zaterdag 13 augustus 2016

Rontgenaanval

Vorig jaar schreef ik op mijn blog dat computers autonoom worden bij het dicteren van de openingstheorie maar op het domein van schaakcomposities bleef tot voor kort de computer onzichtbaar. Dr Mohammed Azlan Iqbal is een van de eersten die recent een programma schreef dat autonoom schaakcomposities kan creëren. Het artistieke is zowat het laatste bastion in het schaken waarvan men meent dat computers nog lang niet in staat zijn om het menselijk vernuft te evenaarden. Het was dan ook geen verrassing dat critici in de rij stonden om het programma met de grond gelijk te maken. Op Chessbase trachtte de auteur zich nog te verdedigen door te stellen dat hij niet dezelfde criteria voor schoonheid gebruikte als in de compositiewereld maar het kwaad was al geschied. Alhoewel het best een knap programma is met potentieel, lijkt de kans mij klein dat we nog verbeteringen zullen zien.

Echter dit betekent niet dat schaakprogramma's nutteloos zijn voor componisten. Zowel bij verificatie als bij het creëren van problemen/ studies spelen ze vaak een belangrijke rol. Soms in die mate zelfs dat er vraagtekens worden geplaatst bij de meerwaarde van de componist t.o.v. het werk door de computer. Studies met 6 - 7 stukken die allemaal terug te vinden zijn in de lomonosov 7 men tablebases worden daarom ook door sommigen niet meer aanvaard als uniek.

Schaakprogramma's reiken ons ook regelmatig verbazingwekkende ideeën aan. Hoe vaak gebeurt het niet dat we denken een goede partij gespeeld te hebben om dan toch thuis verrast te worden met ongelooflijke wendingen die een computer in een nanoseconde op het bord tovert. Misschien herinnert de trouwe lezer nog mijn artikeltje over interferenties met een fantastisch stukoffer uit mijn bordpraktijk. Deze keer wil ik het eens hebben over enkele fantastische wendingen gebaseerd op rontgenaanvallen die ik (relatief) recent ontmoette. Ter informatie geef ik nog even een beschrijving mee van een rontgenaanval. Een rontgenaanval is een tactiek waarbij 2 stukken van de tegenstander op 1 lijn staan. Als je 1 stuk aanvalt, en deze gaat weg, staat op diezelfde lijn ook nog het andere stuk. Je kijkt als het ware door het voorste stuk heen naar het achterste stuk. Vandaar dus de naam rontgenaanval.

In de stappenmethode wordt reeds veelvuldig getraind op de rontgenaanval maar dit betekent helemaal niet dat ervaren spelers elke rontgenaanval steeds zullen vinden, integendeel. Ook met dit thema bestaan vele soorten graden van complexiteit. Neem nu het voorbeeldje hieronder. Het is een variant uit een clubkampioenschappartij gespeeld te Deurne in 2015 die niet op het bord kwam maar toch belangrijk was voor de evaluatie van de stelling.

Een 2de voorbeeld dat uiteraard niet mag ontbreken, is het fantastische 12. Dg3 gespeeld in de rapid-tiebrake van de kwartfinales van de Fide World Cup te Baku, Azerbaijan. Het Chinese wonderkind Wei Yi  gebruikte slechts een paar seconden voor de zet maar ik ben ervan overtuigd dat hij al op de hoogte was vooraf van die mogelijkheid dankzij het prachtige boek Move First Think Later. Een korte bespreking van dit boek gaf ik op mijn blog zie ik wist het wel.

Het is moeilijk om een mooiere zet te vinden met het rontgenthema maar een paar maanden geleden deed de Russische topgrootmeester Ian Nepomniachtchi toch een serieuze gooi naar de hoofdvogel. Er bestaan heel wat partijen met een loperoffer op h7 wanneer de pion al op h4 staat maar hier werkt het zelfs als wit daarna h4 speelt.

Niet alleen vertelde Ian achteraf op twitter dat het voor hem een van de mooiste en unieke ideeën was dat hij gespeeld had maar ook dat het niet iets was dat hij zelf had ontdekt.

De computers worden door veel spelers vervloekt omdat ze het schaken vernietigen. Anderzijds moeten we toch toegeven dat ze ons ook veel schoonheid laten ontdekken zelfs al zijn de programma's helemaal niet hiervoor geprogrammeerd. Zeker in het geval van rontgenaanvallen heeft een schaakprogramma geen last van bepaalde visuele barrières. Ken je nog andere unieke voorbeelden uit je eigen praktijk of  de profwereld dan ben je welkom om hieronder dit met ons te delen.

Brabo

vrijdag 5 augustus 2016

Vakantie deel 2

Vorig jaar had HK5000 het over Belgen die zomertornooien meespeelden in het buitenland zie artikel. Deze keer wil ik eens kijken naar de populariteit van onze tornooien op eigen bodem bij de Belgen. Het eerste tornooi van enige allure deze zomer was uiteraard het Belgisch kampioenschap. De locatie lag aan de Duitse grens Butgenbach en dit bleek voor veel schakers toch wat te afgelegen want in de Open telden we slechts 79 deelnemers. 

