zaterdag 30 maart 2013

Grootmeesternorm voor Stefan Docx

Terwijl we aan het wachten zijn op de 3de grootmeesternorm van Bart Michiels, was het Stefan Docx die ons in de voorbije Belgische interclubs verraste met een 1ste grootmeesternorm. Na de 10de ronde klokte hij af op een fenomenale 7/9 en TPR 2694. De IM-titel was vorig jaar nog maar pas binnengehaald en nu op 39 jarige leeftijd deze doorbraak.

Je ziet wel vaker spelers die enkele jaren op een plateau hangen en dan terug een stap voorwaarts zetten maar Stefan heeft wel 20 jaar moeten wachten op die doorbraak wat zeer uitzonderlijk is. Ik vermoed dat zijn volgend fideklassement wel eens de 2500 zal passeren wat bijna 200 punten hoger is dan een kleine 2 jaren geleden. De vraag die je uiteraard stelt bij zulke prestaties is waarom nu pas en niet eerder. Kan zijn recept makkelijk gecopieerd worden bij andere talentvolle spelers?

Recent op Schaakfabriek werd geopperd dat je in België geen echt hoog niveau kunt halen omdat er te weinig grootmeesters zijn waar je tegen kunt spelen. Dat klopt m.i. niet en o.a. Stefan is het levende bewijs hiervan. Het helpt uiteraard als er veel grootmeesters zijn maar je mag jezelf hierop niet blindstaren. Vooreerst kan je al heel wat zelf doen. Stefan gaf eerder aan dat hij een fysieke en psychologische aanpassing heeft gemaakt. Door fysieke trainingen zit hij beter in zijn vel en kan hij ook veel gemakkelijker en langer zijn concentratie behouden. Daarnaast heeft hij ook aanpassingen psychologisch gemaakt door meer economisch te spelen. Het is mij onduidelijk of die klik er is gekomen met hulp van buitenaf of compleet op eigen kracht. Belangrijk is om te beseffen dat je je eigen speelstijl in vraag moet durven stellen en aanpassen indien nodig.

Desalniettemin ben ik ervan overtuigd dat dit niet de enige redenen zijn van Stefans progressie. Ik zie bv. sinds 2009 dat er bij elke fideklassement nieuwe partijen zijn toegevoegd wat vooraf niet het geval was. Ik zie recent ook meer stappen naar het buitenland om competitie te spelen. Vervolgens is Stefans openingsrepertoire de laatste jaren enorm verbreed en uitgediept. Dit zorgt ervoor dat het voor de tegenstanders erg moeilijk is geworden om te raden wat er op het bord kan komen.

We kunnen spreken van een metamorfose en deze cocktail zorgt m.i. nu de explosie in groei. Vorig jaar toen Stefan het Vlaams kampioenschap won dacht ik zoals de meesten wellicht dat de TPR = 2562 toeval moest zijn maar de resultaten van het afgelopen jaar bewijzen het tegendeel: ratingwinst (vaak fors) in Belgisch kampioenschap, Belgische en Nederlandse interclub, Open Brasschaat, Open Gibraltar en Zilveren Toren.

Zijn meest indrukwekkende overwinning in de Belgische interclub vond ik met zwart tegen de sterke Ukrainsche grootmeester Andrey Sumets. Het is een rechtlijnige overwinning gebaseerd op vlijtig huiswerk en vervolgens een mooie technische afwerking.


Zelf speelde ik ook tegen Stefan in de interclub en werd net als de grootmeester in de vorige gepubliceerde partij getrakteerd op een nul. Echter het had op dramatische wijze anders kunnen aflopen waardoor op schaakfabriek uiteraard al aandacht werd geschonken aan deze partij. De opening verliep erg gunstig voor Stefan want ik kende zijn 11...,Pg4 helemaal niet en stond al snel minder. Dit lokte net na de partij een erg pijnlijke (wellicht onbedoelde) uitspraak van 1 van mijn ploeggenoten uit dat ik die opening toch wel had kunnen verwachten want Stefan had dit niet lang geleden al gespeeld. Je spendeert 10 uur aan een voorbereiding en dan komt zulke uitspraak hard aan van een speler die nauwelijks of niets voorbereid.

