woensdag 28 november 2012

Hollandse perikelen deel 1

Vanaf het moment dat ik belangstelling kreeg voor openingstheorie heeft het Hollands me gefascineerd. Niet heel origineel wil ik het liefst winnen middels een koningsaanval en dan is het opspelen van de f-pion een goede eerste stap. Niettemin verkoos ik jarenlang andere verdedigingen, met name het Benkögambiet. Halverwege de jaren 90 was het dan toch zover.

Dat was destijds geen voor de hand liggende beslissing. Van Simon Williams had niemand nog gehoord. De grootmeesterlijke bezwaren waren bekend. Mednis kwalificeert ...f5 als een middelmatige zet. Jussupow meent dat in vele stellingen ...f5-f7 zeer wenselijk is. Petrosjan legde zwart niets in de weg als hij/zij vrijwillig de koningsstelling wilde verzwakken. Dat laatste heeft me altijd bevreemd. Ik wil best aannemen dat ...f5 verzwakkingen met zich meebrengt, met name van veld/pion e6. Er zijn echter maar weinig partijen waarin zwart middels een koningsaanval onder de voet gelopen wordt. Eerder is wit het slachtoffer. Met die verzwakte koningsstelling lijkt het dus nogal mee te vallen.

De voorkeur genoot dan het systeem van Ilyin-Zhenevsky (Engelse spelling; er zijn andere in omloop). Zwart speelt f5, e6, d6, Pf6, Le7 en O-O en probeert vervolgens e6-e5 door te drukken. Dat bevrijdt de dameloper, wat niet alleen in het Damegambiet een belangrijk thema is. Vervolgens gaan de stukken richting witte koningsvleugel.

Op mijn amateuristisch niveau was mijn keuze een groot succes. Dat was natuurlijk vooral te danken aan het onbegrip van mijn tegenstanders. Het voordeel van een beter stellingsbegrip is vrijwel doorslaggevend. Zo herinner ik mij een partij in teamverband waarin al mijn stukken op de achterste rij stonden, behalve Pc6. Toch speelde ik het bevrijdende en thematische e6-e5, tot enig afgrijzen van de omstanders. Maar de witte stukken stonden ongelukkig en ik kon met drie zetten (Lg4, Pd4, Dh5) een koningsaanval op touw zetten. Wit maakte het tot verbazing van diezelfde omstanders niet lang. Achteraf vond ik wel een verdediging voor wit - drie tempi is een groot aantal - maar slechter stond ik beslist niet.

Aan het begin van de nieuwe eeuw verschoof mijn aandacht van bordschaak naar correspondentieschaak. Hoe twijfelachtig de reputatie ook, de successen gaven me voldoende vertrouwen. De eerste partij verliep volledig naar wens:
Daarna volgden echter drie zware nederlagen. Tenslotte wist ik nog een remise uit het vuur te slepen, maar het was tijd om naar iets anders uit te kijken. Eigenaardig genoeg kwam de finale klap uit een heel andere hoek. In de databases staat deze onbekende partij:
Dat is natuurlijk niet de bedoeling van het Hollands - wit speelt een fris aanvalspartijtje, niet zwart. Ik trok twee conclusies - de dubieuze reputatie van de Ilyin-Zhenevsky is verdiend en Rubinsteins 4.e3 is meer aandacht waard.

Mark Nieuweboer

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen