dinsdag 21 maart 2017

Picsblog

OK, na een zeer lange afwezigheid ben ik nog eens in de pen gekropen. Ik moet zeggen – hoed af voor onze webmaster – toen hij met zijn project begon, dacht ik eerst – dit duurt 100 artikelen en dan is de inspiratie op…  Neen dus. Brabo heeft zijn zichtveld breed gehouden; van persoonlijke ervaringen aan en naast het bord, tot gezinsleven met een in schaken geïnteresseerde zoon, wat internationaal nieuws, analyses, nieuwtjes, methodes, taktiek, eindspel en psychologie. Nogmaals tip of the hat to you, Brabo. En dat alles gespekt met partijmateriaal (geloof me, er kruipt toch wat tijd in om zo’n diagram met een pgn fragment te stofferen).

Dus ja, wat kan ik aanbrengen?

Als ex-schaker vertoef ik nog altijd occasioneel in « het wereldje ». De jongste jaren verschoof mijn aandacht van speler naar waarnemer en ben ik meer en meer mij beginnen toeleggen op fotografie van schakers. Met een nieuw toestel ben ik recent dan ook enkele  tornooien « gaan teisteren ». Als ex-schaker – die heel graag rustige omstandigheden had (ook bij de kibitzers) – ben ik me bewust van de overlast die een fotograaf kan veroorzaken. De eerste vijf à tien minuten in een partij staat er nog niet veel op het spel, maar hoe minder tijd er over is voor de spelers, hoe meer de schakers ongestoord en geconcentreerd wil blijven. En dan wil je niet een aantal pottenkijkers rond je bord, laat staan een fotograaf die in je gezichtsveld komt close-ups nemen.

Ik fotografeer dan ook altijd zonder blitz – wat me in bv Cappelle-la-Grande met mijn oud toestel (Panasonic FZ100) al veel half-gelukte (lees: net iets te onscherpe foto’s) heeft opgeleverd. Mijn nieuwe reflextoestel (Canon Eos 6D) doet het op dat vlak veel beter, maar maakt natuurlijk het typische klikgeluid dat bij een reflextoestel hoort; van het ene nadeel in het andere dus.

Nu heeft zo’n toestel wel een ‘stillere’ setting, maar ik weet dat zo’n klik in het middenspel – laat staan in tijdnood – niet geapprecieerd wordt. Daarom hou ik mijn oudere toestel achter de hand – het is stiller en heeft een goede zoom, dus kan ik vanop 10-15 meter in relatieve stilte, toch nog goede close-ups nemen, zonder dat de spelers zich hiervan bewust zijn.

Ik ben een amateurfotograaf, zonder enige scholing, dus ik vergelijk mijn foto’s zeker nog niet met die van David Llada, Alina L’Ami of Lennart Ootes, die hun foto’s regelmatig kunnen slijten aan Chessbase of schaaktijdschriften. Enkele gespecialiseerde tijdschriften en een boek over mijn camera waren al een eye-opener van wat mogelijk was. Behalve het feit dat ik zonder blitz fotografeer, is er nog een restrictie die ik mij voorlopig opleg : ik neem geen tientallen foto’s van mijn onderwerpen, maar probeer de juiste foto te krijgen in slechts enkele opnames. Ook doe ik zo goed als geen « postproductie ». Veel verder dan autokleur of autobalans ga ik niet in Picasa/Google Photos. Nog geen Photoshop of Lightroom dus – voorlopig.

Bij de aankoop van mijn nieuwe toestel kreeg ik al wat fotografisch advies van Ronald Flou (van de Ieperse Schaakkring), die zelf al een gevorderd schaakfotograaf is en als dusdanig een regelmatig gast(fotograaf) is op schaakevenementen. Wie enkele foto’s van hem wil bewonderen, kan zijn publieke google+ pagina of zijn albums op KISK Ieper bezoeken.

De overstap van mijn oude digitale toestel naar de nieuwe Canon was een indrukwekkende opstap naar een hogere klasse in de fotografie. De kwaliteit van het toestel is onvergelijkbaar beter en het kunnen spelen met sluitertijd, f-factor, ISO-factor nodigt uit tot experimenteren en minder de volautomatische setting te gebruiken. Het heeft zelfs geleid tot het beter kunnen werken met mijn oude toestel en zelfs de camera van mijn smartphone.

Zonder teveel in technische details te willen gaan, wil ik toch enkele staaltjes tonen. Naast de al gemelde autocorrectie is een hele eenvoudige bewerking – die een foto opwaardeert – het croppen van de foto (bijsnijden). Het verhoogt de focus en maakt de foto minder “slordig” – je beperkt je tot de essentie. In de foto hierna (Giri en L’Ami in gesprek in Wijk aan Zee 2017) zou je nog rustig al die rommel aan de rechterkant kunnen afsnijden.
Een schaker is op zich al een dankbaar onderwerp, maar een schaakfoto krijgt pas iets extra’s als je er een eigen draai aan geeft, door iets te suggereren. Aspecten zoals “de eenzame schaker”, “winst of verlies”, “twijfel”, “concentratie”, …


Onderstaande foto kreeg van mij het onderschrift: “How to react when Anatoli Karpov is in the room and all attention goes to him – Ilya Smirin shows how”. Op de laatste ronde kwam de ex-WK op de gong slaan om de ronde op gang te brengen, en natuurlijk had iedereen maar oog voor Karpov. De spelers die alle ronden ervoor in de belangstelling hadden gestaan, waren plots quantité négligeable. De foto heb ik wat bijgesneden (tegenstander Eric Hansen staat er niet meer op, om Smirin duidelijk in het midden van de foto te krijgen).
En een goede foto hoeft echt geen foto te zijn van een wereldtopper – integendeel, soms ligt het beste materiaal gewoon te wachten in de eigen club. Onderstaande foto (bewerkt met Prisma op gsm) vind ik persoonlijk nog altijd een hele sterke.
Voor wie zelf aan de slag wil – wie denkt in een tornooizaal rustig een foto kan nemen van een rij borden met schakers die mooi stil zitten – forget it. Je moet al geluk hebben om spelers aan vijf borden vijf seconden in dezelfde pose aan te treffen. Er wordt een zet gespeeld, klok ingedrukt, zet opgeschreven, een speler staat op, rekt zich uit, drinkt wat, verandert zijn houding, … er gebeurt van alles aan het bord. Om dan met een lange sluitertijd te werken, is vragen om wazige foto’s. Dus een beetje camera helpt zeker, maar ook inzicht, oog voor compositie, goed licht, een goede opstelling en … vooral veel geduld!

HK5000

donderdag 16 maart 2017

Ploegencompetities

Aan het einde van de werkweek wordt er mij wel eens gevraagd wat de plannen zijn voor het weekend. Geregeld zeg ik dan een wedstrijdje interclub. Vervolgens moet ik soms een woordje uitleg geven want buitenstaanders begrijpen niet hoe je schaak in ploegverband kunt spelen. Schaken speel je toch 1 tegen 1, niet? Dat klopt. Een ploegencompetitie is niet meer dan gewoon de punten optellen van een aantal partijen en de sommen vergelijken tussen beide ploegen.

Dan kan je natuurlijk de vraag stellen wat er zo aantrekkelijk is aan ploegencompetities. 1552 spelers worden elke interclubronde aan een bord verwacht in België. Als je het vergelijkt met om het even welke andere schaakcompetitie in België dan is dit een reusachtig aantal. Nochtans wordt er gevraagd om 11 zondagen op te offeren terwijl andere tornooien kampen met een gebrek aan spelers ondanks veel minder speeldagen.

Het is een beetje zoals het kip en het ei. Zonder de massale deelnemersaantallen zou de interclub nooit zoveel (nieuwe) deelnemers aantrekken en net omwille van de aantrekkingskracht heeft de interclub zoveel deelnemers. Anderzijds speelt het unieke formaat hierin zeker ook een rol die toelaat om je steeds te omringen door spelers van ongeveer gelijke sterkte. De 5 afdelingen zorgen voor een redelijke afscheiding tussen verschillende speelsterktes. Dit betekent dat je niet alleen 11 interessante partijen kunt spelen maar ook dat je naast de partijen gesprekspartners hebt die op hetzelfde niveau over het schaken kunnen meepraten.

Echter hierover wil ik in dit blogartikel niet uitweiden. Nee ik ben eerder geïnteresseerd om eens te kijken of er een zekere cohesie en ploegsfeer kan ontstaan die verder gaat dan een stel schakers die bij elkaar zijn geplaatst door toeval. Is zoiets mogelijk bij schakers die op zichzelf vaak uiterst individualistisch zijn? Wel eerlijk gezegd, het is absoluut niet evident en soms gewoon zo goed als onmogelijk. Sommige ploegen spelen met een roterend systeem van spelers waardoor je nooit een groepsgevoel kunt creëren. Anderzijds levert zelfs een honkvaste kern geen garantie. Als ik onze huidige 1ste ploeg van Deurne vergelijk met die van 10 jaar geleden dan zijn nog steeds 5 kernspelers van de 8 dezelfde. Desalniettemin stelde ik tot mijn grote verwondering vast dat de 8 spelers na het beëindigen van de recente uitwedstrijd in Gent tegen Jean Jaures, werden verdeeld over 5 auto's !

Nochtans kan het ook anders wat ik leerde uit de jaren waarin ik Franse interclub speelde. Elke interclubronde werd gewerkt aan een echt team te smeden. Dit begon al vooraf door iedereen te betrekken bij de ploegopstelling (de Franse interclub laat binnen een zekere marge toe te schuiven met de spelers). 10 minuten voor de ronde kregen we een serieuze peptalk van de president en na de ronde werden de banden versterkt met een gezamenlijke maaltijd in een restaurant. Ook het voorstellen en aanvaarden van remisevoorstellen moest steeds via de ploegkapitein gebeuren. Ik herinner mij nog levendig hoe ik eens een serieuze uitbrander kreeg toen ik in onderstaande stelling remise aannam zonder voorafgaande consultatie.
De La Riva Aguando,O 2549 - Brabo 2308 : 1/2 - 1/2
Het staat ongeveer gelijk in de slotstelling en ik dacht dat een remise met zwart tegen een 250 punten hoger gekwoteerde grootmeester een zeer goed resultaat was. Echter op dat moment stonden we achter in bordpunten en verhoogde ik met de remise enkel de druk op de andere teamgenoten. In hogere zin bezegelde ik hiermee de matchnederlaag. Het was een pijnlijke maar leerzame les.

Met de jaren heb ik dan ook geleerd om een betere teamspeler te zijn zelfs als dit soms ten koste gaat van je eigen ambities. Ik ben vandaag dan ook sneller bereid om risico's te nemen wanneer de matchsituatie dit van mij verlangt. Zo was ik laatst van plan een zeer riskant kwaliteitsoffer te spelen in de slotstelling van mijn partij tegen Ian Vandelacluze. Het was pas toen ik hoorde dat de matchoverwinning al veilig was dat ik de zetherhaling toeliet.

Aanvankelijk vonden mijn teamgenoten het kwaliteitsoffer onzin. Pas na enkele varianten te tonen ging men akkoord dat het de enige serieuze winstpoging was die wit kon proberen in de slotstelling.

Ploegencompetities kunnen dus een extra dimensie geven aan elke wedstrijd zeker als er gewerkt wordt met matchpunten. Echter niet iedereen is bereid of geschikt om daaraan mee te werken. Meer dan eens zie ik dat iemand zijn eigen belangen laat primeren t.o.v. de ploeg. Helemaal fout kan je het evenmin noemen want uiteindelijk zet je enkel je eigen elopunten op spel. Dit is trouwens ook de reden waarom sommige spelers ijveren om ploegencompetities niet te laten meetellen voor elo.

Brabo

woensdag 8 maart 2017

Piondoorbraken

Op de jeugdtornooien wordt mij geregeld gevraagd waar je een coach kunt vinden. Ambitieuze ouders zoeken een meer individuele aanpak voor hun kind waarvoor ze zelfs willen betalen maar kunnen dit niet vinden/ krijgen in de meeste clubs. Het gemakkelijkst lijkt mij het internet want via skype is elke afstand te overbruggen. Zo vind je op chess.com een lange lijst van coaches waaronder zelfs de Belgische FM Hans Renette.

Echter betalende lessen garanderen niet perse betere kwaliteit. Een curriculum, trainerscertifcaat, ... vertellen je niet alles. Op chess.com geeft de Amerikaanse IM en coach Jeremy Silman enkele tips. Een grootmeester is een overkill wanneer je een beginner bent. Na enkele lessen moet je kunnen aanvoelen dat het voor jou interessant is. Durf het aan om van coach te veranderen wanneer je niet tevreden (meer) bent van de lessen. Wees realistisch over de vooropgezette doelstellingen.

Ik ben geen coach maar geef les aan een kransje van beste jeugdschakers in KMSK. In mijn lessen kijk ik o.a. naar de thema's die in de stappenmethode aan bod komen maar ik geef er een eigen interpretatie aan. Trouwens een kleine rondvraag bij mijn leerlingen maakte mij duidelijk dat de meesten al alle stappen hadden doorlopen. Sommigen zijn zeer ambitieus dus het is een uitdaging voor mijzelf om ze iets interessants te kunnen aanbieden. Vooraf stelde ik mij de vraag of dit als beginnende lesgever moeilijk zou zijn maar bijna alles wat ik toonde aan hen was 100% nieuw. Sommige leerlingen hebben meer dan 2000 elopunten dus dit had ik niet verwacht.

Zo besprak ik in de voorbije maanden het thema over piondoorbraken dat in stap 5 aan bod komt. In een paar uurtjes lesvoorbereiding slaagde ik erin een interessante aanvulling te creëren t.o.v. wat in het boek werd verteld. Ik begon met een merkwaardig pionneneindspel waarmee ik onmiddellijk de rekencapaciteiten van mijn leerlingen serieus op de proef stelde. Iedereen in de groep kende wel de 3 tegen 3 pionnen opgave maar de onderstaande opgave was voor hen allemaal nieuw.

Ik moest een aantal tips geven vooraleer men eindelijk de unieke oplossing vond. Iedereen begreep onmiddellijk mijn advies. In pionnendoorbraken kan je niet gokken maar moet je bereid zijn om nauwkeurig varianten uit te rekenen.

Met een tweede opgave boorde ik een nieuw segment aan in pionnendoorbraken. In het stapjesboek wordt hierover niets gezegd maar vaak gaan stukoffers vooraf in pionnendoorbraken. Deze maal wou ik eens kijken wie de schaak-actualiteit volgt. Ik vind zoiets vanzelfsprekend voor ambitieuze leerlingen maar slechts 1 leerling herkende vaag de onderstaande stelling uit een recente toppartij gespeeld in de London Chess Classic 2016.

Soms krijg ik de opmerking dat topschaak heel verschillend is van ons amateurschaak. Wel om dit te counteren, toonde ik ook nog 2 voorbeelden uit mijn eigen praktijk tegen het type tegenstanders die mijn leerlingen zelf ook kunnen verwachten. De eerste is een fragment uit mijn partij die ik al eens gebruikte in het artikel correspondentieschaak.