Het vervolg speelt Stefan ijzersterk. Ik denk even met het winnen van de pion op d5 dat ik er goed uitkom maar Stefan heeft beter getaxeerd. Mijn positie wordt steeds moeilijker te verdedidigen en de opkomende tijdnood doet de rest. Echter dan gebeurt iets vreemds maar laat ons eerst de partij eens van bij het begin doornemen.

2 ongelooflijke blunders van beide zijden. Van mijn kant zijn die vrij makkelijk te verklaren want ik had minder dan een minuut op de klok dus ik hield mijzelf enkel nog bezig met het pareren van de dreigingen en de tijd in het oog te houden. Geen haar op mijn hoofd dat er aan dacht om extra tijd te spenderen voor winst. Van Stefans zijde moet het te wijten zijn aan concentratiegebrek. Je hebt een zee van tijd extra op de klok, 2 pionnen meer en de aanval. Interessant is het niet meer dus wil je er eind aan maken. Je ziet 2 valletjes en speelt ze zonder na te denken want er kan jezelf niets meer overkomen. Tja en dan is er toevallig wel iets, nee zelfs 2 keer iets. Uiteraard wil je partijen winnen maar ik ben blij voor Stefan dat ik die partij niet gewonnen heb. Als ik de TPR in de Belgische interclub uitreken met de nederlaag i.p.v. de overwinning dan kom ik een paar elo tekort voor de GM-norm en dat zou echt jammer geweest zijn.

Dit relaxen bij de eindmeet is een zeer menselijke reactie. Ik herinner mij zo dat Kasparov in het wereldkampioenschap van Lyon 1990 meerdere malen erg gunstige stellingen zowel op tijd als op de klok weggaf door slordigheden veroorzaakt door eenzelfde type concentratieverlies. Een voorbeeldje zie je hieronder waar Kasparov uiteindelijk nog een halfje kan redden dankzij doorgedreven analyseren tijdens het afbreken.

Zelf heb ik weinig of geen last van dit type concentratieverlies en ik vermoed dan ook dat het met temperament te maken heeft. In elk geval een verwittigd man is er 2 waard en ik moet toegeven dat ik na deze kritieke partij, Stefan niet meer heb kunnen betrappen op zulke black-out. Vorige maal gaf ik aan dat een IM-titel voor Stefan zeker in de mogelijkheden ligt. Deze keer stel ik dat een GM-titel in de mogelijkheden ligt als hij de tijd en energie kan blijven vinden zoals vandaag.

Brabo

woensdag 20 maart 2013

Voortgang van schaakprogramma's deel 2

Het heeft wat tijd gekost, maar tijdnood komt ook voor in het dagelijkse leven. Jammer genoeg. Had ik het een vorige keer over wat de computers allemaal al kunnen, dan gaat het deze keer over wat ze nog niet kunnen. De huidige stand van zaken laat bijna niet meer toe om de sterkte te testen aan de hand van teststellingen, want de programma's vinden vaak nog verrassende resources, die het nut van dergelijke stellingen in twijfel trekken. Het blijft zeer moeilijk om "correcte" stellingen te vinden. Onder de groep posities die nog niet helemaal ontsloten zijn, behoren zeker de vestingen. Zelfs met enorme zoekdieptes komen programma's er niet toe om "in te zien" dat een voordeel in een bepaalde stelling niet verder uitgebouwd kan worden naar winst. De simpelste vesting is koning tegen verkeerde loper en randpion (bv Ke1, Lf1, h2 tegen Ke8). Dat hoeft een programma zelfs niet meer uit te rekenen, want het zit in tablebases al helemaal uitgewerkt. Verwant aan een vesting is het omgekeerde: een opgesloten stuk. Een dynamische stellingsbeoordeling is bij mijn weten nog niet zo ver dat een opgesloten stuk effectief voor minder waard wordt meegeteld in de evaluatie. Een eerste voorbeeld (de eerste drie voorbeelden komen overigens uit een artikel dat in Chess een tijdje terug is verschenen) dat nog "half" stand houdt is het volgende:

