maandag 24 februari 2014

Oude wijn in nieuwe zakken

Op Quality chess staan geregeld leuke blogartikels om zo verkeer te creëren, reclame te maken voor hun producten en uiteraard uiteindelijk meer te kunnen verkopen. Men gaat hierbij met opzet geen controversiële onderwerpen uit de weg. Zo werd recent een leuke partij uit de Belgische interclubs uitgelicht, zie blog. In ronde 8 van de Belgische interclubs scoorde oud-Belgisch kampioen Bruno Laurent een sensationele overwinning op de bekende IM Cemil Gulbas. In een glasheldere partij met ongelooflijke offers werd zwart in een luttele 23 zetjes tot opgave gedwongen. Echter al snel werd opgemerkt dat alles tot zet 16 reeds in 2012 was gespeeld in de partij Ivanisevic - Dzhuaev en de verbetering tot de slotzet allemaal de eerste keuze zijn van de huidige topprogramma's. Nee geen nieuw geval van bedrog maar wel een modelvoorbeeld van een geslaagde partijvoorbereiding zoals ik al eerder enkele had getoond in mijn artikeltje de sterktelijst. Zwart had de opening al eerder gespeeld en Bruno heeft uiteraard een fijne neus om hiervan te profiteren.

Tot zover leuk om te weten maar niets aanstootgevend. Echter dan claimt de auteur, de Schotse grootmeester John Shaw dat Cemil makkelijk de nederlaag had kunnen vermijden als hij zijn repertoire up to date had gehouden. Nu dat vind ik wel erg kort door de bocht zeker als jezelf nauwelijks nog speelt (4 partijen voor fide in het afgelopen jaar). Als je enkel de partijen van twic volgt dan moet je al elke week meer dan 1000 controleren of er iets relevants vermeld staat. De relevante partijen (gemiddeld 10?) moet je daarna nog screenen met een engine om verbeteringen te vinden. Nu twic is niet de enige bron van info. Je hebt correspondentieschaak, boeken, sites, ... Mijn ervaring leert mij dat bitter weinig amateurs up to date zijn met hun repertoire. Ik heb hiervan al meerdere malen geprofiteerd, zie o.a. mijn blogartikels iccfrevolutie in het millenniumzwitsers gambiet, ... Up to date zijn (en hierbij bedoel ik nog geen perfecte kennis maar tenminste de partijen kennen die recentelijk op grootmeesterniveau zijn gespeeld) is iets wat niet alleen een continue inzet vergt maar ook een enorme doorzetting want het is vaak saaie materie. Zelfs profspelers slagen er geregeld niet in wat je o.a. kunt zien in de partij Sergei Zhigalko - Pavel Pankratov gespeeld in het net beëindigde Bronstein Memorial, gewonnen door de Georgische topgrootmeester Jobava Baadur en waarin onze bekende Armeense speler Mher Hovhanisian een 2de grootmeesternorm scoorde.

Men maakt mij dus niet wijs dat een repertoire up to date houden makkelijk haalbaar is. Ik durf zelfs stellen dat je het als amateur met een beperkte vrije tijd voor het schaken gewoon kunt vergeten. Nu om succes te hebben met een opening, hoeft het niets steeds nieuw en spectaculair te zijn. Soms is een oud vergeten variantje afstoffen ook voldoende om een klinkende overwinning te scoren. Dit recept werd in de 4de interclubronde gebruikt door mijn Litouwse tegenstander Sarunas Sulskis. Desalniettemin nam hij wel een (berekend?) risico want hij had het al een keertje eerder gebruikt in 2009 tegen de Litouwse IM Mindaugas Beinoras en die partij had ik ook gezien tijdens de voorbereiding. Echter door de ellenlange spelerslijsten (zie de sterktelijst) moest ik keuzes maken en zo kwam het dat ik de prioriteit gaf aan het bekijken van andere meer tactische openingen.

