dinsdag 25 december 2012

Aljechin met g6

Ook dit seizoen stond opnieuw de stilaan klassieke topwedstrijd voor het Deurnse clubkampioenschap tegen Robert Schuermans op het programma. In eerdere uitgaven hadden we eens een aljechin met g5 en een Schliemanngambiet.  Ook deze keer koos Robert voor een nieuw systeem in zijn repertoire om te scherpe en diepe openingsvoorbereidingen te vermijden. Dit is een tweesnijdende strategie want je handicapt jezelf uiteraard ook door iets nieuw te spelen waarvan je weinig tot geen ervaring hebt. De mosterd werd gehaald bij onze clubgenoot Guy Dugailliez die al geruime tijd de Aljechin met g6 op zijn repertoire heeft staan. Op zich erg riskant want zoals te verwachten, had ik omwille van Guy al eens eerder dit systeempje vluchtig bekeken. Als ik een voor mij onbekende/ vervelende opening zie tijdens o.a. mijn blitzpartijtjes in de club dan zal ik achteraf thuis altijd eens opzoeken wat de theorie aangeeft.

Het was dan ook geen verrassing dat ik al snel met wit een openingsvoordeel behaalde en een stevig tijdsvoordeel op de klok. Desalniettemin was de uiteindelijke overwinning niet vlekkeloos want daarvoor begreep ook ik te weinig van het type stelling die resulteerde uit de opening. Hieronder kan je de partij naspelen met enkele analyses.

De analyses zijn niet echt hoopgevend voor zwart. Echter de lezer die aandachtig de analyses heeft nagespeeld, zal wel gezien hebben dat ik een referentie maakte naar de 'Sergeevvariant'. Ik leerde het eerst over deze variant in 2010 via chesspub waar een nieuw Aljechinboek becommentarieerd werd. De voor mij onbekende Amerikaanse IM Timothy Taylor koos voor een selectie minder bekende systemen en schreef een openingsboek voor de modale tornooispeler.

Populair werd het systeem niet maar grootmeesters zoals Alexander Khalifman en Jean-Marc Degraeve vonden het wel voldoende interessant om het in de praktijk eens te testen. Echter mijn interesse in het systeem werd pas echt aangewakkerd nadat ik ontdekte dat dezelfde variant begin 2012 aanbevolen werd in SOS 14. Dit is al dan niet toevallig dezelfde editie die ik hier op de blog eens zwaar bekritiseerde voor plagiaat, zie voormalig blogartikeltje. In elk geval origineel of vernieuwend is het gros van de aanbevelingen in SOS niet.

In tegenstelling met Alekhine alert! is SOS in onze regio een bekend boekje vandaar ik het een goede idee vond om samen met de partij tegen Robert dit variantje eens uit te pluizen. Geen overbodig luxe bleek al snel bij het doorbladeren van de laatste twics want in het voorbije Belgisch kampioenschap kwam de variant al op het bord tussen David Roos en Roel Hamblok. Het begint mij trouwens op te vallen hoe vaak Davids repertoire samenvalt met mijn repertoire dus ik ga zijn partijen vanaf nu beter opvolgen, zie de eerdere vermeldingen in de blogartikels the modern french en een minithematornooi. Uiteindelijk spendeerde ik meer dan een week analyseren aan dit variantje waarvan ik een beknopte samenvatting op deze blog publiceer. Om de analyses iets aantrekkelijker te maken, heb ik ze ingekleed met de partij Roos- Hamblok, zie hieronder.

Ik geloof dat heel wat van mijn analyses een nieuwe en diepere kijk brengen in deze nog relatief onbekende variant. Ik heb gebruik gemaakt van enkele topprogramma's zoals Houdini en Rybka maar praktische testen zijn noodzakelijk om de deugdelijkheid van de analyses te bevestigen.

Brabo

dinsdag 18 december 2012

Zwart beest

Het fenomeen van een zwart beest in de sport- en spelwereld is iets vreemds. Hoe te verklaren dat bij een treffen tussen twee gelijkwaardige partijen, er één bijna altijd aan het langste eind lijkt te trekken? Dat een scheefgetrokken score zich kan voordoen bij een duidelijk verschil in sterkte, is nog te verklaren. Maar wanneer zich dit voordoet bij bepaalde combinaties van spelers of teams, is het moeilijker een duidelijke reden te geven.
Hoe is het mogelijk dat de Russen de laatste jaren telkens naast Olympiadegoud grijpen, terwijl een kleiner en relatief zwakker team als Armenië net zo goed gedijt in dezelfde atmosfeer. Is ploeggeest de enige verklaring - of faalangst aan de kant van de Russen? Hoe komt het dat Kramnik en Morozevich een monsterscore hebben tegen Judit Polgar, terwijl Short er meestal niets van bakt in partijen tegen haar? Dat Polgar een slechte score heeft tegen Kasparov (3/17), kan voor een groot deel teruggevoerd worden op het incident in Linares 1994. Toen liet Kasparov een fractie van een seconde zijn paard losliet en speelde een andere zet - Polgar verloor de volgende acht partijen (met 3 remises ertussenin) voor ze eindelijk van hem won in 2002. Dit voorbeeld lijkt te wijzen naar misschien wel de belangrijkste oorzaak voor het fenomeen: wanneer (meestal) in het begin van de reeks onderlinge ontmoetingen, er een speciale "turn of events" heeft plaats gevonden, waarvan het psychologisch effect zeer lang nazindert. Enkele verliespartijen op rij kunnen dan bij de verliezende partij een gevoel losweken "dat het de volgende keer geen waar zal zijn". Zoiets overkwam Kasparov, die met een minscore tegen Gulko in hun laatste onderlinge partij in Linares het teveel forceerde om de partij naar zich toe te trekken en zo tegen een nieuwe nul aanliep. Tegen Lautier, ook iemand met een plusscore tegen Kasparov, wou hij in Amsterdam 1995 de bordjes terug in evenwicht hangen, maar verhaspelde hij zijn openingsvoorbereiding en mocht binnen de kortste keren opgeven.
Het fenomeen lijkt zich meer voor te doen tussen spelers wiens spelstijl of persoonlijkheid clasht: positioneel versus taktisch. Zo kon Janowsky, toch zijn hele leven een top 20 speler, geen vuist maken tegen Capablanca, na hun dramatische partij in San Sebastian 1911. Janowsky, de aanvaller, kon gewoon geen recept meer bedenken tegen de machine die Capablanca was - hij verloor zowat elk type stelling.

Een ander aspect dat kan meespelen is het tijdsgebruik. In Roeselare is meervoudig kampioen Kris Muylle iemand die een ganse partij kan afwerken in minder dan een kwartier; in Oost-Vlaanderen zijn Harry Cattoir en Chris Lanckriet ook nogal snelle jongens. Je hieraan aanpassen is soms een taak op zich - net alsof je maar je eigen bedenktijd krijgt om na te denken en de tegenstander gewoon op jouw tijd zit te denken. Voor sommige spelers is het zeer moeilijk om zich hieraan aan te passen; ofwel spelen ze hun gewone spel en dan zitten ze vaak na zet 20 al in tijdnood, ofwel proberen ze ook iets sneller te spelen en maken ze dan een fout.
Op internationaal vlak maakte Anand in het begin van zijn carrière ook vaak gehakt van grootmeesters, in een fractie van de bedenktijd die ze zelf hadden gebruikt.

Een algemene oplossing is er niet - of toch? Misschien kan de aanpak van Boris Gelfand wel vernoemd worden; voor zijn match met Anand, was de onderlinge score desastreus voor Gelfand (Megabase 2010). Gelfands witscore was +5=26-3; met zwart was het +1=19-13! Niet moeilijk dat iedereen Anand favoriet vond om de WK-match te winnen. Toch slaagde Gelfand erin om het hoofd koel te houden en de strijd enkel op het bord te laten plaats vinden. Een goede voorbereiding en een rustige, positionele aanpak hielden hem overeind in de korte match. Dat hij uiteindelijk (en zeker niet kansloos) verloor in de rapidpartijen, kan men toeschrijven aan het rapidtalent van Anand. Objectiviteit lijkt de sleutel: een nuchtere en grondige analyse van het waarom van het verlies kan de ogen openen. Waarschijnlijk is met deze match het angstgegner gevoel van Gelfand voor Anand verdwenen - het is uitkijken naar de eerste onderlinge tornooipartijen tussen beiden. Die staan al op het programma voor 2013.

HK5000

Elo inflatie

Met het elorecord van Magnus Carlsen zagen we recent op bijna alle schaaksites het spook van de elo inflatie opduiken. Voor velen was het duidelijk dat 2861 vandaag niet beter is dan 2851 in 1999 omdat zonder de inflatie er geen sprake zou zijn van een record. Er werd door sommigen zelfs aangetoond dat er 2,2% inflatie is t.o.v. het vorige record. Dus als ik mijn speelsterkte wil vergelijken met 1999 moet ik volgens hen mijn huidige elo met 2,2% corrigeren. Vreemd en de aangebrachte cijfertjes vond ik op zijn zachtst gezegd dubieus zodat ik zelf op onderzoek trok.

Om de evolutie in speelsterkte t.o.v. de elo te bepalen kijken we eerst eens naar de top 100 spelers in de wereld. Ik heb een vergelijking gemaakt tussen 2 snapshots : 1/10/2012 en 1/10/2002 wat mogelijk was dankzij de beschikbare tabellen op de fidewebsite.


Uit die tabel kunnen we heel wat informatie rapen:
Top 10: 2752,7 elo -> 2789,8 elo dus een stijging van 37,1 elo
Top 20: 2722,1 elo -> 2767,1 elo dus een stijging van 45 elo
Top 100: 2650,2 elo -> 2704,9 elo dus een stijging van 54,8 elo

Een eerste fabeltje die met deze cijfertjes weerlegd wordt, is dat de eloinflatie t.o.v. de ranking iets constant is. De 54,8 elo is een gemiddelde voor de top 100 maar voor individuele elo's kan er een serieuze afwijking op zitten.

Vervolgens kijken we even naar de gemiddelde leeftijden.
Top 10: 29,5 jaar -> 30,4 jaar dus een stijging van 0,6 jaar
Top 20: 31,1 jaar -> 31,2 jaar dus een stijging van 0,1 jaar
Top 100: 32,7 jaar -> 30,6 jaar dus een daling van 2,1 jaar

Hieruit kunnen we een belangrijke regel ontdekken van de eloinflatie t.o.v. de ranking. De eloinflatie t.o.v. de ranking is omgekeerd evenredig met de stijging van de gemiddelde leeftijd. M.a.w. hoe minder jonge spelers erbij zijn gekomen, hoe minder er eloinflatie t.o.v. de ranking gebeurt. 

Eveneens interessant is te kijken naar het aantal nieuwe spelers.
Top 10: 5 spelers die 10 jaar geleden nog niet in de top 100 stonden met gemiddelde leeftijd 23,92 jaar
Top 20: 9 spelers die 10 jaar geleden nog niet in de top 100 stonden met gemiddelde leeftijd 26,09 jaar
Top 100: 60 spelers die 10 jaar geleden nog niet in de top 100 stonden met gemiddelde leeftijd 26,55 jaar

Er is dus een echte aardverschuiving gebeurd in de top 100 waardoor de samenstelling nog nauwelijks lijkt op die van 10 jaar geleden. Om eloinflatie t.o.v. speelsterkte te bepalen is het dus onvoldoende om de 2 tabellen naast elkaar te leggen omdat je teveel verschillende spelers met elkaar vergelijkt op speelsterkte. Nauwkeuriger is enkel de spelers te nemen die in beide tabellen voorkomen en die te vergelijken. Echter ook dat gaat nog te ver want dit houdt geen rekening met bv. jonge spelers die nog volop verbeteren en 10 jaar later qua speelsterkte sterk geëvolueerd zijn. 

Vandaag bestaan er geen officiële elografieken die de speelsterkte van een modale actieve schaker over zijn ganse schaakloopbaan weergeven. De belangrijkste reden is uiteraard dat de elos pas geintroduceerd zijn in 1970 wat betekent dat er nog geen elogegevens beschikbaar zijn over een complete schaakloopbaan. Desalniettemin mits enige creativeit door het plakken van de elocurves van een jonge, van middelbare leeftijd en oudere schaker kan je toch onderstaande grafiek creëren.

Hierin zien we dus een snelle stijging van de speelsterkte in de jeugdjaren die sterk afbuigt op 20 jaar. Tussen 20 en 30 zien we een kleine gemiddelde stijging van een extra 50 elopunten. Rond 30 jaar speelt men op zijn best en kan men door ervaring en voldoende spelen dit niveau vasthouden tot ongeveer 50 jaar. Vanaf 50 begint het onvermijdelijk verval in een vrij gestaag tempo. 

Vooreerst wil ik stellen dat de curve de gemiddelde speelsterkte toont van de gemiddelde speler die gans zijn loopbaan actief blijft. In realiteit zullen er zeer grote afwijkingen bestaan maar voor het bepalen van de elo-inflatie t.o.v. de speelsterkte is dit m.i. wel bruikbaar omdat we net geïnteresseerd zijn in gemiddelden en niet in individuele gevallen.

Ik besef tevens dat deze grafiek de zwakke schakel is in mijn blogartikeltje want ik heb geen harde bewijzen dat tussen 30 en 50 jaar een actieve speler zijn beste niveau kan houden. Ik kan enkel verwijzen naar het voorbij wereldkampioenschap waar 2 plus veertigers (Anand & Gelfand) bepaalden wie wereldkampioen zou worden. Lasker, Steinitz, Alekhine, Botvinnik waren zelfs wereldkampioen boven hun 50tigste maar dit waren uiteraard andere tijden. Ik trek een arbitraire grens op 50.

Rekening houdend met bovenstaande grafiek kunnen we uiteindelijk uit de oorspronkelijke tabellen, de spelers selecteren die 2 keer voorkomen en tevens steeds binnen de leeftijdsgrenzen 30-50 zich bevinden.

Uit die tabel halen we 2 gegevens:
Rating: 2685,5 elo -> 2708,3 elo = 22,8 elo
Ranking: 25,62ste plaats -> 46,62ste plaats

Het aantal spelers is eigenlijk te klein om serieuze conclusies te trekken maar ik doe het toch bij gebrek aan beter. De ranking is gemiddeld serieus gedaald ondanks dat we mogen verwachten dat deze spelers niet aan speelsterkte hebben ingeboet dus opnieuw een aanwijzing dat de ranking enorm is beïnvloed in het laatste decennium door nieuwe jonge spelers. Echter belangrijker is de elowinst van de spelers. Alhoewel die veel kleiner is dan wat de eloinflatie t.o.v. de ranking aantoont, laat het wel vermoeden dat er toch enige inflatie is opgetreden. 