Niet eenvoudig vonden mijn leerlingen om zulk thema te zien in deze stelling. Het tweede voorbeeld daarentegen ging veel makkelijker om op te lossen. Een ander fragment van dezelfde partij kwam aan bod in eten en drinken deel 2.

Hierna waren mijn leerlingen overtuigd dat stukoffers geregeld vooraf gaan aan piondoorbraken. Ik vermoed dat de les meer dan een uur moet hebben geduurd. Ik laat graag mijn leerlingen zelf een tijdje zoeken naar een oplossing en daarnaast praat ik de tijd makkelijk vol over allerlei nevenaspecten zoals de actualiteit, Fenexcelsior, ....

Ik beweer zeker niet dat dit de perfecte les is. Ik ben een beginner in lesgeven dus ik leer zelf nog veel bij over hoe iets didactisch goed uit te leggen. In elk geval heb ik nog geen klachten gehoord alhoewel misschien mijn lesonderbrekingen door interclub/ tornooien minder aangenaam zijn. Mijn gratis lessen vinden plaats op zondagmorgen van 10.15 tot 12 uur in de sporthal den Boemel te Mechelen. Iedereen is welkom die lid is van de Mechelse club (of wenst te worden) mits een zekere basissterkte.

Brabo

vrijdag 3 maart 2017

Kinderen leren schaken deel 2

Eerder vertelde ik in mijn artikel schaakcompositities dat ik als veertienjarige begon te schaken maar eigenlijk kende ik de spelregels al jaren. Wanneer en wie precies mij introduceerde tot het schaken, weet ik niet meer maar meer dan wat gerommel met familieleden zal het niet geweest zijn. Dus de schaakmicrobe was er zeker niet van bij de start. Pas op de middelbare school kwam de klik toen ik de kans kreeg om te schaken tijdens de pauzes met medeleerlingen. Ik haatte verliezen en kickte op het winnen waardoor ik steeds obsessiever ging schaken. Een clubschaker worden was uiteindelijk de volgende logische stap.

M.a.w. de kans is zeer groot dat ik nooit een clubschaker was geworden indien ik op school niet (opnieuw) in contact was gekomen met het schaken. Ik vermoed dat veel clubschakers een gelijkaardige voorgeschiedenis hebben. Schaken op school lijkt mij uiterst belangrijk voor de aanwas van nieuwe clubschakers. Ik ben dus absoluut niet verwonderd dat er vanuit diverse schaakinstanties gekeken wordt om schaken op school te introduceren.

Echter met schaken te promoten als fun en een fascinerend spel zal je het onderwijs niet overtuigen om schaken te stimuleren op school. Daarom werd volop de kaart van schaken als leermiddel getrokken alhoewel er geen harde bewijzen hiervoor zijn wat ik reeds aanhaalde in mijn artikel kinderen leren schaken en recent werd herhaald in 2 artikels op Chessbase "Does playing chess make children smarter?" en "Chess instruction in schools a quantitative review". Misschien moeten we het categoriseren onder een leugentje om bestwil maar ik verkies daar liever geen deel van uit te maken.

Nu zoals vaak wordt iets wat je voldoende keren herhaalt algemeen als een waarheid aangenomen. Tot op vandaag claimen er schakers dat elo inflatie bestaat en zeer groot is terwijl er reeds meerdere wetenschappelijke artikels bestaan die dit weerleggen. Op de jeugdtornooien praat ik ook geregeld met ouders die overtuigd zijn van hoe belangrijk schaken is voor de ontwikkeling van hun kinderen. Deze indoctrinatie is ook terug te vinden in meerdere scholen alhoewel de successen eerder bescheiden zijn. Vlaanderen telt bijna 4000 scholen maar minder dan 100 scholen hebben een schaakwerking zie schaken op school.

Kinderen (ouders/ leerkrachten/...) overtuigen om te schaken is 1 ding maar je moet ook nog mensen vinden die het allemaal in goede banen willen leiden. Daar wringt het schoentje. Vlaanderen kent slechts 3000 leden. Meer dan 25% is gewoon te jong en onervaren. Veel volwassen schakers hebben al hun handen vol met voltijds werken, de familie, .... Tenslotte heb je nog ongeveer 500 gepensioneerden maar naast vaak een tanende gezondheid speelt hier ook een gebrek aan motivatie een belangrijke rol. In mijn club Deurne hebben we 12 65 plussers maar niemand is bereid om de schaaklessen voor de jeugd te organiseren. Kortom het is logisch dat er niets (of nauwelijks iets) werd bereikt 4 jaar later na de aangekondigde visie door de KBSB (zie mijn artikel nieuwe wedstrijdreglementen).

Bovendien eenmaal de kinderen ouder worden en meer schaakervaring hebben, blijken er nauwelijks nog mogelijkheden te zijn om lessen te blijven volgen. Veel clubs kampen niet alleen met een gebrek aan lesgevers maar ook het gemis aan sterke trainers doet zich voelen. In Deurne maar ook in vele andere clubs heeft de sterkste lesgever niet meer dan 1600 elopunten. 12 spelers boven de 2000 elo telt Deurne nochtans op de spelerslijst maar niemand voelt zich geroepen. Ik werp hiermee zeker naar niemand een steen want ik besef zelf ook wel dat + 2000 schakers gemiddeld veel meer individualistisch zijn dan -1600 schakers. +2000 elopunten vergt voor velen een serieuze inspanning en heel wat toewijding aan de schaakcarriere.

Bijgevolg blijft er voor de meeste gevorderde jeugdschakers enkel zelf-studie over. Met zelf-studie kan je een heel eind ver geraken (waarvan ik het levende bewijs ben) maar niet iedereen ziet dit zitten. In mijn artikel vakantie deel 2 toon ik aan dat 60% afhaakt eenmaal voorbij de 20 jaar en nooit meer terug actief wordt. Een enquete met de afhakers zal wellicht aantonen dat het gemis aan verdere ondersteuning hier zeker meespeelt. Trouwens niet alleen kwantiteit maar ook kwaliteit lijdt onder het gemis. Ik ben er zeker van dat ik met de juiste coaching wat ik nu ken, veel malen sneller had kunnen leren en meer dan waarschijnlijk veel verder had gestaan.

Dus sterkere trainers zijn absoluut een aanrader als we het schaken in Belgie/ Vlaanderen willen vooruit helpen. Echter hiervoor is geld nodig want hopen op vrijwilligers is onvoldoende. Daarbij helpt de fide zeker niet. Zo las ik op KBSB dat je een boete van 500 euro riskeert als je een trainersfunctie bekleedt zonder geldige fide-licentie. Zulk licentie behalen kost je als individu al snel 150 tot 300 euro zie de bijlage en is bovendien slechts geldig voor 2 kalenderjaren. Slechts 11 Belgen behaalden de licentie tot nu toe wat natuurlijk een druppel op de hete plaat is.

Anderzijds denk ik dat je buiten de fide-auspiciën kunt doen wat je zelf wilt. Go for grandmaster werkt zeker niet uitsluitend met fide-trainers. Er zijn uiteraard veel meer sterke schakers die goede lessen kunnen geven. Geld is de oplossing maar tezelfdertijd ook het probleem. Slechts voor een zeer kleine groep schakers zijn er middelen beschikbaar. Een serieuze verhoging van het lidgeld ten gunste van de jeugd wordt geblokkeerd omdat er geen vertrouwen is (deels historisch terecht).

Zelf draag ik een zeer klein steentje bij in dit verhaal door enkele beloftevolle jeugdspelers een aantal schaaklessen op zondag te geven. O.a. Lee Deon, huidig Vlaams kampioen -20 jaar en Thijs De Bock, huidig Vlaams kampioen -16 jaar maken deel uit van mijn groep. Ze verdienen zeker goede lessen en ik doe mijn best maar ik kan niet voor 100% continuiteit zorgen. Ik heb mijn eigen wedstrijden te spelen, begeleid mijn zoon naar zijn tornooien en uiteindelijk is het allemaal onbezoldigd. Volgend artikel leg ik uit hoe ik mijn lessen aanpak aan de hand van een voorbeeldje.

Brabo

donderdag 23 februari 2017

De Bird

Met de exponentiële toename van het aantal grootmeesters zien we ook een evenredige toename van allerlei (betalende) schaakpublicaties. Van het prijzengeld alleen kunnen de meeste niet leven dus zoekt men alternatieve inkomsten. Ondanks een grote illegale markt blijken er toch voldoende eerlijke schakers te bestaan die de producten met plezier kopen. Een nieuwe opening aanleren door een boek te lezen of moderner een dvd te bekijken is erg aantrekkelijk wanneer je weet dat het daarna extra bordpunten zal opbrengen.

Vooral de meer moderne versie dus de DVD is vandaag zeer populair. Kijk naar Chessbase nieuwste producten en je vindt een waaier aan zeer interessant materiaal. Het is uiterst geschikt voor de schaker die vanuit nature veelal lui is om mits een minimum aan tijd en inspanning toch heel wat te studeren. Trouwens ook voor de auteur en uitgever is het formaat zeer aantrekkelijk. Geen ellenlange correcties van passages die vaak maanden duren maar in maximaal een paar dagen wordt de video ingeblikt. Het enige nadeel is misschien dat de auteur een paar dagen naar de opname-studio moet komen.

Kwalitatief blijft er natuurlijk een verschil bestaan tussen boek en DVD. Ik bedoel daarmee niet perse de kwaliteit van de analyses maar het overzicht, de referenties, het didactische zijn sterk afhankelijk van het formaat. Analytisch is eerder een kwestie van voorbereiding en ervaring. Partijen selecteren, analyseren en synthetiseren gebeurt natuurlijk vooraf. Een schrijver heeft hiervoor iets meer flexibiliteit want kan makkelijker in laatste instantie nog een nieuw hoofdstuk toevoegen.

Een vraag die ik (maar niet ik alleen) stel is in hoeverre een auteur ervaring moet hebben met het onderwerp waarover er geschreven wordt. Zo maakte de sterke Nederlandse grootmeester Erwin L'Ami zeer recent een DVD over de Hollandse stonewall waarna ik toch even de wenkbrauwen fronste. Ik speel/ studeer al bijna 2 decennia deze opening en ik ben nooit partijen van Erwin tegengekomen. Dit werd ook bevestigd toen ik dit nakeek op chess-db. Slechts 1 echte stonewall partij in normale omstandigheden vond ik van Erwin gespeeld in 2016 die hij bovendien verloor zie Viktor Laznicka - Erwin L'Ami. Uiteraard wordt hierover geen woord gerept in het reclame-artikel van de Indische IM Sagar Shah op Chessbase.

