vrijdag 26 april 2013

Ik wist het wel !?

Het was lang twijfelen welk boek het deze keer zou worden om mee te nemen op verlof. Opnieuw een boek uit de monumentale serie van Kasparov die telkens had gesmaakt of zou het iets anders worden. Het boek 'Move first, Think later' trok mij aan omwille van de uitdagende titel maar kon een IM, waartegen ik al 2 keer eerder remise had gespeeld mij wel een boek vol interessants aanbieden? De titel vertelde verder dat de inhoud wellicht over hoe beter te worden in het schaken zou gaan maar dat bracht mij geen stap verder. Ik heb slechts een 100 punten minder dan Willy Hendriks en bovendien meen ik dat ik vrij goed weet hoe ik nog verder kan verbeteren (maar heb er vandaag noch de tijd, noch de motivatie voor). Echter wanneer ik bladerde door het boekje, viel mij op dat er relatief weinig schaakdiagrammen in stonden, t.o.v. veel proza wat heel vreemd is voor een trainingsboek. Bovendien won het boek de prijs van beste jaarboek van de Engelse schaakfederatie dus blijkbaar had niemand er een probleem mee met de weinig diagrammen en vond men de proza meer dan compenserend. Leuke proza lezen op enkele dode momenten tijdens het verlof dat zag ik wel zitten, i.p.v. een heel boek met oefeningen op te lossen. Toen ik zag dat de prijs onder de 30 euro was, had ik geen goede reden meer om het niet aan te schaffen.
Na enkele pagina's lezen, was het mij al duidelijk dat het geen alledaags schaakboekje is. De auteur toetst de hedendaagse trainingsmethodes af met de huidige kennis in de psychologie. 2 compleet verschillende domeinen worden m.i. voor het eerst zo uitgebreid met elkaar in verband gebracht waardoor je zoals vaak in zulke experimenten, een explosie krijgt van nieuwe verfrissende ideeën. Echter het gebruiken van een domein zoals de psychologie betekent ook dat voor heel wat mensen dit boekje moeilijk leesbaar zal zijn. Psychologie is (nog) geen exacte wetenschap en wordt vandaag zeker niet door iedereen als interessant en/of bespreekbaar beschouwd.

Zelf heb ik altijd een grote nieuwsgierigheid gehad naar het beter begrijpen van de psyche. Het is m.i. ook 1 van de redenen waarom ik hou van stevige discussies (o.a. op fora) of het schrijven van blogartikeltjes over intuïtie, ambities, normen en waarden, .... Het spreekt voor zich dat een schaakboek doorweven met aspecten uit de psychologie door een auteur met een universitaire opleiding in de filosofie, mij helemaal kon bekoren. Uiteraard vraag je jezelf af in hoeverre je het eens bent of niet met de bevindingen/ filosofische bedenkingen van de auteur. Wel ik kwam tot de bevreemdende vaststelling dat we eigenlijk geen serieuze conflictpunten hadden. Slechts een paar details vond ik incorrect of te kort door de bocht maar op zich hadden die nauwelijks of geen invloed op het complete werk. Ik som ze hieronder even op zodat de schrijver ze misschien in een volgende druk kan rechtzetten.

- Eloinflatie bestaat niet, wordt door de auteur beweerd want zulke inflatie zou opgemerkt worden door het nivelleren van de eloratings. Het is niet helemaal duidelijk wat er bedoeld wordt met inflatie maar ik vermoed dat het over eloinflatie gaat t.o.v de speelsterkte. Ik ben akkoord dat er geen sprake kan zijn van een serieuze eloinflatie vandaag wat o.a. werd aangetoond in mijn blogartikeltje elo inflatie. Echter de afwezigheid van nivellering heeft hiermee geen rechtstreeks verband. Het is perfect mogelijk om inflatie te hebben in het systeem zonder dat er sprake is van een nivellering. Geef iedere speler 100 elo extra en je hebt 100 punten inflatie maar de spreiding blijft identiek.
- Quantity is a Quality too. De auteur kent deze uitspraak toe aan Joseph Stalin maar er is heel wat discussie over de juiste toedracht van de quote. Heel wat waarschijnlijker was de quote "Quantity has a quality all its own". Dit brengt een belangrijk nuanceverschil. Kwantiteit heeft zijn eigen beperkingen betreffende kwaliteit. Je kan het best vergelijken met bv. het populaire tv-programma Wie wordt euromiljonair waar de kandidaat de hulp van het publiek kan inroepen. Kwantiteit helpt maar is geen match tegen iemand die het antwoord zeker weet.
- Psychologie speelt nauwelijks een rol in het schaken (niet te verwarren met het trainen). Het boekje gaat over trainingsmethodes voor spelers die ik schat tussen 1200 en 2100 elo. Als we enkel kijken naar die elobandbreedte dan moet ik de auteur gelijk geven. Echter het ware toch fair geweest om te vermelden dat bij de hogere elo's, psychologie wel vaker een rol speelt vooral wanneer de eloverschillen relatief klein zijn. Hierover heb ik al een resem blogartikeltjes geschreven zoals op remise spelen met wit tegen een sterkere tegenstanderwit kiest al in de opening een remisevarianteen uitgebreid zwartrepertoirespelen op de man, ...