Hebben de fanaten van de elo-inflatie dan toch gelijk maar hun inflatieindex is gewoon te groot genomen? Zo simpel zit het niet in elkaar want in bovenstaande tabel houden we enkel rekening met de actieve spelers tussen de leeftijdsgrenzen 30-50 die in beide tabellen van de top 100 voorkomen. Er is helemaal geen rekening gehouden met actieve spelers tussen de leeftijdsgrenzen 30-50 die slechts in 1 van beide tabellen voorkomen. Als we dat wel doen dan valt onmiddellijk op dat er geen enkele actieve speler tussen de leeftijdsgrenzen 30-50 erbij is gekomen maar wel dat er 17 uit de top 100 zijn gevallen. Die 17 actieve spelers (dus zonder rekening te houden met Kasparov, Bareev,...) hebben echter in het laatste decennium gemiddeld 44,7 elo verloren dus ruimschoots de 22,8 elo inflatie compenserend van de 13 spelers. Toppers in de negatieve zin en vandaag nog steeds actief zijn o.a. Kharlov Andrei met - 132 elo,  Neverov Valeriy met - 102 elo , Lutz Chistopher - 86 elo. Of al die ex-top 100 spelers nog echt als een voltijds actieve prof mogen worden gerekend is twijfelachtig maar het geeft wel duidelijk aan dat de 22,8 elo, gebaseerd op slechts 13 spelers naar alle waarschijnlijkheid geen indicatie is voor een algemene inflatie.

Dezelfde oefening voerde ik ook eens uit op ons Belgisch eloklassement. De fide geeft geen publieke nationale fidelijsten weer in diverse jaren. Echter de Belgische elo staat gekoppeld aan de fide (alle officiële partijen tegen fidespelers dus ook in het buitenland gespeeld, tellen mee) dus m.i. voldoende betrouwbaar om een onderzoek op eloinflatie uit te voeren eens dieper in de buik van het eloklassement. Op de KBSB-site is de oudste propere elolijst van de topspelers gedateerd januari 2006. Die elolijst vergelijk ik met de meest recente dus juli 2012. M.a.w. we kijken over een periode van 6,5 jaar.

Ook hier kunnen we opnieuw heel wat interessante informatie uit halen.

Top 10: 2455,4 elo -> 2483,4 elo dus een stijging van 28 elo
Top 20: 2420,7 elo -> 2437,3 elo dus een stijging van 16,6 elo
Top 100: 2301,6 elo -> 2303,6 elo dus een stijging van 2 elo

In tegenstelling met de wereldtop zien we dus een veel kleinere eloinflatie t.o.v. de ranking. We zien zelfs dat je voor plaats 100, 4 elopunten minder moet hebben dan 6,5 jaar geleden wat naar alle waarschijnlijkheid betekent dat er over het complete ledenbestand een elodeflatie t.o.v. de ranking zal zijn. Een belangrijke reden hiervoor is het krimpend actief ledenbestand (4552 leden -> 3873 leden of -15%).

Vervolgens kijken we even naar de gemiddelde leeftijden.
Top 10: 34,13 jaar -> 36,49 jaar dus een stijging van 2,36 jaar
Top 20: 37,29 jaar -> 37,87 jaar dus een stijging van 0,58 jaar
Top 100: 38,37 jaar -> 38,06 jaar dus een daling van 0,31 jaar

In tegenstelling met de wereldtop zien we een gemiddelde leeftijd die 6 tot 8 jaar ouder ligt. Dit gegeven, gecombineerd met het feit dat er nauwelijks een daling is van de gemiddelde leeftijd, wijst erop dat er heel weinig jonge spelers (-30 jaar) zijn bijgekomen. Dit wordt tevens bevestigd als ik kijk naar het aantal nieuwe spelers en hun gemiddelde leeftijd.

Top 10: 2 spelers die 10 jaar geleden nog niet in de top 100 stonden met gemiddelde leeftijd 27,09 jaar
Top 20: 3 spelers die 10 jaar geleden nog niet in de top 100 stonden met gemiddelde leeftijd 26,52 jaar
Top 100: 25 spelers die 10 jaar geleden nog niet in de top 100 stonden met gemiddelde leeftijd 33,59 jaar

Ik vind het normaal dat het aantal nieuwe topspelers in België veel kleiner is dan het aantal nieuwe topspelers in de wereld want we kijken over een kortere termijn (6,5 jaar t.o.v. 10 jaar) en we beschikken niet over een groeiende markt zoals Oost-Azië. Echter dat de gemiddelde nieuwe Belgische topspeler bijna 7 jaar ouder is dan de gemiddelde nieuwe wereldtopspeler (ondanks we spreken over een veel lagere niveau) is helemaal geen goed signaal. Dit is deels te wijten aan het krimpend actief ledenbestand (oudere leden schuiven op) maar vooral omdat we zeer slecht onze beste talenten begeleiden en dus er helemaal niet inslagen om hun volle potentieel aan te boren. Ik leg even dit laatste statement uit. Als onze beste talenten beter worden begeleid dan zal je automatisch zien dat ze een (veel) hoger niveau zullen bereiken. Jongeren die een veel hoger niveau bereiken, zullen automatisch sneller in de Belgische top 100 verschijnen. Jongeren die sneller in de top 100 verschijnen zullen automatisch de gemiddelde leeftijd van de nieuwe spelers omlaag brengen. 

Het aantal partijen verwerkt voor elo vond ik tevens eens interessant om te bekijken.
Top 10: 624,6 partijen -> 922,4 partijen
Top 20: 696,1 partijen -> 975,2 partijen
Top 100: 636,8 partijen -> 713,1 partijen

We zien een drastische stijging die ik vooral wijt aan het feit dat de laatste jaren fidepartijen in het buitenland gespeeld, nu wel meetellen voor de Belgische rating. Het is dan ook geen toeval dat de top 20 spelers die veel vaker in het buitenland spelen net de grootste aangroei aan partijen hebben. Ik vermoed dat dit effect nog wel eventjes zal duren daar we geen grootschalige verjonging van de top 100 onmiddellijk moeten verwachten.

Tenslotte wou ik ook nog eens kijken naar wat de eloinflatie is t.o.v. de speelsterkte met de Belgische eloratings. Hiervoor selecteerde ik opnieuw de spelers die 2 keer voorkomen en steeds binnen de leeftijdsgrenzen 30-50 jaar zich bevinden.

Uit die tabel halen we 2 gegevens:
Rating: 2358,8 elo -> 2336,8 elo = -22 elo
Ranking: 29,23ste plaats -> 40,19ste plaats

Met 26 spelers hebben we een groep 2 keer zo groot dan bij de wereldtop dus betrouwbaarder. De gemiddelde ranking is gedaald wat niet verwonderlijk is met een elodaling. Echter het is wel vreemd dat we een elodeflatie hebben t.o.v. de speelsterkte tenminste als we veronderstellen dat we binnen de leeftijdsgrenzen ongeveer dezelfde sterkte behouden. Minder vreemd wordt het als we kijken wie de spelers zijn. Velen hebben vandaag een gezin, een drukke job,... waardoor er veel minder tijd voor het schaken overblijft en er dus automatisch elopunten worden afgegeven. Dit betekent ook dat weinigen aan de standaard loopbaangrafiek voldoen. Het is trouwens geen toeval dat net de professionals (top 3) niet deze trend volgen. 

Eindconclusies
  • Eloinflatie t.o.v. de ranking heeft een rechtstreeks verband met het totale ledenbestand en met het aantal jonge talentvolle nieuwe spelers.
  • Eloinflatie t.o.v. de ranking heeft geen enkel rechtstreeks verband met eloinflatie t.o.v. de speelsterkte
  • Bovenstaand onderzoek toont duidelijk aan dat de eloinflatie t.o.v. speelsterkte klein is en misschien zelfs negatief. Een gelijkaardige conclusie maar vanuit een totaal andere invalshoek kan je vinden in het wetenschappelijk onderzoek van Kenneth Regan en Guy Haworth, zie uitgebreide versie of korte samenvatting .
  • Er kan geen uitsluitsel worden gegeven dat 2861 elo vandaag, beter is dan 2851 elo in 1999. Het is een feit dat speelsterkte over de tijd niet stilstaat t.o.v. de elorating. Rekening houdend met de tabellen waarbij we keken binnen de leeftijdsgrenzen van 30 - 50 jaar, durf ik te stellen dat de fluctuatie tussen de -20 elo  en + 20 elo is. 10 elo valt binnen deze fluctatie vandaar ik niet durf te stellen welk elorecord nu de hoogste speelsterkte vertegenwoordigt.
  • Het is mogelijk om zelfs op middelbare leeftijd nog te winnen in rating/ speelsterkte mits veel spelen en een zeker professionalisme.
  • De tabellen van de Belgische topspelers zijn een duidelijk alarmsignaal dat het (nog) niet de juiste kant opgaat in ons landje. De KBSB moet dringend een nieuw/ beter plan maken om zowel de kwaliteit (meer spelers) en de kwantiteit (meer topspelers) te verbeteren. 

Brabo

maandag 17 december 2012

Hollandse perikelen deel 2

Toen ik rond 2009 de Ilyin-Zhenevsky (f5, e6, d6, Pf6, Le7 en O-O) niet meer vertrouwde wendde ik mij voor advies tot Alekhine: "de zwarte koningsloper is in deze variant nauwelijks van enig nut!" De Lb4-varianten als een superieure versie van de Ilyin-Zhenevsky, dat trok me wel aan. Het is waar dat zwart in het begin nogal eens gedrongen staat. Het is ook waar dat in deze structuur de afruil van de zwartveldige lopers in het voordeel van zwart werkt. Waarom dan niet meteen hiernaar gestreefd?

De uitkomst stelde mij teleur; ik had graag gewonnen. Maar dat was natuurlijk geen reden om deze variant aan de kant te schuiven. Wit boog en weigerde te barsten. De partij bevestigde mijn opvatting dat zwarts spel positioneel verantwoord is. Wit heeft dan wel enige ontwikkelingsvoorsprong, ik verkeerde in de gelukzalige veronderstelling dat hij/zij geen manier had om daar gebruik van te maken.

Natuurlijk had ik in 2003 al Play the Classical Dutch van Williams aangeschaft. Dat is een uitstekend boekje, vol frisse ideeën en originele analyses. Het eigenaardige is echter dat ik er vooral uit leerde waarom ik het met hem oneens ben. Vrijwel elke van zijn aanbevelingen verwerp ik; het leerzame bestond eruit uit te zoeken waarom. Williams beveelt in deze variant aan om even niet te rocheren, maar zo snel mogelijk e6-e5 door te zetten. De partij Magerramov-Laketic, Chelyabinsk 1991, laat zien dat zwart niet alle problemen kan oplossen. Vandaar dat ik toch eerst rocheerde.