Echter nog frappanter was dat de jeugd bijna compleet het tornooi domineerde. Zowel op Schaakfabriek als in Vlaanderen Schaakt Digitaal werd de vraag gesteld waarom de oudere schakers niet meespelen. Zijn ze bang van de jeugd om rating te verliezen of is het iets anders? Onderstaande tabel toont duidelijk hoe de top 20 in de uiteindelijke rangschikking bijna uitsluitend uit jeugd bestaat.
Top 20 Eindstand Open Belgisch Kampioenschap
Het tweede Belgisch tornooi waar we eens naar kijken, is het Open Gent waaraan ik zelf deelnam. De formule wijkt serieus af van het Open Belgische Kampioenschap want 9 partijen worden gespeeld in slechts 5 dagen en de partijen tellen niet mee voor rating. De leeftijd van de eerste 20 Belgen ziet er ook compleet anders uit. Om een eerlijke vergelijking te kunnen maken met het Open BK, heb ik de experten van het BK verwijderd uit de rangschikking.
Top 20 Belgen zonder BK experten Eindstand Open Gent
Echter het zou nu te kort door de bocht zijn om te stellen dat de oudere spelers inderdaad bang zijn om rating te verliezen en liever tornooien van korte duur spelen. Het derde Belgisch tornooi de Open van Charleroi is nog lopende dus een eindstand is er nog niet maar we kunnen wel al eens kijken naar de 20 Belgen met de hoogste rating. In dit tornooi worden 9 partijen gespeeld in 8 dagen en tellen de partijen mee voor rating. We kiezen opnieuw ervoor om de enkele experten van het BK te verwijderen uit de lijst om een eerlijke vergelijking te kunnen maken.
Top 20 Belgen zonder BK experten Deelnemers Open Charleroi
Dus blijkbaar speelt ratingverwerking en de duur van het tornooi nauwelijks een rol in de deelname van de oudere spelers. Om makkelijker te vergelijken, zet ik de 3 tornooien eens naast elkaar met een verdeling volgens leeftijdsgroep.
Overzicht volgens leeftijdsgroep voor de top 20 in de 3 tornooien
Wat mij het meest opvalt is dat er zo goed als geen top 20 spelers zijn in de leeftijdsgroep 30-39 in om het even welk tornooi. Nochtans heb ik o.a. nog recent in mijn artikel piekrating deel 2 aangegeven dat het net in die categorie is dat spelers hun hoogste rating behalen. Dit stond trouwens toevallig ook vermeld in de laatste editie van Vlaanderen Schaakt Digitaal. Wat is er aan de hand?

De drukste periode in iemands leven is vaak tussen 30 en 40 maar dat kan niet alles verklaren. Als dertiger bleef ik elk jaar minstens 1 tornooi in de zomer spelen. Bovendien herinner ik mij dat ik bijlange niet de enige was. M.a.w. de extreem lage aantal dertigers lijkt mij eerder een recent fenomeen. Een onrechtstreeks bewijs van de trendbreuk zien we ook in het aantal leden volgens leeftijdsgroep.
Ledenaantal KBSB
We zien heel duidelijk een enorme terugval bij de dertigers en het aantal twintigers laat evenmin veel goeds vermoeden voor de toekomst. Het is bovendien een utopie om te verwachten dat die generaties zich nog zullen herstellen tot het niveau van de oudere generaties. Nee alleen bij de jongste spelers zien we het aantal spelers groeien (345 bij leeftijdsgroep <10 in juli 2009 groeit tot 1079 bij leeftijdsgroep 10-19 in juli 2016). Bij de oudere spelers zullen nieuwe spelers niet de spelers die vertrekken kunnen compenseren.

Het is een zorgwekkende evolutie die vandaag wordt verdoezeld door het massaal aantal (piep-) jonge leden en de tijdelijke aanwas van +50 spelers. In elk geval blijft er van de visie om in 5 jaar het aantal leden te verviervoudigen niets meer van over (zie bv artikel nieuwe wedstrijdreglementen).

Er blijft natuurlijk de vraag waarom de oudere spelers zo weinig interesse tonen voor het BK. Veel van de oudere spelers hebben een BK al meerdere malen meegemaakt en dan ga je het ook minder erg vinden om eens niet mee te spelen. Als oudere speler ken je het Belgisch schaakwereldje ook al veel langer. De afwisseling van nationaliteiten in een internationaal tornooi is voor hen aantrekkelijker. Tenslotte is er ook weinig of niet sprake van een tornooitraditie want elke editie (als er al uberhaupt 1 is) legt zijn eigen accenten.

Een Belgisch kampioenschap heeft dus een handicap t.o.v. vele andere tornooien. Echter het heeft ook een grote troef en dat is de vrijheid van de locatie. Plaats het tornooi in de nabijheid van de grootste Belgische clubs waarvan je vermoedt dat er ruime interesse is om mee te spelen. Zorg dat er animatie is buiten het schaken bijvoorbeeld door dicht bij een toeristische plek te verblijven. Hou rekening met de bereikbaarheid via het openbaar vervoer. Ik ben er zeker van dat we dan terug een veel hoger aantal deelnemers zullen noteren waarbij ook oudere spelers van de partij zullen zijn.

Brabo

Addendum 7 Augustus 2016
Ik heb aan het oorspronkelijk artikel nu ook de cijfers toegevoegd van de ledenaantallen in juli 2007. Hiermee krijgen we een veel nauwkeuriger beeld over niet alleen de veranderingen in leeftijdsgroepen maar ook in generaties.

dinsdag 26 juli 2016

Oude wijn in nieuwe zakken deel 2

Net zoals 2 jaren geleden heb ik vorig seizoen niet meegespeeld in het clubkampioenschap van Deurne. De tanende belangstelling van de betere spelers had ik al eerder aangehaald in mijn artikel inactiviteit en hiervoor is nog steeds geen oplossing gevonden. Het alternatief was voor mij opnieuw de TSM Open maar rond nieuwjaar is dit al voorbij waardoor ik na de interclub in april helemaal droog kwam te staan. Om toch enig competitieritme op te doen ter voorbereiding van Open Gent besliste ik dan maar om zoals 2 jaar geleden de beker in Deurne mee te spelen.

Uit 2 eerdere deelnames had ik geleerd dat de wetenschappelijke aanpak mijzelf erg kwetsbaar maakte. Als hoger gekwoteerde speler krijg je volgens het reglement een tijdshandicap en dat is met een openingsverrassing van de tegenstander een zeer gevaarlijke mix. Niet zelden had ik na de opening slechts een handvol minuten over om de partij uit te spelen. De beker winnen, lukte niet.

Dit jaar koos ik om af te stappen van de wetenschappelijke aanpak en eens puur praktisch schaak te spelen. Dit stemt trouwens ook beter af op mijn doelstelling om competitieritme op te doen. Elke match in de beker betekent dat 1 speler verder gaat en 1 speler wordt uitgeschakeld. Dus wil je een maximaal aantal partijen spelen dan moet je eerst en vooral de matchen winnen. Praktisch koos ik dan ook om na het winnen van de eerste partij, remise te forceren in de 2de partij zelfs in compleet gewonnen posities. Mijn openingskeuzes weken ook af van mijn standaardrepertoire. Toen Robert Schuermans in de kwartfinale tegen mij a6 speelde in het Spaans i.p.v. zijn geliefkoosde Schliemanngambiet, counterde ik verrassend met de afruilvariant. Niet alleen viel zijn voorbereiding hiermee in het water maar de dames werden ook nog geruild waardoor hij grotendeels werd ontwapend.

In mijn halve finale tegen Marcel Van Herck en de finale tegen Thierry Penson koos ik om terug te grijpen naar openingen die ik meer dan een decennium geleden geregeld had gespeeld. Ze maakten niet meer deel uit van mijn standaard repertoire omdat er minstens 1 anti-dote voor bestaat maar leken mij een goede keuze voor de beker. De strategie werkte. Beide tegenstanders waren er niet op voorbereid en spendeerden veel tijd in de opening waarna ze later in het middenspel snel in de fout gingen. Zonder groots schaak te tonen won ik comfortabel de beker.

De praktische waarde van een verrassing uit de oude doos kan en mag dus niet onderschat worden. Echter toen vorige maand de Oekrainsche topgrootmeester Vassily Ivanchuk won met een wel erg dubieuze opening van de Cubaanse topgrootmeester Leinier Dominguez Perez in de 51ste Capablanca memorial keek ik toch vreemd op.

De openingsbagage van een +2700 speler is enorm dus ik vermoed dat Leinier het al eens eerder heeft gezien. Dit bleek niet te volstaan om het openingsvoordeel vast te houden en dus werkte voor de zoveelste keer de beredeneerde gok van Chucky. Dat de opening dubieus is weet ik goed omdat ze op mijn standaard repertoire stond tot 2004, weliswaar met een andere zettenvolgorde. Ik won nog mijn laatste partij ermee maar vond het toen welletjes.

Ik maakte kennis met de opening door een boekje van 1986 Spanish gambits door Leonid Shamkovich en Eric Schiller. Kwalitatief waren de analyses niet zo goed maar tot op vandaag (voornamelijk in online blitz) beleef ik nog veel plezier ermee. Diverse namen zijn toegekend aan het systeem. Een van de eerste spelers die het op hoog niveau speelde was de Russische grootmeester Mark Taimanov in 1955 dus wordt het soms naar hem vernoemd. In het boekje dat ik las, heet het wingvariant wat ik ook als optie vond op 365Chess.com. Sommigen noemen het liever de Noorse variant omwille van dat meerdere sterke spelers er het speelden zoals de sterke Noorse grootmeester Simen Agdesteinde Noorse IM Svein Johannessen en de Noorse IM Arne Zwaig.

Het introduceren van oude (dubieuze) openingen in mijn standaardschaak liet ik nog niet toe. Ik ben er vandaag wel overtuigd van dat het praktisch zeker kan tegen om het even welke tegenstander. Winnen is belangrijk maar het is niet het enige dat voor mij telt.

Brabo

Addendum 29 juli 2016
Ik wou ook nog even meegeven dat mijn ervaring met de opening besproken in bovenstaand artikel mij ook hielp in het winnen van een partij tegen Nicola Capone een paar jaar geleden in Leuven. De analyses van die partij kwamen aan bod in het artikel http://schaken-brabo.blogspot.be/2014/01/de-volgorde.html. Als je de analyses leest, kan je zelfs de link detecteren.

donderdag 14 juli 2016

Modelpartijen

Het Vlaams jeugdschaakcriterium is een mooi initiatief om (Vlaamse) kinderen warm te maken voor ons schaakspel. Echter ik stel vast dat ondanks de leuke deelnemersaantallen op elk toernooi slechts een zeer kleine minderheid van de aangesloten jeugdleden hiervan voluit gebruik maakt. In de eerste helft van dit jaar waren er 6 speeldagen maar ik tel slechts 5 spelers die telkens deelnamen. Niet toevallig zijn het net die 5 spelers (waaronder mijn zoon) die ook aan de leiding staan.

Ik vermoed dat het vooral een gebrek aan begeleiders is die ertoe leidt dat jongeren vaak niet eens de kans krijgen om mee te spelen. Weinig clubs organiseren begeleiding voor hun jeugd dus zijn het de ouders die zelf het initiatief moeten nemen. Als je dan weet dat een speeldag gemakkelijk 8 uren wachten betekent voor de ouder(s) zonder rekening te houden met de extra uren aan verplaatsing dan is het niet verwonderlijk dat velen het snel voor bekeken houden.

Voor mij is het natuurlijk een stuk makkelijker om die uren aangenaam te laten verlopen. Ik ken heel wat mensen al vele jaren in het kleine schaakwereldje zodat ik altijd wel een gesprek kan aanknopen. Zo gebeurde het recent een aantal keren dat ik met enkele schakers praatte over welke meesterpartijen (modelpartijen) nuttig zouden kunnen zijn om te worden uitgelegd aan onze kinderen. Ik hoorde namen zoals Capablanca, Tarkatower vallen maar stelde grote vraagtekens hierbij. Zolang schakers niet in staat zijn om partijen te spelen zonder materiaal te laten hangen dan ben je beter af met het oefenen op tactiek.

Eenmaal de basis voldoende beheerst wordt, kan een nieuwe stap worden gezet met het bekijken van modelpartijen. Vandaag bestaat ook hierover enorm veel materiaal. Zo las ik laatst Chess Structures A Grandmaster Guide geschreven door de Chileense grootmeester Maurico Flores Rios. De collectie van hedendaagse toppartijen om de diverse pionstructuren uit te leggen, vond ik indrukwekkend maar persoonlijk denk ik toch dat er weinig van de inhoud zal blijven hangen. Net zoals Matthew Sadler leerde ik wel iets van de voorbeelden met de hegdehog. Zo heb ik online ondertussen al succesvol het concept met Dc1 getest. Echter heel wat structuren komen in mijn repertoire niet voor. Bovendien kreeg ik het gevoel dat de structuren waarmee de auteur geen praktijkervaring had, minder goed worden besproken. De stonewall komt zeker beter aan bod op mijn blog dan in het boek zie hollandse stappen in de engelse opening of handleidingen.

Een ander negatief puntje dat ik heb, is de complexiteit van de gekozen toppartijen. De auteur doet zijn uiterste best om de aandacht op de thema's te houden maar kan toch niet vermijden om af en toe flink uit te weiden op de tactische verwikkelingen. Dan denk ik toch dat de selectiemethode aangegeven door de Engelse FM Terry Chapman in Chess For Life beter is. Hij zal nog steeds modelpartijen kiezen gespeeld door (top-)grootmeesters maar de tegenstanders zijn in tegenstelling met het boek Chess Structures honderden punten lager gekwoteerd. Dit laat toe om de thema's vaak in een veel zuivere vorm te tonen.

Tenslotte moeten we ook een onderscheid maken in de diverse thema's. Zo zullen de thema's in Chess Structures sowieso te hoog gegrepen zijn voor de meeste jeugdspelers of zelfs gemiddelde clubspeler. Ambitieuze spelers rond de 2000 elo zullen wellicht het beste rendement kunnen halen uit dit type boek. Spelers lager op de elo-ladder bestuderen beter een totaal ander segment van thema's. Voor hen zullen boeken zoals How to Reasses Your ChessWeapons of Chess, ... veel nuttiger zijn. Dit betekent tezelfdertijd ook dat een ander type modelpartijen gezocht moet worden. Oud-wereldkampioen Max Euwe toonde hierbij ons al lang geleden de juiste weg met zijn boek meester tegen amateur. De meesters tonen op overtuigende wijze aan hoe typische fouten bij amateurs op leerzame wijze worden afgestraft.

In mijn eigen praktijk heb ik vele partijen gespeeld tegen (veel) lager gekwoteerde spelers. Af en toe hoorde ik achteraf dat mijn tegenstander niet begreep waar hij in de fout was gegaan. Hij had geen enkele tactische fout gemaakt maar was niet in staat geweest om op termijn materiaal en dus uiteindelijk ook de partij te verliezen. Een goed voorbeeld is onderstaande partij die ik speelde in de eerste ronde van Open Leuven 2014.

De partij is een modelvoorbeeld van sterk paard tegen slechte loper. Zwart was al vrij vroeg kansloos maar zelfs in de post-mortem kostte het mij flink wat tijd om hem hiervan te overtuigen. Ik ben zelfs niet zeker of ik hierin helemaal geslaagd ben.

Een totaal ander thema kwam aan bod in de 7de ronde van het Deurnse clubkampioenschap in 2015. Hier won wit zelfs een pion in de opening en hield die erg lang vast maar begreep niet dat zwart enorme compensatie hiervoor kreeg.

Spelers ervaren in bijvoorbeeld het aangenomen damegambiet zullen natuurlijk niet verwonderd zijn over wat wit overkwam in bovenstaande partij. Echter ook in de post-mortem van deze partij had wit het moeilijk om te aanvaarden dat slaan op c5 te riskant was. Wellicht speelt hierbij een rol dat ik geen grootmeester ben en dus minder autoriteit uitstraal.