Nu om misverstanden te vermijden, wilt dit niet zeggen dat de DVD slecht is. Ik zie een +2600 speler perfect in staat om zelfstandig een opening goed te bestuderen, verbeteringen/ nieuwe ideeën te vinden zonder 1 officiële partij met die opening te hebben gespeeld. Trouwens een gebrek aan ervaring kan al deels worden opgevangen door veelvuldig testen op het internet. In mijn artikel Tom Piceu leidt Brugge door 1ste afdeling vermeldde ik al terloops dat Erwin een enorm aantal partijen speelt/ speelde op het internet. Kortom Erwin zal zeker iets interessants te vertellen hebben over de Hollandse stonewall aan de gemiddelde clubschaker die zijn repertoire wil uitbreiden.

Anderzijds zal ik ervaring ook niet minimaliseren. Hout voelen blijft de ultieme test voor iemands repertoire. Een auteur die kan refereren naar zijn eigen standaard bordpraktijk zal sowieso meer te vertellen hebben. Een mooi voorbeeld hiervan is het werk van de sterke Indische grootmeester Negi Parimarjan die zeer goede recensies kreeg. De Nederlandse topgrootmeester Anish Giri liet zelfs al gekscherend optekenen op Chessbase dat Negi gek was om zo eerlijk te zijn geweest.

Nu achteraf werd duidelijk dat Negi toen al had beslist om (tijdelijk?) geen actieve profschaker meer te zijn. Na de serie speelde hij gemiddeld nog 9 standaard partijtjes per jaar. Ooit was hij de jongste grootmeester ter wereld dus misschien nog een voorbeeld van iemand die zichzelf te snel heeft opgebrand aan het schaken. Het doet mij eveneens denken aan de Nederlandse grootmeester Karel Van der Weide die een soort schaaktestament naliet zie artikel stoppen met schaken.

Spelers die "te eerlijk" zijn en tezelfdertijd ook nog actief zijn, zijn schaars. Spijtig maar perfect begrijpbaar. Zo herinner ik mij een oude anekdote over de Franse grootmeester Anatoly Vaisser. Na publicatie van zijn boek Beating the King'sIndian and Benoni vermeed iedereen in zijn partijen zijn geliefkoosd vierpionnensysteem tegen het koningsindisch. De enige uitzonderingen waren wanneer men het boek had gelezen en steeds dezelfde saaie anti-dote speelde die vermeld stond in het boek. Een ander nadeel van het spelen van de openingen die je hebt aanbevolen, werd vermeld op de Quality Chess blog. Nadat de auteur verloor in een kritieke variant die ook in het boek werd vermeld, zag men plots de verkoopcijfers drastisch dalen.

Een categorie van schaakauteurs die hier veel minder last van heeft, zijn niet-professionele schakers. Hun boeken worden minder ernstig genomen zoals ik al aangaf in mijn artikel theorie maar doordat geld nauwelijks of geen rol speelt, zien we vaak een veel grotere affiniteit met het onderwerp. Een absoluut modelvoorbeeld hiervan is het recente monumentale werk over de speler Henry Bird geschreven door onze eigen Belgische FM Hans Renette.
Ik overweeg sterk dit boek te kopen wanneer ik klaar ben met Timman's TitansZijn indrukwekkend blogartikel op chess.com heeft in elk geval mijn interesse gewekt. Alleen al het feit dat Hans claimt dat hij er 8 jaar heeft aan gewerkt, maakt het al iets uiterst zeldzaam.

Desondanks merk ik op dat er hieraan zeer weinig aandacht werd geschonken in de schaakwereld. Zelfs in België bleef publiciteit uit alhoewel dit eigenlijk niet zo verwonderlijk is daar we nog nauwelijks nationale/ regionale verslaggevende sites kennen. Dan maar zelf eens de Bird spelen in de laatste ronde voor Open Leuven met de tornooioverwinning als inzet, zal Hans misschien gedacht hebben. Ik was de antagonist maar weigerde mee te werken aan de gewenste afloop.

Nee uiteindelijk ging de Belgische FM Arno Bomans met de tornooioverwinning aan de haal. Hierover werd o.a. gerapporteerd op schaakfabriek. Nu misschien een pleister op de wonde is dat Arno een fan is van de omgekeerde Bird of ook wel gewoonweg het Hollands genoemd. Op het bk lukte het Arno niet zo goed met het Hollands omdat de tegenstanders tot de tanden gewapend waren met nieuwe ideeën maar in een open tornooi is dit gevaar bijna onbestaande. Zijn beste inverse Bird van het tornooi vind ik zijn partij tegen zijn clubgenoot Jonas.


Brabo

woensdag 15 februari 2017

Anoniem

Apple, google, microsoft, coca cola,.... zijn merken die we allemaal kennen. Echter velen zijn zich nauwelijks bewust dat hun eigen naam ook een merk is. Zonder dat we het zelf willen, krijgt ieder van ons een etiquette opgeplakt en daarin speelt het internet een belangrijke rol. Alles wat er ooit over ons geschreven werd, wordt bewaard vaak voor zeer lange tijd. Het is onvermijdelijk dat er iemand deze info te pas of onpas ook gebruikt.