Achteraf vertelde mijn vriendelijke tegenstander dat niemand minder dan oud-wereldkampioen Robert James Fischer dit concept vele keren heeft gespeeld en dus zeker punch bevat. Het is te zeggen met een belangrijk nuance wat Fischer speelde het pas na Pbd2. Echter Sarunas koos voor onmiddellijk ruilen omdat hij had gezien in de voorbereiding op het vliegtuig van Litouwen naar België dat ik altijd Pbd2 beantwoordde met cxd4 waarna het concept niet meer mogelijk was. Echter door een vroeg ruilen krijgt zwart wel extra mogelijkheden maar dat had wit er wel voor over om mij snel op onbekend terrein te krijgen. Nu erg uitgebreid kan de voorbereiding van wit niet zijn geweest want anders had hij zeker de verbetering op zet 17 moeten kennen die door jawel niemand minder dan Fischer werd gespeeld.

Ook heel wat amateurs kennen uiteraard de waarde van het verrassen met oude openingen. Koningsgambieten, Aljechins, ... zijn openingen die ook vandaag nog erg populair zijn in de club. Echter het kan ook erg fout gaan als er een sterke ambitieuze speler voor je zit die niet alleen zich bezighoudt met de recente ontwikkelingen in de theorie maar ook tijd investeert in het studeren van de klassiekers. Onderstaand verhaal werd al kort verteld op het fefb forum door GM Luc Winants maar ik vermoed dat het voor de meesten onbekend is en best nog wel wat beter ingekleed kan worden.

Sommige bronnen vertellen dat de sterke Amerikaanse schaker Frank Marshall zijn 'Marshallgambiet' had gereserveerd speciaal voor de oud-wereldkampioen Jose Raul Capablanca. In 1918 introduceerde en verraste Marshall met dit gambiet Capablanca maar het werd een afknapper want Capablanca verdedigde zich briljant en won de partij die een klassieker werd.

De partij werd ontelbare keren geanalyseerd, ook door Kasparov in zijn boek Garry Kasparov on my Great Predecessors, Part 1. Kasparovs serie hebben hem geen windeieren gelegd want vele schakers hebben ze deels of compleet in bezit (zelf heb ik ook al enkele delen hier vermeld, zie de neo scheveningenkasparovs pircde invloed van wks op openingen). Het is dan ook niet verwonderlijk dat er spelers stukken uit die boeken gebruiken om in de praktijk zelf eens te proberen. Zo greep de Belgische FM Ruben Akhayan naar ditzelfde gambiet voor zijn interclubpartij in ronde 5 tegen de sterke Nederlandse IM Twan Burg.

Het is zeker niet mijn bedoeling om te lachen met de zwartspeler maar hoe wit erin slaagt om de analyses van Kasparov te verbeteren is op zijn minst opmerkelijk. Minder vreemd wordt het als ik vertel dat de witspeler ook een gedreven correspondentiespeler is en zelfs recent een SIM-norm scoorde. Jonge sterke bordspelers die zich nog zo kunnen inzetten voor correspondentieschaak zien we niet vaak. Als dit dan handig wordt uitgespeeld op schaaksite dan wordt plots een winst van 18% nieuwe leden in correspondentieschaak opgetekend na jaren van dalende interesse.

Het opdienen van oude wijn in nieuwe zakken is dus niet risicoloos. Nu sommigen zullen het onzin vinden maar ik vind dat het wel iets extra heeft om af en toe eens een oude klassieker te volgen en zo je eventjes te laten voordoen als 1 van de schaakkampioenen. Deze dimensie kan chess960 zoals onlangs in Moskou werd gepropagandeerd nooit ons geven.