In open tornooien worden heel veel van dit soort modelpartijtjes gespeeld. Zeker in de eerste ronden zijn er vaak interessante lessen te leren door de grote eloverschillen. Zelden worden deze partijtjes met commentaar op het internet aangeboden dus aarzel niet om achteraf als zwakkere speler even kort uitleg te vragen.

Brabo

Addendum 29 july 2016
In mijn analyses op de partij tegen Maarten Wouters ben ik nogal streng dat iemand van 1800 elopunten toch zou moeten weten dat slechte loper tegen sterk paard absoluut vermeden moet worden. Wel toevallig zag ik op http://www.schaaksite.nl/2016/07/27/toernooi-in-vaujany/ dat onlangs de sterke Franse grootmeester Christian Bauer ook kansloos in een gelijkaardig eindspel had verloren. Misschien was ik wel wat te streng dus want Christian heeft ongeveer 2600 elopunten.

maandag 4 juli 2016

14 x SOS deel 2

Mijn 17de interclubseizoen met Deurne zit er weer op. Zonder twijfel zijn er in België spelers met nog (veel) langere clubbanden maar ik vermoed dat er zeer weinigen zullen zijn die mijn toewijding kunnen verbeteren. Op 187 interclubwedstrijden heb ik er slechts 4 gemist. 1 keer verkoos ik om voorrang te geven aan de Franse interclub omdat er toch voor Deurne niets meer op het spel stond wat niet het geval was voor mijn Franse club (Luc EDN). In 2009 liet ik 2 ronden verstek gaan om niets te missen rond de geboorte van mijn zoon Hugo. Tenslotte besliste ik dit jaar om voor het eerst eens voorrang te geven aan een communiefeest in de familie. Normaal geef ik nooit toe op familiefeesten en mijn familie houdt daar dan ook zoveel mogelijk mee rekening maar een communie heb je nu eenmaal niet zelf in de hand. Bovendien waren de promotiekansen voor Deurne geslonken tot ongeveer 0. Wachtebeke had een kloof geslagen die ze met hun huurlegertje ongetwijfeld zouden behouden.

In al die jaren dus geen enkele keer afgebeld voor ziekte alhoewel ik mij wel herinner dat ik enkele keren mij echt slecht voelde. Dit seizoen trouwens ook een ronde gespeeld met een vasculaire infectie waardoor op mijn huid overal rode bobbels kwamen te staan. Behalve een belachelijk uitzicht en voor sommigen ook angstaanjagend wegens onterecht vermeende besmettelijke ziektes, had ik er eigenlijk geen last van. Kortom er is voorlopig weinig sleet op mijn motivatie.

Dus ook de laatste interclubronde waarbij er niets meer op het spel stond, ging ik vol voor de overwinning. Wel theoretisch bestond er nog een kans dat we kampioen konden worden maar makkelijker was wellicht de lotto winnen. Met een tegenstander die bijna 200 punten lager gekwoteerd stond, leek het doel op eerste zicht niet zo moeilijk. Echter rating vertelt niet alles. Gert-Jan Timmerman mag dan wel slechts 2135 fide op de speeldag hebben, het zou bijzonder naïef zijn om te denken dat hij niet beter kan spelen dan die rating. Zijn openingskeuze voor het zonderlinge Relfsson gambiet liet alvast verstaan dat hij niets verloren heeft van zijn sluwheid om de tegenstander vroeg weg te krijgen uit zijn comfortzone.

Vorig jaar behaalde Gert-Jan een bescheiden succes met de hulp van een artikel over de Spaanse Bird in SOS 12, zie mijn blogartikel. Dit jaar behaalde hij een nog groter succes dankzij een artikel van de Oekrainse grootmeester Adrian Mikhalchishin (nu spelend voor Slovenie) uit SOS 11. Eerlijkheidshalve moet ik onmiddellijk toevoegen dat Gert-Jans spel een veel grotere rol speelde in het resultaat dan de opening want meer dan wat tijdswinst werd er niet behaald in tegenstelling tot vorig jaar.

Nee, de SOS boekjes had ik nog steeds niet bekeken maar een nadeel van het Relfsson gambiet is dat zwart nog altijd kan kiezen om het spel te leiden naar bekendere paden in het Spaans. Die praktische keuze maakte ik ook in de partij na een tiental minuten nadenken. Gert-Jans reactie was geen verrassing want tijdens mijn voorbereiding had ik een oude correspondentiepartij van 1981 opgemerkt tegen zijn grote rivaal Joop van Oosterom.

In mijn artikel databases gebruiken deel 2 had ik al vermeld dat een voorbereiding voor mij ook betekent het bekijken van eventueel gespeelde correspondentiepartijen. Hierdoor kon ik de tijdsachterstand al snel weer inhalen. Ik vermoed dan ook dat het net daarom was dat Gert-Jan opnieuw koos om af te wijken van de hoofdlijn. Riskant want niet alleen licht inferieur maar het maakte naar alle waarschijnlijkheid geen deel meer uit van zijn voorbereiding. Desondanks miste het niet zijn effect. De stelling had ik wel online nog op het bord gehad maar ik had nooit werk gemaakt van een serieuze analyse. Uiteindelijk kwam er dus een interessant gevecht op het bord waarin ik op geen enkel moment mijn hogere elo kon bewijzen.

Na de partij vertelde een tevreden Gert-Jan mij dat het zijn beste partij was dit seizoen. Zonder grote tactische combinaties werden er mij lastige problemen voorgeschoteld. Een computer ziet vaak weinig of geen verschil tussen de keuzes maar in de praktijk merken we wel grote verschillen in speelbaarheid. Terwijl je in de ene lijn met rustige zetten het evenwicht kunt behouden, moet je in de andere lijn gebruik maken van typische diepe computertaktiek. Dit laatste vermijd je dus best als mens.

Zoals ik al aanhaalde in het vorig blogartikel, staan de ratings van amateurs meer onder druk door de leeftijd dan bij professionals. Het rekenen mag dan wel misschien in kracht hebben ingeboet maar Gert-Jan toont duidelijk in bovenstaande partij dat hij weinig of geen schaakkennis heeft verloren. De partij is zeker geen sterk bewijs van succes met de SOS boekjes.

Brabo

dinsdag 28 juni 2016

Piekrating deel 2

In deel 1 trachtte ik aan te tonen dat winnen/ zichzelf verbeteren voor de meeste schakers de belangrijkste drijfveer is om te schaken. Leeftijd speelt nauwelijks een rol want zelfs oudere spelers zijn perfect capabel om persoonlijke topprestaties neer te zetten. Zo rapporteerde ik over onze Luc Winants piekrating op 53-jarige leeftijd die ik een unieke prestatie noemde.

Misschien zullen sommige lezers zich de vraag gesteld hebben wat er precies bedoeld wordt met "uniek". Komt het niet vaker voor dat + 50 spelers een piekrating behalen en op welke leeftijd speelt een schaker op zijn beste niveau? Beide kritische vragen zijn niet makkelijk te beantwoorden maar met dit artikel doe ik toch een poging.

De speelsterkte vergelijken van spelers door de tijd is erg moeilijk. Fide publiceert zelf geen historisch onderzoek integendeel want bemoeilijkt alleen maar door het blokkeren van historische data. Sommige amateurs hebben zelf iets op poten gezet maar de resultaten zijn op zijn minst dubieus zoals dit leuk fimpje op Youtube. Het mixen van diverse ratingsystemen (edo, cmr, elo) is misschien goed genoeg om een grove selectie te maken tussen spelers maar is onvoldoende nauwkeurig om iemands piekrating te bepalen.

Het vasthouden aan 1 ratingsysteem is dus een vereiste en als je zelf geen tijd hebt om een systeem uit te werken dan blijft er weinig keuze over. Je hebt slechts de fiderating en de landelijke ratings. Daarbij valt onze Belgische rating ook al snel af want onze KBSB houdt enkel de klassementen bij van de laatste 10 jaar. Misschien zijn er oudere spelers die in een persoonlijk archief meer materiaal hierover hebben maar ik ben daar niet van op de hoogte.

Viktor Korchnoi speelde meer dan 60 jaar competitieschaak op (zeer) hoog niveau dus een actieve schaakcarriere kan erg lang duren. Correct, zelfs de klassementen van fide bestaan slechts sinds 1970 dus bieden vandaag nog geen compleet antwoord. Nu ik denk dat je met 46 jaren toch al een heel mooie tijdspanne hebt waarover iets zinnigs kan worden gezegd. Het is te zeggen als je gelooft dat elo-inflatie maar ook elo-deflatie geen belangrijke rol speelt. De statistische fluctuaties hoop ik te kunnen neutraliseren door veel data te gebruiken.

Toen ik in 1998 mijn eerste fide-elo kreeg was de minimumgrens nog 2200. Dit betekent automatisch dat alle spelers beneden de 2200 ook afvallen daar er vandaag onvoldoende datapunten voor hen beschikbaar zijn. Omdat we geïnteresseerd zijn in iemands piekrating moeten we ook zeker zijn dat de speler al een lange actieve carriere erop heeft zitten. 50+ lijkt mij dus een tweede noodzakelijke voorwaarde. Het heeft evenmin zin om spelers in rekening te brengen die in de lijsten nog wel vermeld worden maar al lang geen partij meer gespeeld hebben of lange tijd vroeger inactief zijn geweest. Als we dan ons beperken tot de Belgische spelers dan komen we in de problemen want slechts 15 voldoen aan alle voorwaarden. Dit is veel te weinig om iets te kunnen afleiden.

Om een grotere groep te bereiken, viel mijn keuze uiteindelijk op de actieve +50 spelers met een +2500 elo ongeacht de nationaliteit. Hiermee kan ik niet toevallig ook een beeld vormen over hoe Lucs prestatie in verhouding staat met die van zijn collega's. Vandaag zijn er 1522 grootmeesters (juni 2016) dus ik had wel wat schrik voor de omvang van het studiewerk maar na het filteren op leeftijd viel het nog best mee.

Slechts 82 spelers blijven uiteindelijk over. Het eerste wat mij opvalt is dat ik bijna alle namen (op 4 uitzonderingen na) al eens eerder had gehoord wat zeker niet het geval is bij jongere grootmeesters. Vroeger had een grootmeestertitel een veel grotere uitstraling.

De gemiddelde piekleeftijd is 39 maar we zien enorme verschillen tussen de spelers. Zo piekte de Amerikaanse GM Maxim Dlugy op 23 jarige leeftijd terwijl de Tsjechische grootmeester Igors Rausisop 54 jarige leeftijd. Die laatste is de recordhouder en doet het dus 1 jaar beter dan Luc Winants.

Een ander aspect dat mij opvalt is dat er nog heel wat spelers erin slagen na hun piek om hun rating goed vast te houden. 72 elo gemiddeld werd er verloren wat op de eloschaal toch relatief weinig is. Een speler die mij hierbij het meest verwondert, is het Duitse icoon Robert Huebner. Hij behaalde op 33 jarige leeftijd al zijn piekrating. Vandaag op 68 jarige leeftijd nog steeds actief maar ongelooflijk slechts 54 punten verloren!

Deze lang-levendigheid is een enorme troef voor het schaken. Er bestaan zeer weinig sporten/ disciplines waarin leeftijd zo weinig grip krijgt op iemands prestaties. Nu ik besef wel dat wat hierboven werd aangetoond voor profspelers misschien niet helemaal hetzelfde is voor amateurs. De motivatie/ ambities liggen wellicht een stuk lager bij de gemiddelde amateur t.o.v. de gemiddelde profspeler. Ik ken heel wat +50 amateurschakers die 200 punten en meer van hun Belgische piekrating verloren hebben. Bovendien zijn in de statistieken enkel spelers opgenomen die gedurende vele decennia actief zijn geweest. Ik ken het aantal spelers niet die gestopt is maar als je ook die in beschouwing neemt dan zal het plaatje er zeker anders uit zien.

Brabo

woensdag 15 juni 2016

Korchnoi chess is my life

Weinig grootmeesters hebben meer partijen gespeeld dan Korchnoi – ik zie dat er in Chessbase Mega 2016 meer dan 5.000 zitten. Op een totaal van zo’n 5 miljoen partijen betekent dat, van alle geregistreerde ooit op enig niveau gespeelde schaakpartijen, Korchnoi zelf in één op duizend verwikkeld was en meer nog, bij ongeveer één op tweehonderd als toeschouwer/mededeelnemer aan het tornooi aanwezig was. Mocht je deze statistiek beperken tot enkel grootmeesterpartijen, dan is de footprint van Korchnoi nog vele malen groter.

Hij speelde tegen Levenfish (°1889) en tegen Carlsen (°1990), hij won van alle wereldkampioenen van Botvinnik tot en met Kasparov minstens één partij – tegen Tal had hij een geweldige plusscore, tegen Karpov daarentegen een vreselijke minscore. Hij leefde voor het schaken, met een intense sturm und drang die waarschijnlijk bij geen enkele andere grootmeester aanwezig was of is. Zijn norsheid, zijn opinies waar hij aan vasthield, zijn haat tegenover de Sovjet-Unie, zijn jeugdjaren in het zwaar belegerde en uitgehongerde Leningrad tijdens WOII, zijn onverwachte uitvallen, maar ook zijn onverwachte humor, zijn heldere analyses op en naast het schaakbord, zijn anekdotes, geput uit een uitstekend geheugen. We moeten het nu allemaal missen. Eén van de allergrootsten uit de schaakwereld is heengegaan en net als bij de net overleden Mohammed Ali of Johan Cruijff, mogen we blij zijn dat we hen tijdens hun leven nog aan het werk hebben gezien.

Ik heb Korchnoi tweemaal live gezien – het was tijdens het open Lost Boys tornooi in Antwerpen in 1995 (gewonnen door Novikov en Sokolov ; Korchnoi werd gedeeld derde met nog vijf anderen). De eerste keer was wel de meest memorabele. Hij speelde in de derde ronde een partij tegen de sterke Nederlander Teun Van der Vorm en ik stond net aan zijn bord te kijken met een vijftal andere toeschouwers, toen Van der Vorm opgaf. Korchnoi leek niet al te happy en algauw bleek waarom: ‘If I come up to the board, you should stand up to shake my hand. Not because I’m a grandmaster – also for that – but because I’m older and out of respect for my age you should stand up.’ Van der Vorm hield wijselijk zijn mond, want Victor de Verschrikkelijke ging verder. ‘You play this game against my French and then you deviate from a game of Fischer. Why do you do that – do you think you’re better than Fischer ?’ Van der Vorm stamelde iets als ‘it looked playable’ maar Korchnoi was in no mood for jokes en tot een analyse kwam het niet. Het feit dat ik dit nog altijd vlot uit mijn geheugen kan opdiepen geeft ook weer wat een indruk dit maakte op mij – laat staan op Van der Vorm zelf.

De tweede keer was minder indrukwekkend, in het stadscentrum in Antwerpen, tijdens datzelfde tornooi. Ik stond – samen met Franky D. - aan het kruispunt van de Huidevetterstraat en de Meir te wachten aan de verkeerslichten om de straat te dwarsen, toen ik Korchnoi aan de overkant opmerkte. Ikzelf stak over en te beschroomd om hem aan te spreken, passeerde hem met een half binnenmonds gemompeld ‘good evening Mr Korchnoi’.  Hij merkte het half op had ik de indruk. Franky wachtte hem op aan de overkant en knoopte een korte babbel met hem aan. Jammer dat smartphones toen nog niet bestonden…