Helaas hielp Bronznik - zich beroepend op Avrukh - mij middels Beating the Guerillas uit de zoete droom. Wit moet niet 10.Tfe1 spelen, zoals Sladek deed, maar 10.Tac1! Na het planmatige e5 volgt dan 11.dxe5 dxe5 12.Pd5! Pxd5?! 13.cxd5 en zwart zit langdurig met een zwakke c-pion opgescheept. Na het betere 12...Dd6 13.Tfd1 heeft wit alle plezier van de open d-lijn. Daarom beveelt Bronznik verwijzend naar Glek aan om 9...c6 te spelen en eventueel naar de Stonewall over te gaan. Dat vooruitzicht trekt mij echter totaal niet. Glek verliest er niet mee, maar wint ook nooit. Dus verkies ik tegenwoordig 5...Le7 met de bedoeling toch een Ilyin-Zhenevsky te spelen. Daarin staat Ld2 dan verkeerd. De dameloper is het gevaarlijkste op b2 of a3.

Van oudsher vreesde ik 5.Pbd2 meer. De afruil Lxd2 in combinatie met het thematische e6-e5 geeft het witte loperpaar monsterlijke kracht. Dat betekent dat Lb4 niet stabiel gepositioneerd is. Degelijk onderzoek van mijn database bracht een mogelijke oplossing. Zwart kan van de tijdelijke penning gebruik maken om veld e4 te veroveren. Dat idee bracht me een fijne overwinning.
Het witte loperpaar blijkt hier niet zo'n ernstig probleem te zijn. Waar ik een beetje trots op ben is hoe ik rond de 20ste zet mijn aandacht tijdelijk verlegde naar de damevleugel. Dit bleek slechts een afleidingsmanoeuvre te zijn. Wit wint de slag daar, maar gaat mat aan de andere kant. Dit is hoe ik wil spelen, positioneel verantwoord aanvalsschaak. De vraag is natuurlijk wel wat te doen als wit niet meewerkt en de pion nog even op c2 laat. Maar de volgende keer wil ik het eerst over het Rubinsteinsysteem hebben.

Mark Nieuweboer

woensdag 12 december 2012

De Tsjechische verdediging

Spelers zoals mijzelf maken gebruik van een weinig variërend repertoire waarin je dus niet in de eerste plaats d.m.v. verrassing maar door specialisatie een openingsvoordeeltje tracht te verkrijgen (de powerplaymethode). Specialisatie t.o.v. variatie betekent, bereid zijn om veel harder te werken en continu de laatste ontwikkelingen opvolgen. Topprofessionals zoals Kramnik en Anand zijn daarom dagelijks vele uren bezig met het analyseren van stellingen, nakijken van nieuwe toppartijen,.... Het is vaak een saai tijdverslindend werk maar als beloning kan je af en toe eens een partij spelen waarin je vanuit de opening de tegenstander kunt wegdrukken. Persoonlijk vind ik zulke logische partijen mooier dan vechtpartijen waarin techniek en verrassing een grote rol spelen (Carlsen heeft hier een patent op). Daar zal uiteraard niet iedereen het mee eens zijn en gelukkig maar want de diversiteit is net 1 van de meest aantrekkelijkste aspecten in het competitief schaken.

Voor een amateur zoals mijzelf is het onbegonnen werk om up to date te zijn met je repertoire. Sommigen vinden dit een goede reden om af te stappen van de powerplaymethode. Dit is een begrijpbare beslissing en misschien praktisch zelfs de verstandigste maar voor een schaker die meer aangetrokken wordt tot het wetenschappelijke dan het competitieve, is dit geen optie. Ik heb mij dus al lang bij neergelegd dat een scenario zoals beschreven in het blogartikeltje the modern french af en toe onvermijdelijk is. Tevens besef ik dat het downloaden van 2 of 3 keer de twics per jaar compleet onvoldoende is om de laatste trends en nieuwtjes goed op te volgen. Dit werd o.a. beschreven in het addendum van het blogartikeltje partijpublicaties .

In mijn blogartikeltje  why chess gaf ik aan dat de gelijknamige site niet meer verder werd upgedate. Echter in juni na 9 maanden inactiviteit werd de site heropgestart. 1 van de gratis aangeboden services op de site, is een summier overzicht per week van de belangrijkste nieuwtjes geselecteerd uit Twic. Dit is een eerste hulpmiddel om uit de continue stroom van informatie in een beperkt tijdsbestek het kaf van het koren te scheiden. Zelf tracht ik vooral de toptornooien te volgen via chessvibes en chessbase. Vandaag worden we verwend met heel veel topschaak want het aantal partijen dat je kan naspelen van + 2700 spelers is hoog. Ik verplicht mijzelf om minstens de partijen van + 2700 spelers na te spelen waarin een opening van mijn repertoire voorkomt. Dit is een absolute must want amateurs kopiëren graag recente ideeën van + 2700 spelers wat o.a. aangetoond werd in mijn blogartikeltje schots vierpaardenspel.

Op de laatste fide toplijst zien we 47 + 2700 spelers staan. Daarnaast hebben we een opeenvolging van toptornooien (London Classic, Tashkent, Boekarest Kingstornooi, ..) waardoor de amateur geregeld een goede kans heeft om een + 2700 een opening te zien spelen die ook in zijn repertoire zit. In Tashkent kwam zelfs een vreemde eend op het bord namelijk de Tsjechische verdediging of ook wel het Pribyl systeem genoemd. Deze opening heb ik zelf maar 2 keer op het bord gehad in een serieuze partij waarvan laatst in 2011 tegen de Belgische expert in deze opening Hendrik Ponnet, zie onderstaande partij.
Voor de partij was ik supergemotiveerd om op winst te spelen en een hoge eindrangschikking na te streven maar mijn gebrekkige kennis van het systeem verplichtte mij al snel om de ambities bij te stellen. Achteraf gaf Stefan Docx op dat je 4.f4 moet spelen in dit soort stellingen want een gratis f4 mag je niet weigeren. Hij heeft zeker een punt maar ik wou toch liever een type stelling die minder tactisch en minder bekend was. Na meer dan een week analyseren en de databases uit te pluizen vond ik uiteindelijk een mooi concept zonder f4. Groot was mijn verbazing toen ik op chessvibes las dat Leko tegen Mamedjarov tot en met zet 13 in de 2de ronde van het toptornooi in Tashkent dit concept toonde. Zie hieronder de partij met enkele aanvullende nota's uit mijn analyses.
We gebruiken allemaal dezelfde engines en databases zodat het onvermijdelijk is dat we onafhankelijk soms tot dezelfde conclusies komen. Enerzijds beschouw ik dit soort partijtjes een compliment voor mijn huiswerk. Anderzijds betekent het wel weer extra werk en minder kansen om potentiële tegenstanders in de toekomst te verrassen.

Brabo

dinsdag 11 december 2012

Toeval

In interclub (18/11/2012) had ik onlangs een matige opening gespeeld en was in volgend middenspel terecht gekomen.


Een combinatie van een halve euro, maar wie schetst mijn verbazing, toen ik enkele weken na mijn partij in het novembernummer van Schach (blz 67) Nigel Short op krek dezelfde wijze zag winnen van Stefan Kindermann in het treintornooi Trans Europa Chess Express afgelopen oktober. Zie Youtube om het allemaal nog eens te beleven (Short speelt de zet Dxc7 rond 14m45). Dat de dreiging niet zo eenvoudig te zien was, bewijst de reactie van Kindermann; hij heeft meer dan een minuut nodig om de waarheid te laten bezinken (Short kon in de partij met 19.Lxf6 voordeel krijgen, maar daar gaat het hier niet om).


Een zoektocht in Chessbase naar deze combinatie (winnend dame-offer op c7), levert vlotjes meer dan 500 hits op. Vaak is het gelinkt aan mat op de onderste rij, een paardvork op koning en dame of aan een promotiecombinatie. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk Adams-Torre, en in onderstaand partijtje gaat wit vlot doorheen zwarts zwakke opening en laat hem geen kans meer. Het einde komt weer met Dxc7.


HK5000

donderdag 6 december 2012

De interclubfaq

In een vorig blogartikeltje tornooireglementen gaf ik reeds aan dat onze interclubreglementen best eens herzien zouden worden. Hiermee bedoel ik niet alleen wijzigen van reglementen maar ook de onduidelijkheden of hiaten aanpakken die vandaag bestaan. Een recent voorbeeldje van een tekortkoming in de reglementen was wanneer mijn tegenstander (wit) in de 4de interclubronde remise voorstelde in onderstaande positie.


Wit heeft geen enkele duidelijke zwakte. Daarnaast beschikt zijn loper over een mooie diagonaal. Zwart heeft het loperpaar en mag geen problemen hebben om de balans te houden mits actief spel. Wit heeft een half uurtje meer op de klok dan zwart maar tijdnood hoeft zwart niet te vrezen. Tegen een speler met ongeveer dezelfde rating of hoger is het vrij normaal dat je zulk aanbod aanneemt maar tegen een speler die duidelijk lager gekwoteerd staat, ga je meestal doorspelen. Om de juiste beslissing te nemen, moet je dus de rating weten van de tegenstander en dat blijkt geen vanzelfsprekendheid te zijn.

Vele ploegen geven op het formulier van de ploegopstelling niet de ratings weer van hun spelers. De ploegopstelling wordt vaak maar om 2 uur of zelfs later doorgegeven bij laattijdige aankomst waardoor er geen kans is om vooraf de rating op te zoeken. Daarnaast beschikken vele clubs over een groot arsenaal aan spelers waardoor het een onbegonnen werk is om vooraf alle ratings in te studeren. Een club zoals Eynatten kan makkelijk kiezen tussen 100 spelers voor 1 bord wat overeenkomt met het instuderen van 100 pincodes. Echter zoals eerder aangegeven, beïnvloedt het opzoeken van een rating tijdens de wedstrijd, het spel waardoor sommige scheidsrechters beslisten dat dit verboden is. Hierop baseren ze zich op het artikel 12.3.a  waarin staat " During play the players are forbidden to use sources of information".