Nu dit zijn details en veel interessanter is te kijken naar de inhoud van het boek. Het boek is opgesteld als een collage van artikels die veelal vanuit de psychologie een brede waaier van bestaande methodes en opvattingen bespreekt die allen een link hebben met het trainen van schakers. Daar ik zelf geen schaaktrainer ben (wel ooit enkele lessen gegeven zoals wellicht elke FM) en evenmin trainingsboeken lees, was mijn kennis beperkt hier omtrent. Desalniettemin vond ik het een boeiende materie en misschien komt het wel eens later van pas. Daarnaast werden ook heel wat onderwerpen aangesneden die ik op deze blog al besproken heb. Hieronder geef ik een opsomming van raakvlakken tussen het boek en mijn blog wat niet betekent dat er geen meerwaarde te vinden is in het boek. De auteur slaagt erin op een humoristische wijze, heel wat extra's uit zijn opgebouwde kennis over psychologie toe te voegen.

- Chapter 2: Look and you will see against try and error. Try and error is inderdaad een vaak onderschatte methode om iets te bereiken. Een voorbeeldje hiervan vermeldde ik in mijn blogartikeltje: schaakcompositities
- Chapter 11: The particular and the general. Om het even welke regel in het schaken, kan niet winnen van concrete zetten die correct(er) zijn. Als we kijken naar mijn recente nederlaag tegen Istratecu die ik besproken heb in mijn blogartikeltje met een kanon op een mug schieten dan kan ik dat enkel beamen.
- Chapter 12: Big plan, small plan or no plan at all. Mijn blogartikeltje sitzfleisch illustreet in een extreme vorm wat de mogelijkheden zijn van 'no plan at all '.
- Chapter 15: Chance in chess. In mijn blogartikeltje vals spelen kan je een link vinden naar een zeer nauwkeurige tool : tperf die berekent wat de kans is om een bepaalde score te halen tegen een aantal tegenstanders met verschillende eloratings.
- Chapter 17: It plays chess in me. In mijn blogartikeltje schaakintuitie wordt aangetoond dat ik intuitief zetten speel zonder concrete berekeningen met soms nare gevolgen.
- Chapter 19: Quantity is quality too. Dit aspect heb ik ook in mijn blog al meerdere malen aangehaald, hetzij in een andere context. Zo denk ik aan mijn blogartikeltjes : tanguy ringoir is belgisch kampioen en de (on)zin van blitz waarin ik duidelijk aangeef dat veel spelen ook een meerwaarde is.
- Chapter 20: The human standard. Bepaalde zetten of combinaties zijn onvindbaar voor de mens maar kunnen wel worden gevonden door de computer. Dit heb ik o.a. al vermeld in een variant met een paardpromotie zie the modern french of in de commentaren van mijn blogartikeltje sterke jan scoort een grootmeesterresultaat.

Het is vreemd om zoveel gelijkenissen te zien maar ik ben er overtuigd van dat we beiden onafhankelijk onze stukjes geschreven hebben want behalve de onderwerpen, zijn de artikels wel compleet verschillend opgebouwd. Een onderwerp waar ik helemaal niets heb over geschreven op deze blog, is 'hindsight' of vrij vertaald naar het Nederlands 'Ik wist het wel'. Trainers, spelers menen van zodra ze de uitkomst kennen, dat ze die op voorhand hadden kunnen voorzien. In werkelijkheid zorgt het brein voor een verkeerde interpretatie van de feiten. Ik vermoed dat de meesten onder ons zulk gevoel al eens zullen gehad hebben.

In mijn bordpraktijk herinner ik mij 2 vreemde partijen waar ik achteraf met een gevoel zat van 'dit wist ik eigenlijk al op voorhand'. Een eerste partij was tegen de Belgische IM Eddy Van Beers waar een Najdorf op het bord kwam die ik 2 dagen eerder nog ruim had bekeken.


Het is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk dat ik achteraf meende nog bovenstaande slotstelling thuis op het bord gehad te hebben. We zijn nochtans 9 zetten al uit de theorie, ik had bijna alle tijd opgebruikt en ik sta gewoon minder.

De andere partij was in 2011 tegen Maarten Larmuseau. 's Ochtends had ik nog de Portisch-Hooksysteem in de Winawer bekeken met behulp o.a. van mijn partij tegen Hovhanisian (zie bespreking  een uitgebreid zwartrepertoire).


Achteraf beweerde ik dat ik zelfs het dubieuze kwaliteitsoffer op zet 35 thuis had bekeken maar slechts zeer vluchtig. Ook in deze partij had ik bijna alle tijd opgebruikt. Daarnaast waren een heleboel zetten gespeeld die niet verplicht waren aan beide zijden.

Bij het voorbereiden durf ik mijzelf soms hopeloos verliezen in het analyseren van variantjes die ik leuk vind waarbij ik makkelijk tot zet 30 ga. Echter zich verliezen in variantjes is wel nog iets helemaal anders dan net die specifieke partijvarianten op voorhand thuis te hebben bekeken. Bovendien kon ik evenmin achteraf iets terugvinden op mijn computer betreffende de analysevarianten. Het is gissen wat correct is of niet maar ik hou er rekening mee dat ik een verkeerde interpretatie maakte van de feiten.

Mijn verhaal over de 2 partijen, lijkt te gek voor woorden maar misschien herinnert de lezer nog Een wandeling met Garry Kasparov van Tim Krabbe. Dit lijkt bijna als 2 druppels water op wat ik tegenkwam dus ik vermoed dat mijn ervaringen geen alleenstaande feiten zijn.

Het boek 'Move First, Think Later' heeft bij mij heel wat reflecties losgeweekt en aanvankelijk was ik dan ook zo enthousiast erover dat ik meende dat het boek door elke schaker eens moest worden gelezen. Echter na het lezen van heel wat recensies en commentaren moet ik toegeven dat mijn initiële visie incorrect is. Heel wat lezers denken dat het boek een nieuwe, betere gids is om zichzelf te trainen en sommigen waren zelfs van mening dat ze de trainingsboeken van Silman, Kotov,... konden wegleggen. Dit klopt uiteraard niet en misschien is de ondertitel hierin wel een beetje de deugniet door te insinueren dat het over 'Improving your chess' gaat. De bekende schaaktrainer Silman was dan ook bikkelhard (uiteraard te verwachten als je leest hoe Willy Hendriks hem had aangepakt in zijn boek) met zijn review door te stellen dat de auteur zelf nonsens verkondigt en spelers aanzet te spelen zonder vooraf na te denken.

Voor wie is het boek dan wel geschikt? In eerste instantie is dit boek geschreven voor schaaktrainers die lessen geven en/of leerboeken schrijven voor gevorderde schakers beneden 2200 elo. De stappenmethode wordt vandaag algemeen erkend als een van de beste trainingsmethodes voor beginners maar voor gevorderde schakers bestaat er voor de trainers geen echte gids. Dit boek tracht aan te tonen welke trainingsmethodes ok zijn of niet voor de gevorderde speler wat m.i. nooit eerder op zulke uitgebreide wijze werd uitgevoerd. Daar trainers voor gevorderde schakers veelal zelf + 2200 elo hebben, is het dan ook enigszins begrijpbaar dat Silman stelt dat dit boek vooral geschreven werd voor IMs en GMs. Hiermee bevestigt Silman eigenlijk, wellicht onbedoeld dat de opzet van het boek geslaagd is.

Spelers zoals mijzelf die erg geïnteresseerd zijn in het beter begrijpen van de psyche en niet gevreesd zijn om hypotheses te maken of zelfs te filosoferen, zullen zeker ook veel plezier halen uit het boek. Tenslotte gevorderde spelers die van zichzelf voelen dat ze op een dood spoor zijn terecht gekomen met de standaardtrainingsboeken, kan ik dit boek ook warm aanbevelen. Ik bedoel als je denkt zoals ik laatst vond onder de boekbesprekingen ' How to Reassess your chess 4th Edition van Silman' op de site van de Torrewachters, ik citeer "Gek genoeg vond ik niet zo meteen iets in Silmans aanpak dat mij aansprak." dan hoor je wellicht in die categorie van spelers die MFTL een welgekomen verademing zullen vinden.

Brabo

dinsdag 23 april 2013

De blunder

Is er iets pijnlijker dan een blunder? Een partij weggeven in gewonnen stelling – of winst weggeven door een onnozel pat? Blunderen is des mensen en maakt deel uit van het leven. Blunders worden soms beroemd, zoals in het wielrennen, waar er wel eens een spurter de armen durft opsteken, terwijl zijn concurrent nog net zijn band als eerste over de meet duwt. Of die befaamde loopwedstrijd met Karel Lismont, die tot op het einde bleef vechten in het BK 10 km in 1973 en een al zwaaiende en te zegezekere Willy Polleunis op de meet voorbij liep. Knap van Lismont, maar toch een blunder van Polleunis. Merckx heeft ook ooit zo iets voor gehad met een sprint dacht ik.
Ook in het schaken is de blunder alomtegenwoordig. Ikzelf heb een tiental jaren volkomen zonder blunders (met onmiddellijk stukverlies) kunnen spelen, maar enkele jaren geleden zette ik gewoon weer eens een toren in (ik dacht dat we al een zet verder in de slagwisseling zaten). Sindsdien is het er zeker niet op gebeterd. Mijn pijnlijkste blunder was waarschijnlijk deze – ik had een zeer goede en complexe partij achter de rug en was een ongelijk (maar makkelijk te winnen) lopereindspel aan het uitschuiven. Zegezeker bood ik mijn tegenstander dan nog zelf de enige redding op een zilveren plaatje aan...


Na die partij (het was de negende ronde in interclub), heb ik mij de volgende twee ronden laten vervangen – het was een beetje hard aangekomen.
Ook op het hoogste niveau komen blunders voor. In het Nederlandse taalgebied heeft Donner de blunder van Ivkov tegen Garcia in het tornooi van Havana 1965 onsterfelijk gemaakt. In moderne tijden kijken we wel eens naar internet en als wijze les voor ons allen staat dé blunder van de voorbije Olympiaden op video. Je ziet Georg Meier gewoon instorten na het uitvoeren van zijn zet (dameverlies). Tragisch, maar een spiegel voor wie ooit al heeft geblunderd en voor wie het nog moet doen. En de allergrootsten hebben het ook al achter de rug: Petrosian verloor zijn dame in één zet tegen Bronstein, Euwe verloor een stuk tegen Lasker, Kasparov blunderde tegen Polgar, maar zette zijn paard dan maar op een ander veld, Kramnik liet zich mat in één zetten tegen Fritz, Anand tegen Adams nog niet zo lang geleden en zo kunnen we nog wel en tijdje doorgaan. Je hebt blunders in maten en gewichten. Wat voor Carlsen een blunder is, is voor een modale schaker nog een aanvaardbare, misschien zelfs goede zet. En een blunder kan zelfs de partij winnen, gewoon omdat de tegenstander “gelooft” dat het verdict nu wel gevallen is. Een bekend staaltje in Belgenland is de partij Kortchnoi-Van der Stricht. Ik verwijs hiervoor naar de site van Tim Krabbé, die er nog een mooi verhaaltje rond breide.
Dubbele blunders komen ook voor en daar heb ik er weer een paar uit de eigen bibliotheek van. In één partij knoei ik met zwart zozeer dat ik besluit om mijn dame te geven tegen twee stukken. Uit boosheid op mezelf speel ik de partij als straf verder. Wit weet niet wat aangevangen met zijn voordeel, ziet dreigingen die er niet zijn en ziet dreigingen niet die er wel zijn. Het gevolg is dat hij op zijn beurt de dame verliest met een blunder – maar dit keer voor slechts één stuk. Of hoe je nooit te vroeg mag opgeven.
In correspondentie overkwam me eens iets bizars in een interland tegen Nederland. In de twee partijen van zo’n mini-match blunderden zowel ikzelf als mijn tegenstander een volle toren als witspeler. Als toeval kan dat ook tellen. Maar een blunder hoeft natuurlijk niet de partij te verliezen, zoals het verhaal hierboven aantoont. Zo ongeveer de strafste comeback die ik ooit in een partij maakte was om na weer eens een mislukte aanval de rest van de partij met een volle toren achter te spelen en te winnen (iets wat ik trouwens twee keer presteerde). Het is eigenlijk vooral komisch wat er gebeurt, want qua spelniveau stelt het niets voor.


Zijn blunders te vermijden? Deels wel denk ik, maar niet in tijdnood weliswaar. Vooral zelfdiscipline en een goed omlijnd denkproces lijken me factoren waar het op aan komt. Het is me zelfs eens overkomen dat ik over twee gelijkaardige zetten nadacht, en toen ik besloten had om de ene te doen, mijn hand de andere deed. Dat lijkt onnozel, maar kan verklaard worden als volgt. Je denkt lang na, varianten stapelen zich op, tot zich een beeld vormt van de goede zetten die overblijven. De goede zet wordt geselecteerd en dan is er de overgang van abstract denkproces naar het concrete uitvoeren van de zet. Daar loopt het bij mij dus al eens mis; die finale check van “ik ga die zet nu uitvoeren + is dat nu echt de goede zet en zit er geen adder onder het gras eenmaal mijn stuk op dat veld staat” wordt soms niet uitgevoerd en pas na het uitvoeren van de zet zie je die concrete tegendreiging die je tegenstander had. En om blunders in tijdnood te vermijden, tja, sneller spelen zeker. Dat het spelniveau dan lager is, wel, schaken is een sport met een tijdslimiet, geen schoonheidswedstrijd – dan speel je beter correspondentie, of niet?

HK5000

donderdag 18 april 2013

Copycats

Minder ervaren spelers vond ik in mijn blogartikeltje ambities een respectvolle en eerlijke woordkeuze. De stelregel dat het 10.000 uren duurt om een bepaalde materie op een zeker meesterniveau te beheersen is wel bekend. De reden waarom het zo lang duurt, moet gezocht worden in het feit dat er heel veel te leren valt in het schaken. Er bestaan talloze mogelijke combinaties, eindspelen, positonele en strategische thema's en uiteraard openingszetten. Hoe deze kennis wordt aangeleerd is grotendeels afhankelijk van de persoon en de omstandigheden. Sommige spelers spelen erg veel zoals de regerende Belgisch kampioen Tanguy Ringoir anderen zoals mijzelf steken dan veel tijd in studie thuis. Uiteindelijk hoe je het ook draait of keert, er moet veel tijd worden gestoken in het schaken om alles aan te leren zodat we die kennis kunnen toepassen/ kopieren in onze partijen.

Uit deze inleiding zouden we kunnen afleiden dat iedereen die 10.000 uren spendeert aan het schaken zeker ook een meesterniveau moet kunnen behalen. Echter de praktijk toont aan dat de 10.000 uren een nodige maar geen voldoende voorwaarde is. Ik ken wel enkele spelers waarvan ik uit respect niet de namen zal vernoemen die deze hoeveelheid aan uren gespendeerd hebben aan het schaken maar zelfs niet in de buurt zijn gekomen van een zeker meesterniveau. Trouwens tussen de meesters zijn er ook grote niveauverschillen wat o.a. nog werd getoond in mijn vorig blogartikeltje met een kanon op een mug schieten. We moeten hieruit concluderen dat er nog iets anders is en dat heten we talent. Talent is niet iets wat je kan aanleren en geeft aan hoe efficiënt je aangeleerde kennis gebruikt. 

Een schaakpartij is voor de meeste spelers een strijd tussen 2 individuen die een krachtmeting willen doen om te bepalen wie van hen nu sterker is ofwel anders genoemd talentvoller. Ons elosysteem meet de resultaten van die krachtmetingen en geeft dus met grote nauwkeurigheid weer hoeveel talent men heeft. Nu mensen zijn van nature zo dat men zich altijd beter op de sociale ladder wil voordoen dan men in werkelijkheid is dus wordt er veelvuldig op legale wijze bedrog gepleegd. Ik spreek uiteraard over openingstheorie die soms tot op extreme diepte wordt gecopieerd om een beter resultaat te halen dan wat men anders volgens zijn puur talent zou behalen. Ik ben hier geen uitzondering op. Als ik denk een makkelijk punt te behalen met een voorbereiding of openingsanalyse dan zal ik het niet nalaten.