Op twitter werd een mooie reactie van Svidler gepost, waarin hij zei dat een belediging door Korchnoi een soort ereteken was (het deed me even denken aan Donner, waar je als Nederlandse schaker slechts iets betekende als Donner je had opgemerkt en … beschimpt – ‘Krabbé ? Een renner!’) – als je hem kwaad kreeg, was dat vooral omdat hij geërgerd was. En niets kon hem meer ergeren dan een gebrek aan respect of een verliespartij. Svidler won hun eerste onderlinge partij omdat Korchnoi ondanks het vervlakkende spel van Svidler op winst was blijven spelen, maar Korchnoi versloeg hem vernietigend in hun tweede partij. Hij had een uur zitten nadenken over een geforceerde voortzetting – Svidler zag in dat uur niet hoe Korchnoi kon winnen, maar na dat uur in de denktank werd hij toch in de snelle zettenwisseling die erop volgde van het bord gezet. Toen Svidler hem na de partij feliciteerde met de woorden « ik kan een sterk gespeelde partij altijd appreciëren, ook als ze tegen mij gespeeld wordt » ontdooide Korchnoi. Beide partijen zijn zeer de moeite.

Zoals op de Chessbase-website vermeld wordt,blijft zijn (tweede) vrouw Petra nu alleen achter – een zielsverwant, want ook zij had ten volle de zwarte kant van het communisme aan den lijve ervaren. Toen ze hem voor het eerst zag wist ze dat ze voor elkaar gemaakt waren – en dat Korchnoi haar nodig had, eerst als secretaresse, later als vrouw en toeverlaat. Korchnoi leefde enkel voor het schaken en dat mag letterlijk genomen worden. Hij las geen romans of andere boeken, hij ging zelden of nooit naar culturele of sportieve manifestaties. Zijn grootste plezier – toen hij het roken had opgegeven – was het genieten van een goed stuk chocolade. Zelf had hij spijt van dat gat in zijn cultuur, dat hij bv de Russische klassieke auteurs niet gelezen had, maar het was de keuze die hij gemaakt had : alles voor het schaakspel – geen compromis.

Ik heb één boek van Korchnoi zelf (PracticalRook Endgames) – de eindspelen zijn enorm diepgravend (Hubneriaans) geanalyseerd, maar enorm leerrijk. Voor wie wil weten op welk niveau de wereldtop analyseert  - een aanrader (zie bv chessgames of chesscafe voor een bespreking), al was het maar voor de prima inleiding met elementaire toreneindspelen die hij erbij geeft.

Heeft Korchnoi indrukwekkende partijen voor het nageslacht gespeeld ? Ja. Winstpartijen van Korchnoi die in lijstjes opgenoemd worden als beste of meest memorabele partijen ? Neen. In het boekje « Legendäre Schachpartien » van Humboldt, staan meer dan 100 gedenkwaardige partijen. Twee ervan zijn verliespartijen van Korchnoi, geen enkele winstpartij van hem is opgenomen. Ter vergelijking, Tal komt zes keer voor, Kasparov acht keer. Ook in andere verzamelingen van dit kaliber staan zelden winstpartijen van Korchnoi (in Bouwmeesters 100 briljantepartijen staan er tot mijn verrassing toch twee: Korchnoi-Udovcic, Leningrad 1967, waarin hij mag aantreden tegen zijn eigen Franse verdediging en het late middenspel van Korchnoi-Yusupov, Rotterdam 1988). Korchnoi was niet ‘briljant’, hij hield van verdedigen en tegenaanval, maar zoals Spassky het eens tongue-in-cheek formuleerde : « Hij kan alles, van aanval tot verdediging, van complexe middenspelen tot technische eindspelen. Hij beheerst zijn openingstheorie en heeft een ongelofelijke werkkracht. Het is alleen jammer dat hij niet het talent heeft om wereldkampioen te worden. » En eigenlijk was dat de nagel op de kop. Net zoals Kamsky jaren later, miste ook Korchnoi die laatste sparkle inventiviteit, durf, talent, geluk, bereidheid tot risico, genialiteit – noem het zoals je wil – om die laatste horde te nemen. Alles was gebaseerd op elke dag in dag uit te werken aan zijn schaakspel. Vaak bracht hij een ‘nieuwtje’ op het bord, wat vaak in partijen van vijftig jaren eerder al geprobeerd was, onder het motto ‘everything that is forgotten is new (again)’.

Mijn zeer persoonlijke keuze van Korchnoi partijen is dan ook : Van der Vorm – Korchnoi (Fischer-Darga).

en Karpov-Korchnoi uit het tornooi van Dortmund 1994, waarin ze beiden op 50% eindigden.

Die laatste partij was één van de zeldzame winstpartijen van Korchnoi op Karpov. Na hun tweede WK-match in 1981 kwamen ze nog 32 keren tegen elkaar uit. Maar er was iets gebroken in Korchnoi, Karpov had de code gevonden en werd zijn zwart beest par excellence. Van die 32 partijen won Karpov er 16 (!), remiseerde 15 keren en verloor één keer. Maar die ene keer was dan ook een partij die Korchnoi een week of zo gelukkig moet gemaakt hebben. Het was dan ook een zeer speciale partij : in een gelijke stelling laat Korchnoi Karpov een tweede dame halen, maar dat is meteen de verliezende zet. Hoewel de partij nog meer dan tien zetten duurt, laat Korchnoi niet meer los en wint. Na deze partij gaf Korchnoi het commentaar « op één of andere manier is het bord te klein om met  twee dames te spelen».

HK5000