken tot 3% en voor de zwartpartijen tot 2%.

Ik rond dit lang artikel af. De percentages zijn laag maar evenmin compleet verwaarloosbaar. De openingen studeren van je eigen gespeelde partijen zal zonder twijfel enig voordeel opleveren op termijn. Of dit voordeel opweegt tegen de inspanningen, moet ieder voor zichzelf uitmaken. Als het studiewerk enkel voor een handvol elopunten wordt gedaan dan hou je het in elk geval niet vele jaren vol.

Brabo

vrijdag 30 maart 2018

Verrassingen deel 2

Vorig jaar speelde ik 38 schaakpartijen met een lange tijdscontrole. Ik won er 23, speelde 10 keer remise en verloor slechts 5 partijen. Dit lijkt een fantastisch resultaat maar de meeste partijen werden gespeeld tegen zwakkere spelers. Bovendien werden slechts 11 voor fide-rating verwerkt waardoor mijn fide-elo uiteindelijk slechts zeer licht aangroeide. Het is al jaren dat ik mij tevreden moet stellen met het spelen van kleinere lokale tornooien om toch nog enigszins een beetje speelritme te onderhouden.

5 verliespartijen op 38 wedstrijden is niet veel maar elke verliespartij is er 1 teveel voor een ambitieuze speler. Anderzijds leveren verliespartijen natuurlijk de beste informatie om jezelf te kunnen verbeteren. Dit was tezelfdertijd ook deels de kritiek op chesspub die ik kreeg i.v.m. artikel analyseren met de computer deel 2. Technisch maak ik kwalitatief zeer hoogstaande partij-analyses maar hoe word je daarvan een sterkere speler. Elke partij is uniek (op een enkele uitzondering na) en betekent dus steeds weer nieuwe fouten.

Natuurlijk leer je altijd wel iets bij met het in detail bekijken van je fouten maar vaak kan meer worden bereikt door de foutenlast in zijn totaal eens te bekijken. Bestaat er een gemene deler in de fouten? In mijn recentste 5 verliespartijen valt er in elk geval mij 1 iets belangrijks op. Telkens kwam ik al heel vroeg in de partij in serieuze problemen. In 2 partijen overleefde ik zelfs niet eens de opening. 1 kwam reeds aan bod in mijn artikel evolutie. De andere was mijn partij tegen Dries Janssen waarvan ik het slot al toonde in mijn vorig artikel.

Zonder twijfel was mijn te optimistisch spel een belangrijke reden voor de nederlaag. Beide koningen blijven in het centrum staan maar mijn koning blijkt veel kwetsbaarder te zijn. Echter nog belangrijker lijkt mij dat de witspeler al in de voorbereiding de kritieke stelling had gezien. Hij was op de hoogte van een gelijkaardige fout gemaakt in die stelling zie de partij Haroon Azizi - Anneli Damau gespeeld in 2003 met trouwens dezelfde weerlegging (zie zetten 9, 10 en 11). Dus naast de technische fout is vooral het enorme verschil in voorkennis van de opening zorgwekkend. Hierbij neem ik nog niet eens het eloverschil in rekening.

Een gebrek aan studeren is het zeker niet. Eerder dit jaar had ik al een eerste nederlaag opgelopen in deze opening en er bijgevolg een zeer uitgebreide studie van gemaakt. Met 5.h3 staat slechts 1 meesterpartij in de database maar maakte toch deel uit van die analyse. Echter aan het bord kon ik mij hiervan niets meer herinneren. Ik bekijk honderden partijen tijdens een studie en dat kan ik onmogelijk onthouden 6 maanden daarna. Ik vermoed dat zelfs wereldtoppers dit niet kunnen. Bovendien waren die analyses over 5.h3 zeer oppervlakkig dus ik beschouwde de variant allesbehalve als kritiek.