Zo herinner ik mij dat ik op een sollicitatiegesprek eens de vraag kreeg welke schaakopening ik het liefst speelde. Dit was nog voor ik begon met deze blog. De vraag verraste mij want ik had niets over het schaken geschreven in mijn CV en ik had er evenmin iets eerder over verteld tijdens het gesprek. Een HR-recruiter had mij ooit eens gezegd dat ik beter niet zei dat ik schaakte omdat ik er te veel tijd aan spendeerde wat een belangrijk minpunt is. Een werknemer die niet beschikbaar is in zijn vrije tijd om over te werken door het intensief schaken, is natuurlijk veel minder interessant om aan te werven.

Het internet had mij uiteraard de das om gedaan want je kan mijn naam met een simpele google terugvinden in talloze tornooi-deelnames. Anderzijds betwijfel ik sterk dat dit aspect een doorslaggevende rol speelde in het interview. Trouwens ik vermoed dat er ook werkgevers zijn die iets zien in de kwaliteiten van een betere schaker (FM, IM, GM) voor hun bedrijf. Alles hangt af natuurlijk van de branche maar het is geen toeval dat veel grote merken proberen topsporters te binden.

Het spreekt voor zich dat een schaaktitel vooral telt in de schaakwereld. Sterke spelers zijn een magneet om andere spelers (lees betalende klanten) aan te trekken dus bieden veel schaakorganisaties gratis lidmaatschap aan deze sterke spelers. Zo kan je op chess.com op deze link gratis diamant-lidmaatschap krijgen als je een een fide-titel hebt. Op ICC krijg je pas een gratis account vanaf de IM-titel en ik meen dat dezelfde regel ook telt voor Playchess. Een bijkomende voorwaarde voor de gratis account is natuurlijk dat je jouw anonimiteit opgeeft. Je kan geen spelers lokken als getitelde speler als de identiteit niet kan worden geverifieerd.

Persoonlijk vind ik dat een getitelde speler verslaan altijd een extra kick geeft. De voorbije jaren speelde ik o.a. tegen GMs Gennadi Sosonko, Max Illingworth, Imre Balog, Dmitry Kokarev, Mohmamed Haddouche, John Shaw, Lev Gutman, Viktor Gavrikov.... op playchess. Aan de laatste in de rij hangt er een lugubere anekdote want 2 maanden nadat we een paar partijtjes speelden, overleed hij (zie chessbase). 1 van de 2 partijtjes slaagde ik erin te winnen maar ik had er een grote konijnenpoot voor nodig zie hieronder.

Het zalige aan spelen op Playchess is voor mij dat alle partijtjes automatisch in een database worden opgeslagen die ik met een paar simpele klikken kan consulteren tijdens het studeren van openingen. Echter dit is niet het enige voordeel van de database. Ook in de voorbereiding komt het soms van pas. Sommige online spelers kom je in levende lijve in een tornooi tegen. Zo speelde ik 2014 een korte match tegen Littlefinger. De laatste partij verloor ik in de Rauzer.

Op het profiel van Littlefinger kan je de naam Frederic Decoster terugvinden en dit herinnerde ik mij nog toen ik tegen hem laatst in Open Leuven moest spelen. De Rauzervariant herhaalde ik in mijn voorbereiding en daarnaast keek ik zelfs ook nog vluchtig naar enkele nevenvarianten. Maximaal kon ik echter niet profiteren van deze informatie wegens tijdsgebrek.

Online spelen met een open profiel maakt je dus kwetsbaarder in de bordpraktijk. Het is daarom niet zomaar dat heel wat topspelers naast een officiële account ook geheime accounts hebben. Zo bestaat er een leuke anekdote over Kasparov en Svidler die online blitz speelden als voorbereiding op hun onderlinge blitzmatch maar aanvankelijk niet wisten van elkaar dat ze elkander als sparringpartner hadden uitgekozen, zie chessclub.

In mijn artikel paswoord ijverde ik voor meer openheid bij het publiceren van partijen om het schaken te promoten. Anderzijds denk ik dat je in online schaak beter kiest voor anonimiteit. De partijtjes zijn (bijna) uitsluitend blitz of bullet dus hebben weinig of geen publicatiewaarde. Daarnaast loopt het aantal online partijtjes al snel op zodat tegenstanders een vrij goed beeld kunnen vormen van je repertoire. Vandaag telt mijn persoonlijke database bijna 60.000 online partijtjes dus bijna elke mogelijke variant van mijn repertoire met enige bekendheid kwam al aan bod.

Brabo

dinsdag 7 februari 2017

Ervaring deel 2

Als je een beetje de laatste tijd het topschaken gevolgd hebt dan weet je dat de Amerikaanse topgrootmeester Wesley So de meest succesvolle schaker op dit ogenblik is. Hij is vandaag ongeslagen sedert 56 partijen en dit niet tegen de minste tegenstand. Hij won het voorbij half jaar Sinquefield CupLondon Chess Classicgoud met Amerika op de olympiade en nu laatst ook Tata Steel Chess Tournament een punt voor de regerende wereldkampioen Magnus Carlsen. Met 2822 staat hij virtueel op de 2de plaats (zie 2700chess). Magnus staat sinds juli 2011 op plaats 1 maar daar zou wel eens weldra een eind kunnen aan komen.