Persoonlijk denk ik dat mijn record betreffende copieren van (openings)zetten op 26 ligt. Dit haalde ik in mijn partij tegen Steven Geirnaert. Een eigenaardigheidje van deze sequentie zetten is dat ik ze gedetecteerd en ingestudeerd had in een half uurtje voorbereiding. In die periode had ik mijn toekomstige vrouw leren kennen en voorbereiden was toen niet iets waar ik de normale prioriteit aan gaf. Echter omdat ik Stevens repertoire vrij goed kende, kon ik toch heel gericht voorbereiden. Veel tijd heb je dus soms niet nodig om succesvol een lange ingestudeerde lijn op het bord te krijgen.

26 zetten lijkt misschien waanzinnig veel maar er bestaan heel wat voorbeelden die nog een heel stuk verder gaan. Zo werd bv. in 2009 zelfs een nieuwtje op zet 34 gekroond door NIC als 1 van de 10 beste van de Chess informant 105.

Voorbeelden van voorbij zet 40 bestaan ook maar ik kon ze niet direct traceren. Nu ik geloof met de 2 voorbeelden dat ik mijn punt duidelijk gemaakt heb. Spelers kopiëren naar hartelust zetten van andere spelers om zo betere zetten te kunnen spelen en dus beter te kunnen scoren. Terloops wil ik ook even aangeven dat het onbeperkt kopiëren van sterke zetten, gespeeld door iemand anders niet perse altijd betere resultaten oplevert. Dit werd o.a. opgegeven in mijn blogartikeltje de wetenschappelijke aanpak. Verrassen kan vaak efficiënter zijn.

Kopieren van zetten, zelfs hele partijen is dus common practice en uiteraard compleet legaal tenminste als je hiermee als individu tracht een optimaal resultaat te behalen. Een totaal ander verhaal wordt het wanneer je met je tegenstander op voorhand overeenkomt om een partij te kopiëren. Dit is matchfixing wat door meerdere fidereglementen wordt verboden. Wellicht het meest duidelijk reglement is artikel 8f "Where it is clear games have been pre-arranged, the CA shall impose suitable penalties." Toch zijn heel wat schakers vandaag nog steeds overtuigd dat dit reglement blijkbaar niet voor hen telt. Een zeer recent voorbeeldje zagen we in de partij Quentin Fontaine - Natacha Mabille gespeeld in de laatste ronde van de 18-20 Belgisch jeugdkampioenschap.

Achteraf kwam Quentin op Schaakfabriek nog tekst en uitleg geven waarom er niets mis was met die afspraak, hierbij niet beseffend dat hij een schriftelijke verklaring neerlegde van zijn bedrog. De spelers zijn nog jong dus we moeten hiermee rekening houden maar het is m.i. noodzakelijk dat we hun toch corrigeren. Men moet beseffen dat een partij meer is dan een zaak tussen 2 spelers. Een partij wordt normaal gespeeld in de frame van een tornooi. Om een succesvol tornooi te verkrijgen, is het daarom prioritair om steeds de belangen van het tornooi voorop te stellen t.o.v. de individuele. Je schrijft jezelf op voorhand in om x-aantal ronden te spelen dus als je niet door force majeure afwezig bent dan heb je ook geen serieuze reden om de laatste ronde op een normale wijze niet te spelen. Velen hechten blijkbaar nog weinig belang aan een gegeven woord.

Erger wordt het wanneer de afspraak ervoor zorgt dat hiermee de kansen op prijzengeld, titels, kwalificatie,... van anderen worden geëlimineerd of gehypothekeerd. De betrokken spelers zijn dan niet alleen onverschillig t.o.v. de verplichtingen maar bovendien generen zich niet om eigen profijt te forceren ten nadele van anderen. Het zal de lezer dan ook niet verwonderen dat ik pleit voor een kordaat optreden door de wedstrijdleiding als de bewijslast voldoende is.

In bovenstaand voorbeeld is de bewijslast uiteraard voldoende want we hebben een geschreven verklaring van 1 van de spelers. Echter ik meen dat we ook zonder zulke verklaringen voldoende bewijzen kunnen hebben. Ik zeg kunnen want in sommige gevallen is het volstrekt onmogelijk om te weten of er afgesproken is of niet. Bepaalde remisepartijtjes zijn erg bekend en wijdverspreid in het repertoire van velen. 1 voorbeeldje gaf ik in mijn blogartikeltje wit kiest al in de opening een remisevariant. Wanneer zeldzame en vooral langere remisepartijen worden gekopieerd dan is het wel mogelijk om research te doen. Via de databases is snel terug te vinden of de remisepartij in het repertoire past van beide spelers en indien niet dan zullen de spelers toch met een heel goede uitleg moeten komen om te verkaren hoe ze die partij op een legale wijze hebben kunnen construeren.

De spijtige conclusie van foute copycats is dat we ze eigenlijk maar kunnen pakken als ze zelf geen rekening hebben gehouden met de pakkans. De enige mogelijkheid die ik zie om afspraken op voorhand te vermijden is ervoor te zorgen dat de paringen slechts 1 minuut voor aanvang bekend worden gemaakt, bovendien communicatie strikt verboden is en alles met het nodige toezicht kan worden gecontroleerd. Absoluut geen prettige maatregelen maar misschien toch te overwegen voor een laatste ronde waar zo vaak onfrisse zaken gebeuren  (zie blogartikel Afgesproken resultaat in open Gent of niet).

Brabo

zondag 14 april 2013

Met een kanon op een mug schieten

Recent kreeg ik op mijn blogartikeltje de favoriet heeft honderden punten meer de vraag waarom een sterkere speler een clubkampioenschap zou meespelen waarin de tegenstanders 300 punten minder hebben. Voor mijzelf heb ik die vraag al beantwoord in het artikeltje. Hierin gaf ik o.a. aan dat competitieritme 1 van de belangrijkste redenen was om mee te spelen. Zoiets lijkt misschien vreemd maar ik ben ervan overtuigd dat zelfs spelen tegen spelers 300 punten lager gekwoteerd nog steeds veel beter is dan helemaal niet te spelen voor de vorm. Daniel Sadkowski, mijn ploeggenoot kwam dit seizoen in het gros van zijn interclubpartijen in tijdnood en verloor vaak gewonnen punten. M.i. moet de reden voornamelijk worden gezocht in het feit dat hij dit jaar niet het clubkampioenschap van Oude God speelde (wat hij het jaar voordien nog had gewonnen met de perfecte score van 16/16) of andere competities en hierdoor duidelijk ritme tekort kwam.

Ik kan mij best voorstellen dat er nog andere redenen zijn om als amateur toch een klubkampioenschap mee te spelen waarbij je honderden punten meer hebt dan de tegenstanders. Sommige spelers zijn opgegroeid in een club, hebben er een sterke band mee en verkiezen om de clubavonden daar door te brengen. De clubavonden bestaan tenslotte uit meer dan de partij te spelen. Misschien wordt een aantrekkelijke prijs aangeboden aan de winnaar van het klubkampioenschap. De clubavond valt op een aantrekkelijke weekdag wat niet het geval is bij andere clubs uit de omgeving. De speler is niet ambitieus meer en wil gewoon rustig en relax kunnen spelen met een remise steeds in de hand. .... Er zullen wel nog andere serieuze en minder serieuze redenen zijn maar ik kan in elk geval begrijpen dat iemand uiteindelijk beslist om als torenhoge elofavoriet toch mee te spelen.

Toevallig stond ik dit seizoen eens 2 keer aan de andere kant van de lijn. In 2 opeenvolgende ronden interclub werden mij totaal onverwacht 2 sterke grootmeesters met meer dan 2600 elo voorgeschoteld, dus dik 300 punten meer dan mijzelf. Het spreekt voor zich dat zulke grootmeesters enkel spelen tegen betaling . Het is crisis voor iedereen dus te kieskeurig bij het accepteren van opdrachten kunnen zelfs zulke sterke grootmeesters tegenwoordig niet zijn. 

In de eerste partij kreeg ik de sterke Roemeense grootmeester Istratescu met een rating van 2645 elo tegen. In 2004 had ik in Plancoet (Bretagne) al eens tegen hem met wit gespeeld (opmerkelijk feitje was dat ik toen meer elo had en hij 40 elo minder dan vandaag waardoor het verschil minder dan 300 elo was). Ik verloor toen pas in het verre eindspel. Deze keer liep het anders want een vroege fout in de opening die ik wijt aan een gebrek aan ervaring/ voorbereiding in de opening liet mij onmiddellijk in een penibele situatie belanden.