Nee mijn fout was natuurlijk in het te voorspelbaar zijn. Ik hou veel te dogmatisch vast aan de wetenschappelijke aanpak zodat tegenstanders heel makkelijk een uiterst gevaarlijke verrassing kunnen voorbereiden. Om te illustreren hoe groot het verschil wel is tussen mezelf en mijn tegenstanders, maakte ik een klein onderzoek. Ik selecteerde alle standaardpartijen waarbij ik tegen iemand speelde waar ik al eens eerder had tegengespeeld. Hierdoor mocht ik veronderstellen dat mijn tegenstanders wisten welk soort speler ik was op voorhand en dus hiermee rekening hadden gehouden in hun openingsstrategie. 146 van mijn 829 partijen bleven over na de filter. Het bewijst nogmaals wat ik al stelde in mijn artikel matchen dat de schaakwereld klein is. Van elk van die 146 partijen noteerde ik wie er als eerste afweek van de vorige onderlinge partij en op welke zet.
Als we de samenvatting maken dan wordt het verschil tussen mezelf en mijn tegenstanders onmiddellijk duidelijk. In 128 partijen van de 146 partijen week mijn tegenstander als eerste af of m.a.w. werd ik verrast. Slechts in 18 partijen was ik degene die afweek t.o.v. onze eerdere onderlinge partij. Ook het verschil in wanneer er gemiddeld wordt afgeweken is opmerkelijk. Mijn tegenstanders wijken gemiddeld al af op zet 4 terwijl ik dit slechts doe op zet 10. Dit hangt natuurlijk samen met het aantal partijen wanneer er als eerste wordt afgeweken. De volgende vraag die je dan logischer wijze stelt, is of dit mij niet veel elo kost. Wel tot mijn eigen verbazing valt dat eigenlijk reuze mee. Hieronder kan je mijn TPR zien tegen dezelfde elo-categorieen van vorig artikel.

Elke medaille heeft 2 zijden. Het gebrek aan verrassingselement wordt gecompenseerd door meer ervaring. Ook vermoed ik dat veel spelers eerder variëren om een voorbereiding te vermijden dan dat ze zelf een uitgebreide voorbereiding gemaakt hebben. Het is weer mijn afgezaagd liedje dat men liever lui is dan moe. Slechts in de hoogste elo-categorie zijn er twijfels. De TPR zakt niet dramatisch en het aantal partijen is te gering om serieuze conclusies te trekken maar een goed gevoel heb ik zeker niet. Ik merk op dat de Vlaamse toppers die mij al decennia kennen, zelden zullen nalaten om mits een voorbereiding te profiteren van mijn gebrek aan variatie in de openingen. Dus in dit opzicht kan ik de reactie op mijn artikel paswoord van de Belgische IM Steven Geirnaert zeker beamen.

Mijn artikel van eind vorig jaar killer nieuwtjes had dit al indirect verteld met een voorbeeldje van mijn partij tegen de Belgische FM Matthias De Wachter. Meer variatie in mijn openingen is een noodzaak om hogerop te geraken wat o.a. op zich al af te leiden was uit een eerdere samenvatting die ik gaf in het bijna 5 jaar oude artikel de sterktelijst. Anderzijds wil ik evenmin de lezer laten denken dat variatie de heilige graal is. In een andere nederlaag dit seizoen was de oorzaak zeker deels net door de variatie. Ik speelde voor het eerst een variant zonder dit op voorhand serieus te hebben bestudeerd. Ik kende de hoofdlijn niet en mijn afwijking werd op het bord weerlegd. Kortom succesvol variëren is zeker niet blindelings varianten kiezen.

Brabo

dinsdag 20 maart 2018

Comebacks deel 3

In 2 jaar tijd is mijn zoon Hugo erin geslaagd om zijn oorspronkelijke materiaalhandicap weg te werken. We waren begonnen met 23 punten (pion = 1 punt) als voorgift (zie gekke materiaalverhoudingen deel 2). Vandaag blijft er enkel nog een (stevige) tijdshandicap (18 minuten tegen 1 minuut 15 seconden) over. Ik vind dit opmerkelijk want met bijna 1000 elo meer, had ik toch verwacht langer materiaal te kunnen voorgeven. Mijn zoon Hugo heeft vandaag slechts beperkte technische capaciteiten dus de situatie is totaal anders t.o.v. de handicapmatch van de Nederlandse expert Jaap Amesz die ik recent vermeldde in mijn artikel swindels.

In mijn artikel offeren waarschuwde ik al dat er vaak te optimistisch materiaal wordt geofferd. Vandaag ga ik nog een stap verder door te stellen dat eenmaal een speler een klein materiaalvoordeel heeft opgebouwd dat de partij bijna altijd beslist is. Behalve bij beginners die nog stukken laten instaan, zien we dat uiterst zelden een materiaalachterstand kan worden weggewerkt. Lezers die mijn eerste artikel over comebacks nog herinneren, zullen wellicht dit als een contradictie beschouwen. Daar schreef ik immers dat er in 11 van mijn 100 partijen een achterstand groter dan 3 punten werd weggewerkt. In 7 partijen was de comeback zelfs groter dan 6 punten met als uitschieters 29,67 en 32,06 punten.