Zwart aan zet speelt gewoon Kb8 en op Dg/h8+ volgt Kc7 Dxa8? Lb8 en wat wit ook nog probeert, hij komt niet verder. Zwart speelt gewoon altijd Kc8-c7-c8. Houdini ziet dit wel (het wordt snel aangegeven in de analyse), maar de evaluatie blijft op meer dan +4 staan. Met andere woorden, de toren wordt geslagen en het programma rekent er (letterlijk) op dat er nog een winst ligt voorbij de horizon. Immers, what else? Voor mensen is dit concept relatief makkelijk uit te leggen; wij hoeven niet te zien dat het ook niet lukt met een koning op a1 of h1 - een computer moet het allemaal uitrekenen.
Een tweede voorbeeld:

Deze stelling speelt eveneens op een opgesloten dame. Geef dit aan bv Houdini en hij blijft lang bij 1.Dxh8, wat verliest, omdat zwart dan 1..c5 speelt en zo de dame opsluit. Ook hier blijft 1.Dxh8 bij gebrek aan beter de beste zet, al zakt de evaluatie relatief snel naar slechts +1.13 en nog later onder +1. Pas op ply 35 geeft Houdini aan dat de stelling niet wint na 1.Dxh8 - een verlies geeft hij nog niet aan. De "oplossing" voor wit is om zelf 1.c5 te spelen (iets wat Stockfish vindt op ply 50), maar dan komen de zwarte stukken los. De winst voor zwart na 1.Dxh8 is voor een mens weer gemakkelijk om uit te rekenen; het paard gaat de dame gaan veroveren.
In de volgende stelling:

staat zwart beter, maar als wit het slim speelt en zwart niet oplet, kan wit nog wegkomen met remise na 1.Pd3! Kxd3? 2.Ke1 en wit ontsnapt naar een vesting. Maar als zwart 1...La5 speelt, wint hij toch. Dit vinden de meeste programma's nu al wel (toen het artikel in Chess verscheen, was dit voor veel programma's nog een kluif).
Iets gelijkaardigs kwam ik onlangs tegen bij een analyse van het eindspel uit de eerste partij van het WK 1972 Spassky-Fischer, dat in Schach zeer uitvoerig geanalyseerd werd. De stelling leidt naar een verdediging die Cozio al gevonden had:


Deze stelling is remise. Eenmaal de witte pion op a5, hoeft zwart gewoon naar c8 te lopen (hij hoeft zelfs niet de diagonaal h2-b8 te overschrijden om een pat te proberen op a8), vanwaar hij nooit meer verjaagd kan worden (de zwarte g-pion speelt geen rol). Houdini geeft na lang nadenken nog altijd +3,83 (alhoewel hij wel degelijk de juiste verdediging voor zwart aangeeft). In datzelfde eindspel komt nog een interessant moment voor. Eigenlijk maakt Fischer de allerlaatste fout op zet 40, met 40...f4?. Had hij hier 40...Kd5! gespeeld, dan had Spassky wel 41.Lb4! moeten vinden (Bastian geeft dit aan in Schach). De programma's geven in deze stelling allemaal 41.Lf8 aan, maar dit leidt na 41...Ke4 ook slechts naar de Cozio-stelling. Moraal van het verhaal: je blindstaren op de score die de computer geeft is nog steeds riskant. Een beetje menselijk begrip van de getoonde analyse is nog altijd op zijn plaats, zelfs met programma's die op +3000 elo gewaardeerd worden. In het praktische schaak en voor de analyse van je eigen partijen kom je nog zelden uitzonderingen tegen die problemen stellen voor de evaluatiefunctie van programma's, maar voor topschaak en correspondentie, moet de computer hier en daar nog altijd een handje geholpen worden. Tot slot nog een bijna pionneneindspel, dat de computer zeer lang (en onterecht) als niet-winnend ziet.In de partij spelen beide spelers het elk één zet mis, maar wit zal wel vanaf het begin achter het bord gezeten hebben met het idee dit te winnen. Houdini 1.5 vindt pas na een halve minuut op zet 9 - wanneer 9.Kh5 gevonden moet worden - dat deze zet wint. De zetten ervoor is het steeds 0.00 ...