Deze successen zijn er niet vanzelf gekomen. Zo vertelt Wesley in een interview op Chessbase dat hij al een jaar niet meer het internet gebruikt behalve voor mails. Ook een gsm heeft hij niet om zeker niet te worden afgeleid. Ik zei al gekscherend op schaaksite dat sterke spelers hun tijd niet verkwisten met discussies omdat ze die tijd willen spenderen aan studeren maar bij Wesley is het dus bittere ernst. Hij is een modelvoorbeeld van hyper-professionalisme.

Desalniettemin zien we zelfs bij dit soort extreme toewijding aan het schaken dat er gaten zijn in de openingskennis. Wesley won een prachtige partij in ronde 5 tegen de Indische topgrootmeester Pentala Harikrisha maar Chessbase merkte achteraf op dat alles tot zet 14 al was verschenen in de toppartij Vladimir Kramnik - Ian Nepomniachti gespeeld te Dortmund in 2015. Vreemd genoeg gebruikte Wesley 64 minuten om zet 14 te bereiken.

Eerder schreef ik een artikeltje op mijn blog over camouflage maar 64 minuten spenderen om je openingskennis te camoufleren is onzin uiteraard. Bovendien gaf Wesley ook toe dat hij Kramniks partij niet herinnerde tijdens het spelen. De anekdote bevestigt nogmaals wat ik al schreef in een artikel van 2014 dat een up to date repertoire waanzinnig moeilijk is om als bordschaker te creëren en te onderhouden. 

Voor een amateur is dit probleem uiteraard veel minder kritiek. Openingen hebben een eerder bescheiden invloed op het uiteindelijke resultaat van een partij bij amateurs (zie bv. schaakopeningen studeren). Anderzijds heb ik nog steeds een gezonde dosis ambities en tracht ik ook mijn partijen wetenschappelijk te onderbouwen. Ik zal daarom niet mijn kop in het zand steken voor openingsproblemen.

Pas recent realiseer ik mij ten volle hoe serieus deze problemen zijn. In mijn artikel schaakopeningen studeren deel 2 vertelde ik hoe ik sedert een paar jaar veel grondiger de openingen bekijk. Tezelfdertijd ontdekte ik hoe weinig ik wist van de meeste openingen. Als we kijken naar de cijfers dan wordt het snel duidelijk.

Enkel kijkend naar de partijen van Open Leuven dan stel ik vast dan ik uit boek was in 4 van de 7 partijen in een stelling waarmee nog meer dan 100 meesterpartijen in de megadatabase staan. Dit staat haaks op mijn reputatie van gevaarlijke theoreticus die nog steeds hardnekkig blijft bestaan. Na de meest recente interclubronde verklaarde mijn tegenstander Joris Verhelst zijn non-standaard openingskeuze met dat hij gehoord had van mijn enorme openingskennis. Wel laat ons de proef op de som nemen door te kijken naar wat ik speelde op zet 17 in mijn partij van de 5de ronde in Open Leuven tegen Tom Barbe.
Uit boek in een stelling die nog in meer dan 100 meesterpartijen voorkomt.


Tom speelde een fantastisch tornooi (zie klassement) en ook in onze onderlinge partij toonde hij zijn vorm door optimaal te profiteren van mijn gebrekkige openingskennis. Aanvankelijk was ik ontevreden over de remise omdat de eindoverwinning hiermee erg onwaarschijnlijk werd. Later besefte ik dat ik nooit op meer had kunnen hopen.

Ondanks een zeer vast repertoire had ik deze lijn in de laatste 10 jaar niet meer in een standaardpartij op het bord gehad. Het is een regelmatig wederkerend probleem die ik link aan een gebrek aan ervaring. De Belgische IM Stefan Docx gaf mij trouwens al de raad dat ik (veel) meer moet spelen indien ik als speler verder wil groeien. Ik besef zelf ook wel dat gemiddeld 23 partijen voor rating per jaar (zie vorig artikel) gewoon veel te weinig is.

Het is uiteindelijk een kwestie van prioriteiten stellen. Schaken is voor mij heel belangrijk maar daarvoor wil ik niet alles opofferen dus zette ik bewust 10 jaar geleden een stapje terug. In tegenstelling tot vele leeftijdsgenoten die stopten met schaken, leerde ik de gebrekkige openingskennis te accepteren. Bovendien zoals HK5000 mij eens vertelde, zet je met elke partij toch weer een stapje verder. Anderzijds zie ik dat de theorie vandaag zo snel evolueert dat ik het gevoel krijg dat ik met mijn tred alleen maar verder achterop geraak. Voorlopig zie ik evenmin een aantoonbare verbetering met mijn vernieuwde studiemethode. De (nabije) toekomst zal misschien beterschap brengen zeker als mijn zoon Hugo de smaak te pakken zou krijgen om serieuze wedstrijden te spelen.

Brabo