De verklaring is dat de computerevaluatie dikwijls zeer sterk afwijkt van de materiaalstand op het bord. Deze evaluatie is gebaseerd op de slotstelling van wat de computer als kritieke variant beschouwt dus bij best spel van beide kleuren. Die slotstelling kan enorm afwijken van de actuele positie betreffende de materiaalstand want kan het gevolg zijn van een lange zeer tactische variant. Soms zijn die varianten waanzinnig complex waardoor de computerevaluatie helemaal geen link meer heeft met de werkelijke winstkansen voor een mens in een stelling zie leestekens. Dit is nog een voorbeeld van wat ik al vertelde in mijn artikel analyseren met de computer deel 2. De computerevaluaties helpen de schaker enorm bij het detecteren van de fouten maar daarna moet je zelf nog aan de slag om de juiste interpretatie aan de fouten te geven. Niet verwonderlijk loopt het daar geregeld spaak leidend tot frustraties en afkeer van schaakprogramma's.

Dit verschil tussen computerevaluatie en materiaalstand komt ook duidelijk tot uiting in de comebacks. Om dit te illustreren gebruikte ik opnieuw de 100 partijen van mijn eerste artikel. Bij elke comeback noteerde ik de materiaalstand van de stelling. Echter een materiaalachterstand werd slechts aangerekend wanneer er duidelijk geen compensatie te bespeuren was. We kunnen niet van een comeback spreken in het geval van gambieten of theoretische remisestellingen. Hieronder zien we eerst de samenvatting voor mijn tegenstanders.









Daarna volgt de samenvatting voor mezelf.










Slechts 5 pionnen achterstand werden er door mijn tegenstanders goedgemaakt in een totaal van 36 comebacks. Zelf maakte ik 13 pionnen achterstand goed verspreid over 38 comebacks. M.a.w. in de meeste gevallen staat een pion achterstand gelijk aan een nederlaag. De uitzonderingen kunnen trouwens bijna uitsluitend gelinkt worden aan speciale gevallen. Ofwel is de stelling tactisch erg scherp zodat er een hogere kans is om de kleine materiële achterstand nog goed te maken zie bv mijn artikel einstellung effect. Ofwel is het materiaal zo gereduceerd dat er een hogere kans is dat een theoretisch remise-eindspel kan worden bereikt zie o.a. mijn artikel praktische eindspelen.

We kunnen uit bovenstaande tabellen ook vermoeden dat het eloverschil nauwelijks invloed heeft op de materiaalachterstand. Dit laatste ondervond ik proefondervindelijk door een pijnlijke nederlaag eind vorig jaar. De laatste ronde van het maneblusserstornooi moest ik winnen om het tornooi op mijn naam te schrijven en met de 1900 elopunter Dries Janssen als tegenstander kreeg ik op het eerste zicht een zeer haalbare kaart. Echter in de voor mij onbekende openingsvariant sloeg ik de bal compleet verkeerd en kwam hierdoor zeer vroeg een stuk achter.
Alhoewel wit zeker niet de snelste winstweg gevonden heeft, stond het resultaat nooit ter discussie. De handicap was veel te groot om ooit nog op een comeback te hopen en mijn tegenstander is natuurlijk ook geen beginner meer. Opgave na stukverlies was zeker niet verkeerd geweest maar daar kon ik mezelf toen niet bij neerleggen. Bovendien was het 18 jaar geleden dat ik nog eens een standaardwedstrijd had verloren tegen een -2000 speler zie mijn artikel Wit kiest al in de opening een remisevariant.

Dus het is zaak om nooit materiaal achter te komen of je naam moet Magnus Carlsen zijn. Anish Giri liet de kans niet voorbijgaan om er een grappige tweet over te schrijven: The world champion Magnus Carlsen is now officially a full piece stronger than the rest of the mankind. Vrij vertaald betekent het dat Magnus kan winnen tegen om het even wie zelfs als hij een zware handicap van een vol stuk krijgt.
Uitzonderingen bevestigen de regel. Mirakels gebeuren soms in het schaken en dan kan je jezelf afvragen of het misschien toch loont om telkens door te spelen tot de mat. De Amerikaanse grootmeester Grigory Serper toonde nog enkele mirakels in zijn artikel Why you should never resign? maar laat de lezer zelf beslissen of opgeven zinvol is. Ik vind het dubieus en vooral tijdsverlies om 100 verloren partijen steeds tot de mat door te spelen om 1 keer een half punt te kunnen afsnoepen.

Brabo