HK5000

zondag 17 maart 2013

Sitzfleisch

Een clubschaker beseft dat schaken meer is dan de houtjes tellen op het bord. Hoe sterker de speler, hoe gemiddeld meer en nauwkeuriger de juiste waarde wordt gegeven aan ruimte, dynamiek, initiatief.... We selecteren onze zetten deels op basis van concrete berekeningen maar evenzo door het afwegen van de voor-en nadelen. Coaches, schaakboeken,... trachten de minder ervaren spelers te helpen om dit proces sneller aan te leren en succesvoller te zijn.

Deze maximaliserende methode is in de meeste gevallen inderdaad de beste want enkele tempi verliezen, kan al snel leiden naar een bittere nederlaag. Nochtans wil dit niet zeggen dat er geen uitzonderingen op deze regel bestaan. Sommige voordelige eindspelen zijn ondanks een maximaliseren van de mogelijkheden niet te winnen tegen een correcte verdediging. In zulk scenario is het soms beter om op je Sitzfleisch te zitten en gewoon te wachten tot de tegenstander in tijdnood komt en onvermijdelijk fouten maakt. Sympathiek maak je jezelf hiermee niet maar het is wel erg doeltreffend zoals ik eerder al aantoonde in mijn blogartikeltjes: eindspelen loper tegen paardeindspelen met een kwaliteit meerde boemerangeindspelen met ongelijke lopers.

Marking time in het middenspel is zelden een bewuste keuze. Er bestaan wel bepaalde type stellingen (bv. gesloten stellingen) waarin beide partijen zonder buitensporige risico's te nemen, weinig of niets constructiefs nog kunnen bedenken maar meestal is het een gedwongen passiviteit die veroorzaakt werd door een falende strategie. In het middenspel geldt dan ook de regel dat het beter is een plan te hebben dan geen plan. De tegenstander een vrije hand geven om naar hartelust aan te vallen kan onmogelijk worden aanbevolen. Toch is dit net wat ik deed in mijn interclubpartij tegen de Litouwse grootmeester Kveiyns.

Ik kwam redelijk uit de opening en bouwde een solide stelling op. Het was een stelling waar heel wat mogelijkheden waren voor beiden waardoor je bij elke zet opnieuw tijd moest investeren om alles goed af te wegen. Dit zijn het soort stellingen waardoor iemand makkelijk in tijdnood kan geraken. Ik besefte dat mijn tegenstander vooral zijn extra sterkte en ervaring zou kunnen etaleren in wederzijdse tijdnood dus zocht ik naar een oplossing om die te vermijden. Ik koos voor de strategie om af te wachten met zetjes zonder veel nadenken en af en toe iets af te ruilen wanneer het witte stuk mij te dominant leek. Geen enkele pionzet speelde ik meer tussen zetten 12 en 34.

Mijn tegenstander stond zeker iets beter maar slaagde er niet in om ondanks een ruim tijdsverbruik een gaatje te prikken in de verdediging. Uiteindelijk begon de tijdnood roet in het eten te strooien en kon zwart profiteren. Wit als ervaren professional liet zich niet vermurwen tot een roekeloze aanval en alhoewel teleurgesteld, stelde zich tevreden met de remise.

Het toppunt van deze toch wel uitdagende strategie van passief spel is m.i. een oude partij tussen de Zweedse grootmeester Ulf Andersson en de Engelse IM Michael Basman. Basman is uiteraard bekend van de vele onorthodoxe openingen die hij testte en zelfs propagandeerde maar ook in het middenspel deed hij vaak gekke dingen. In deze beroemde partij staan de zwarte stukken op zet 12 en zet 24 precies op dezelfde plaats. Wit kreeg dus 12 tempi cadeau en toch gaat hij de boot in.