Dit is de juiste logische beslissing maar tevens een ongewenste door een anomalie van de reglementen. Die anomalie is ontstaan omdat de interclubreglementen toelaten laattijdig ploegopstellingen door te geven en ploegen een zeer grote keuze aan spelers kunnen opstellen. In een correspondentie met de nationale wedstrijdleider kreeg ik als antwoord dat we het opzoeken van de rating niet zullen beschouwen als het gebruiken van informatiebronnen. Ik vind dit een vreemde oplossing voor het probleem. Je kan toch niet iets ontkennen wat het wel is namelijk een informatiebron. Begrijp mij niet verkeerd want het kennen van de tegenstander zijn rating vind ik wel degelijk een basisrecht maar ik had liever een nettere oplossing gezien.

Een andere tekortkoming in de reglementen veroorzaakte recent problemen in de interclubwedstrijd CREB - Eynatten 2 waar het 1ste bord van CREB (de Italiaanse grootmeester Alberto David) weigerde zijn eerste zet uit te voeren vooraleer de tegenstander aan het bord zou plaatsnemen. Zie onderstaande partij:

In mijn blogartikeltjes tanguy ringoir is belgisch kampioen en een uitgebreid zwartrepertoire gaf ik reeds aan dat variëren in de openingen een veelgebruikt wapen is door sterke spelers en dit begint al bij de 1ste zet. Hiermee tracht men niet alleen de tegenspeler te verrassen maar tevens tracht men het spel te leiden naar posities die oncomfortabel zijn voor de tegenstander. M.a.w. er wordt gespeeld vaak vanaf de eerste zet op de man. Dit aspect heb ik reeds uitgebreid besproken in het blogartikel spelen op de man.

In het artikel de partijvoorbereiding gaf ik in detail op hoe je best een correcte openingskeuze maakt. Echter bij clubs zoals Eynatten heb je bijzonder weinig kans om dit succesvol te doen omdat er gewoon teveel mogelijke kandidaten zijn. Desalniettemin kan je toch nog je openingszet laten variëren aan bv. hoeveel tijd de tegenstander op de klok (nog) heeft of bv. hoe casual  de tegenstander gekleed is. In partijen met een beperkte tijdsduur levert het vaak meer op om eens iets riskanter/ dubieuzer te spelen. Zulke systemen zijn vaak dodelijker in kortere partijen. Het spreekwoord, de kledij maakt de man is ook bruikbaar in het schaken. Deftige kledij toont aan dat de persoon ernstig is en dus wellicht ook in zijn openingskeuzes.

De keuze van Alberto David voor 1.Pf3 vind ik dan ook ergens logisch toen hij Valery Maes zoals altijd in kostuum zag plaatsnemen aan het bord. Het kostuum was voor de grootmeester een waarschuwing dat de tegenstander wellicht een goede solide openingskennis heeft. Dit klopt uiteraard want Valery heeft er een schitterende carrière in correspondentieschaak opzitten. 1.Pf3 laat een ruime waaier aan keuzes open om het spel te leiden naar minder bekende maar desalniettemin interessante stellingen.

De interclubreglementen vandaag laten niet toe om de eerste zet uit te stellen als een tegenstander te laat aan het bord komt in de veronderstelling dat de ploegopstelling al beschikbaar is. De nationale wedstrijdleider was hierin categoriek en vond dat het reglement moest worden gevolgd ondanks protest van de sterke grootmeester. De plaatselijke arbiter had wel oren naar het protest en besliste om de lieve vrede te bewaren gewoon de klok niet in gang te zetten. Ik heb zeker begrip voor deze beslissing maar correct is deze oplossing uiteraard niet.

De anomalie wordt veroorzaakt door het toelaten van te laat komen in afwijking van de fidereglementen die vandaag de nultolerantie hanteren. Ik ben zelf ook geen voorstander van de nultolerantie maar ik vind het wel een basisrecht om de eerste zet pas te moeten spelen als de tegenstander verschijnt aan het bord (dus zonder verlies van tijd). Het is m.i. duidelijk uit de fidereglementen dat de te laatkomer zeker niet mag profiteren van het te laat komen. Een aanpassing van de huidige interclubreglementen is dus wenselijk maar voorlopig moeten we ons dus houden aan het oordeel van de nationale wedstrijdleider.

Uit de 2 bovenstaande voorbeelden alleen al werd het duidelijk dat het wenselijk is om een soort faq te maken om alle neuzen in dezelfde richting te laten wijzen. Vandaag bestaat al een soort interclubfaq op de officiële KBSBwebsite dus we kunnen dit document gebruiken om op te werken.

Andere zaken die eens beter worden verduidelijkt zijn bv. aanbieden van drankjes of de hiaten rond de promotie naar 1ste klasse. Wellicht zijn er nog andere zaken die beter eens onder de loep worden genomen vandaar mijn oproep aan de lezer om eventuele vragen op te sturen naar onze nationale tornooileider. Een consolidatie van alle vragen en antwoorden zal dan gebeuren in een nieuwe uitgebreide interclubfaq.

Brabo