De tweede interclubpartij was tegen de Indiër Negi Parimarjan met een rating van 2658 elo. Mijn ploegkapitein fluisterde mij nog op voorhand dat de tegenstanders verzwakt waren maar ik vermoed dat hij mijn jonge tegenstander niet kende.  Ik daarentegen herkende hem uiteraard want ik volg de schaakactualiteit via het internet op de voet. Negi was de 2de jongste grootmeester ooit (13 jaar) na Sergey Karjakin en het is een beetje verwonderlijk dat hij vandaag (bijna 7 jaren later) nog geen 2700 speler is terwijl 2 van zijn leeftijdsgenoten hier wel zijn in geslaagd. Nu iedere speler heeft zijn eigen specifieke groeicurve en het zou best eens kunnen zijn dat Negi tegenwoordig weer in de lift zit. Hij is de regerende kampioen van Azie, behaalde een gedeeld eerste plaats in het voorbije Cappelle La Grande, 1ste plaats paar weken geleden op UTD GM Invitational in Texas,... Persoonlijk vond ik deze interclubpartij van mijzelf beter gespeeld als de 1ste maar mijn tegenstander speelde vlekkeloos en zette mij al vanuit de opening onder druk met een systeempje waarin ik opnieuw helemaal geen ervaring had. Ik weet niet in hoeverre het systeempje voorbereiding was voor Negi maar feit was dat ik vooraf de toch niet-evidente schrijfwijze van mijn familienaam niet hoefde te tonen want mijn aanbod om het notatieformulier te tonen werd afgewimpeld. Mijn tegenstander was perfect op de hoogte hoe de schrijfwijze moest wat voor mij een duidelijke indicatie was dat hij zichzelf goed had voorbereid in tegenstelling tot mijzelf die op compleet andere spelers had voorbereid (het was de eerste keer dat Negi op bord 1 speelde dit seizoen maar ik zal zeker niet beweren dat het een verschil zou gemaakt hebben in het uiteindelijke resultaat) . Een suboptimale zet/plan in de opening zorgde ook hier al snel voor averij.

Beide partijen waren dus al beslist op zet 20 dus van een echte wedstrijd kan je niet spreken. Ik geef grif toe dat dit niveau gewoon te hoog is voor mij om serieuze tegenstand te leveren. Onder de 2600 elo kan ik nog wel iets doen maar eenmaal het ratingverschil oploopt tot meer dan 300 punten dan word ik op alle vlakken : opening, middenspel en wellicht ook eindspel (want daar geraakt ik zelfs niet) overklast.

Nu kan je jezelf wel afvragen wie er geïnteresseerd is om voor dit soort partijen geld te betalen. Een leuke partij voor je geld krijg je niet te zien dus het enige wat blijkbaar de sponsor interesseert is het punt binnenhalen. Volgens mij zou een 2500 elopunter dit ook moeten kunnen maar er is geld genoeg om met een kanon op de mug te schieten. Nu ik vermoed dat een +2600 elopunter ook niet meer zo duur is in vergelijking met 20 jaar geleden. Enerzijds is er de crisis waardoor minder sponsors zullen leiden tot lagere vergoedingen. Anderzijds zijn er vandaag veel meer +2600 spelers dan 20 jaar geleden waardoor naar alle waarschijnlijkheid door concurrentie de prijzen ook gedaald zullen zijn.

We zien dus een duidelijke keerzijde van de medaille die profschaak teweeg brengt. Schaken staat niet meer centraal maar individuele machtsbelangen primeren. Wellicht zullen sommigen zeggen dat ik niet zo negatief mag zijn en eigenlijk blij moet zijn om tegen zulke beroemde spelers uberhaupt een kans te krijgen. Vele amateurs zijn bereid geld te spenderen aan een simpel simultaanpartijtje tegen die grootheden en ik zit te mekkeren terwijl ik een exclusieve partij tegen hen kan spelen.

Alhoewel ik wel bepaalde topspelers volg omwille van hun repertoire of speelstijl, heb ik nooit topspelers geidoliseerd dus maakt het voor mij niets uit wie de tegenstander als persoon is. Daarentegen beschouw ik die wedstrijden toch voor mijzelf als positief maar omwille van een compleet andere reden. Elke wedstrijd ondanks het beperkt aantal zetten is gegarandeerd minstens een openingsles en als je wat geluk hebt zelfs meer. Die lessen kosten mij welgeteld 1 elopunt dus verwaarloosbaar in vergelijking met de informatie die je krijgt. Ik durf zelfs te stellen dat ik persoonlijk geen problemen ermee zou hebben om alle 11 ronden tegen zulke tegenstanders te spelen. Een score van 0/11 zou wellicht mijn deel zijn maar de score is voor mij nooit de enige drijfveer geweest om te schaken.

Brabo