Het is hoogst eigenaardig uiteraard dat een toen nog jonge sterke grootmeester met 12 extra tempi kan verliezen tegen een speler die toen zelfs nog geen IM was. Echter als je rekening houdt met het feit dat Ulf voornamelijk een positionele speler is en geen aanvalsspeler dan wordt het wel een stukje duidelijker. Zwart heeft wit verleid om tijd te verbruiken en zichzelf in complicaties te storten die hij normaal liever vermijdt. We kunnen spreken van een soort creatieve passiviteit zoals de schaakauteur Sverre dit enkele jaren eerder op zijn blog al benoemde.

Het psychologische aspect in het schaken wordt vaak weggewuifd. Ik ken heel weinig schaakliteratuur die hierover durft te spreken. Misschien is het bewierookte boek van Willy Hendriks move first think later wel een uitzondering. Ik speel al een tijdje met het idee dat dit boek wel iets voor mij zou kunnen zijn dus ik moet dringend eens tijd vrijmaken om er eens in te snuisteren.

Sitzfleisch komt dus van pas in het schaken maar overal en altijd zou ik het zeker niet aanraden. Ik zou het meer als een laatste strohalm bekijken wanneer andere strategieën weinig of geen succes meer garanderen. Bovendien stel ik mij serieus de vraag of het soort creatieve passiviteit tegen topgrootmeesters (+2700 elo) wel nuttig zou kunnen zijn want zelfs met heel weinig tijd op de klok zijn die spelers toch in staat om zelfs stellingen met weinig potentieel succesvol te exploiteren.

Brabo

maandag 11 maart 2013

Hollandse perikelen deel 3

Op hogere niveaus fianchetteert de overgrote meerderheid de koningsloper tegen het Hollands. Maar waarom is dat eigenlijk zo vanzelfsprekend? Wit wil immers nogal eens e2-(e3)-e4 doorzetten en dan staat de loper op d3 niet verkeerd, zo vond ook Rubinstein.

We krijgen dan 1.d4 e6 2.c4 f5 3.Pc3 Pf6 4.e3

a) 4...d6 5.Pf3 Le7 6.Ld3 is de partij Van den Berg-Burstein, Haifa/Tel Aviv 1958, die ik in aflevering 1 gaf. Ik heb geen overtuigende verbeteringen voor zwart kunnen vinden en moest concluderen dat de Ilyin-Zhenevsky in dit geval af te raden is.

b) 4...d5 (want wit kan de dameloper niet meer naar f4 spelen, wat vrijwel een weerlegging is van de Stonewall) 5.Ld3 c6 6.Pge2 Ld6 7.Dc2 O-O 8.f3 is een aanbeveling van Bronznik in Beating the Guerillas. Wit scoort prima en diens controle van veld e4 lijkt mij pijnlijk voor zwart. Dat zegt natuurlijk lang niet alles, maar ik heb dit nooit grondig onderzocht.

c) 4...Lb4 5.Dc2 b6 en d6 zijn aanbevelingen van Williams, maar hij moet toch een blijvend voordeeltje voor wit toegeven als die weer een opstelling met f2-f3 kiest.

d) Al met al stel ik dat 4...b6 de aangewezen weg is.
Een voorbeeldje uit de praktijk:
Het zwarte spel laat zich uiteraard gemakkelijk verbeteren met 12...Lb8 of met eerst 11...Tc8.

Helaas houden de grote kanonnen zich maar zelden bezig met het Hollands, laat staan met de Rubinsteinvariant. Ook ik heb hier geen ervaring mee, dus ik heb geen uitgesproken oordeel. Ik volsta met het lamlendige onduidelijk. Ter rechtvaardiging: voor zover ik weet zijn er nauwelijks relevante partijen met deze opzet. Dat betekent wel dat deze variant zowel vanuit wits als vanuit zwarts perspectief onderzocht moet worden en dat dergelijk onderzoek punten kan opleveren. Het is eveneens zaak in de gaten te houden of de variant 4.e3 b6 in lagere regionen (IM, FM) aan de orde komt en wat dan de bevindingen zijn.

Aardig is nog dat liefhebbers van de onschuldige Colle hier iets aan hebben: 1.d4 e6 2.Pf3 f5 3.e3 Pf6 4.Ld3 enzovoort vermijdt de varianten met ...Lb4. Ook daar moet zwart aandacht aan besteden. Vroeger speelde ik altijd zoiets als 4...d6 5.O-O Le7 6.c4 O-O 7.Pc3. Maar daarmee krijgt wit weer de kans om a la Van den Berg-Burstein te spelen, dus dat voldoet niet.

Opgemerkt zij dat 4.e3 bepaald niet wits enige mogelijkheid is, al denk ik dat het de meest flexibele zet is. Wit kan ook 4.Dc2 of 4.f3 proberen; beide zetten passen uitstekend in Rubinstein's opstelling. Alleen vind ik het dan jammer dat wit niet meer a la Van den Berg kan spelen. In Gupta-Gleizerov, Visakhapatnam 2011 had wit succes met 4.Dc2 Le7 5.Pf3 O-O 6.h3!? b6 7.g4 Lb7 8.gxf5 en de vraag is wat wit heeft na 8...exf5. Brabo heeft het al eens over 4.Dc2/4.f3 b6 gehad.

De problemen rond zettenvolgordes zijn hiermee nog niet afgelopen. Er is ook 1.d4 f5 2.c4 Pf6 3.Pc3 d6 en hier houden mijn kennis en begrip op. Voorlopig is mijn conclusie dat de Rubinsteinvariant een prima aanvulling is op 1.d4 f5 2.Pc3 en 2.Lg5.

Mark Nieuweboer

dinsdag 5 maart 2013

Lars Schandorff

Heel wat profschakers verdienen wat bij met het schrijven van schaakboeken. Vroeger zag je bijna uitsluitend schaakboeken die een bepaalde opening in detail bespreken maar tegenwoordig zie je heel wat openingsboeken die een veel ruimer palet bekijken. De klemtoon is verschoven van openingsmanuscripten naar gebruiksaanwijzingen in de opening die veel efficiënter zijn voor de bordpraktijk. Grootmeesters leggen uit aan de hand van hun eigen bordpraktijk/ studie welke keuzes ze in diverse openingen maken en waarom. Dit zijn de openingrepertoireboeken die door het hedendaagse publiek erg gesmaakt worden. Het is een win-win voor zowel de schrijver als de lezer. De schrijver kan op een relatief korte tijd een origineel degelijk werk afleveren dankzij het hergebruiken van eigen materiaal. De meeste lezers zijn actieve bordschakers. We mogen dus stellen dat de standaardlezer dankzij deze type boeken niet meer hoeft te zoeken in het labyrint van openingsvarianten want de grootmeester heeft dit al gedaan voor de lezer. Dit laat de lezer toe om op zeer korte tijd een serieus repertoire op te bouwen.

Zoals eerder vermeld in het blogartikeltje een uitgebreid zwartrepertoire koop ik nauwelijks openingsboeken. Illegaal downloaden of copieren doe ik evenmin. Om toch op de hoogte te blijven van wat er reilt en zeilt, lees ik de gratis reviews, uittreksels op chesscafe, chessvibes, chesspub, qualitychess blog, ...  Uiteraard is het gratis materiaal aangeboden op het internet vrij beperkt en/of oppervlakkig in tegenstelling met wat je kan vinden in de te betalen boeken/ software. Om te compenseren t.o.v. spelers die wel over meer beschikken, moet je thuis het nodige analysewerk zelf doen. Echter daar loopt het bij mij erg vaak fout door enerzijds een gebrek aan tijd maar anderzijds ook een gebrek aan motivatie. De nieuwe publicaties volgen elkaar in een sneltrein op en als amateur, vind ik de incentive niet hoog genoeg om al die nieuwe ideeën thuis vooraf te analyseren. Dit jaar speel ik wellicht slechts 11 partijen voor fiderating dus de kans om effectief iets wat je vooraf bestudeerd hebt, te kunnen gebruiken, is bijzonder klein. Ik kan niet zeggen dat ik helemaal niets bekijk maar meer dan wat aanmodderen is het zeker niet.

De Deense GM Lars Schandorff bracht recent (2012) een nieuw repertoireboek op de markt: Playing 1.d4 - The Indian Defences. De titel is een beetje misleidend want het boek gaat over veel meer dan enkel de Indische openingen want o.a. ook de Benko, Benoni en het Hollands worden er besproken.

Mijn interesse ging uiteraard vooral naar het stukje over het Hollands waar Lars voor een anti-systeem koos met 2.Lg5. Dit is zeker geen tweederangskeuze want ik heb het niemand minder dan Garry Kasparov zien spelen in het verleden. Een andere plus met dit systeempje is dat de theorie beperkt is om aan te leren. Het Hollands krijg je als witspeler niet geregeld tegen en dan is het handig om iets wat gemakkelijk op te frissen is, achter de hand te hebben met de nodige punch. Heel wat verrassender vond ik Lars keuze voor 4.e4 in de 2...h6 variant in tegenstelling tot het meer gangbare 4.e3 (tevens Kasparovs keuze). In het verleden heb ik deze eigenzinnige keuze al 2 keer eerder in een officiële partij op het bord gehad van Peter Mangelschots. Beide partijen won ik vrij vlot. Hieronder vind je ons laatste treffen.
10 jaar geleden verdween deze variant van het toneel maar recent dook het opnieuw op wellicht dankzij Lars aanbevelingen in zijn laatste repertoireboek. Recent verrastte Rene Beniest mij in het clubkampioenschap van Deurne met dit systeem. Ik had een sterk (achteraf correct) vermoeden dat hij Lars boek volgde en besloot daarom af te wijken met 8...Df7 i.p.v het besproken 8...Kd8. Op chesspub en quality chess werd vermeld dat 8...Df7 goed was voor zwart en enkele vluchtige analyses met de computer bevestigden dit wat voor mij voldoende was om het in de praktijk eens te proberen. Echter tijdens de partij liep het helemaal niet van een leien dakje en kon Rene mij snel onder zware druk zetten.

Zonder twijfel stelde Rene te snel remise voor. Met een half uur meer op de klok en een zeer rooskleurige positie moet je dit soort stellingen uitspelen. Het zou wel eens kunnen zijn dat dit cadeautje beslissend is voor  wie kampioen wordt. Het is een typisch Belgisch fenomeen wanneer je beter staat tegen een (veel) hoger gekwoteerde tegenstander om remise voor te stellen. Dit soort onnodig respect/ schrik kom je veel minder tegen in het buitenland. Ik geef toe dat ik er in het verleden ook last van had en pas na jaren naast Robert Schuermans gespeeld te hebben, geleerd heb dat je moet doorspelen in zulke situaties.

Het is op zich bewonderingswaardig dat Rene met zulk gemak deze dominante positie heeft opgebouwd. We zien nogmaals een voorbeeld om de +60 jarige spelers zeker niet te onderschatten. Sommigen zijn zelfs op de hoogte van de laatste theoretische ontwikkelingen en zijn best nog voldoende gemotiveerd om zich voor te bereiden op een partij.

Ik had het dus erg moeilijk met deze opening in deze partij dus mogen we hieruit concluderen dat Lars inderdaad een goede antidota tegen het Hollands heeft gevonden? Zo eenvoudig is het niet want in de partijanalyses kan je lezen dat zwart zichzelf zeker kan verbeteren. Diepgaande analyses bevelen een aantal ideeën aan die m.i. goed speelbaar zijn voor zwart terwijl die helemaal niet worden besproken in het repertoireboek. Dit vind ik wel verwonderlijk want alle aanbevelingen zijn topkeuzes van de computerprogramma's Houdini en Fritz waardoor ik het gevoel krijg dat Lars nogal snel en oppervlakkig te werk is gegaan met het schrijven van dit hoofstuk. Enerzijds begrijpelijk want het Hollands is in een boek over Indische openingen zeker slechts bijzaak maar anderzijds opnieuw een mooi voorbeeld om altijd als lezer kritisch te blijven t.o.v. van wat auteurs (zelfs grootmeesters) schrijven.

Brabo