Brabo

dinsdag 18 februari 2014

Het Wilde Westen

Bij het selecteren van clubs of tornooien heb ik altijd rekening gehouden met 3 parameters:
  • afstand: Hoeveel tijd ben ik onderweg en moet ik eventueel overnachten?
  • tegenstanders: Zal ik interessante partijen kunnen spelen dus maak ik een goede kans om iets bij te leren?
  • data: Kan ik het makkelijk plannen of welke offers moet ik hiervoor brengen?
Vandaag met een jong gezin ben ik uiteraard veel minder flexibel betreffende data en afstand t.o.v. een decennium geleden toen ik zelfs voor 2 partijtjes naar het Zuiden van Frankrijk wilde rijden. Echter door enkel in België te spelen, krijg je ook veel minder kansen om interessante partijen te spelen dus moet je wel wat water in de wijn doen. Dit doe ik ook maar er zijn grenzen aan zoals beschreven in het artikeltje inactiviteit.

Dat niet iedereen dezelfde criteria hanteert om een keuze te maken, is mij wel bekend. Profschakers gaan uiteraard kijken wat er in het laatje komt. Welke vergoedingen of prijzen kunnen ze verdienen? Sommige spelers vormen een hechte vriendengroep waar zelfs verhuizingen van 100 km of meer nog geen bres kunnen inslaan. Tenslotte heb je ook spelers die graag deel uitmaken van een sterke club met een zekere uitstraling. 

Een logische stap is dan ook om vast te stellen dat clubs en tornooien keuzes maken. Deze keuzes worden gemaakt in hun besturen die vanzelfsprekend veelal bestaan uit gelijkgezinde schakers die aan eenzelfde zeil trachten te trekken. M.a.w. in tegenstelling met mijn oude zienswijze, ben ik er mij bewust van dat er meerdere succesvolle formules bestaan om spelers aan te trekken en te bekoren. Je gaat dus van mij geen slecht woord meer horen van clubs die met profspelers spelen tenminste als het niet ten koste gaat van andere zaken. Daar ligt uiteraard het addertje onder het gras want spijtig zien we in onze 1ste klasse van de Belgische interclubs dat heel wat topclubs op de lijntjes lopen om toch maar met een minimumbudget, een maximaal rendement te bereiken. 

De ellenlange sterktelijsten heb ik al veelvuldig aangeklaagd zie bv. mijn artikeltje de sterktelijst waardoor je als amateurspeler nauwelijks de kans krijgt om voor te bereiden tegen een Belgische topclub in de interclub. Ook dit jaar was het niet beter want er werd opnieuw duchtig geroteerd. In de 5de ronde kon ik zo tevergeefs 10 uren voorbereiding weggooien want Luc Winants had ik niet als mogelijke tegenstander beschouwd. Luc had in de voorbije 15 interclubronden (dus jawel ik had het vorige jaar ook in beschouwing genomen) geen enkele keer op bord 2 gespeeld. Op alles en iedereen kan je jezelf niet voorbereiden zelfs als je 10 uren gebruikt dus moet je keuzes maken. Tja sommigen zullen denken dat het erbij hoort maar sommige topclubs hebben echt geen enkele schaamte meer. Zo moet je eens kijken naar het scorebord wanneer 2 zulke topclubs elkaar ontmoeten.
8 remises is niet iets wat je elke dag ziet maar is evenmin onmogelijk. Als we kijken naar de 8 partijen waaronder ik 1 voorbeeldje geef hieronder dan begrijpen we dat er meer aan de hand is.

Er zijn geen harde bewijzen van ongeoorloofde afspraken op voorhand maar men moet mij evenmin vertellen dat alle 16 spelers geen zin hadden om een normale partij te spelen. De arbiter stond er naar te kijken maar kon niets verkeerd vaststellen. Ik vraag mij af hoeveel arbiters hiervoor hun vrije dag nog willen opofferen. Nu dat is nog niet alles. Hieronder geef ik je de opstellingen weer van 2 topteams tegen Deurne. Eerst de ronde 5 tegen Wirtzfield.
Hierna de ronde 9 tegen Amay.
De opgave zou makkelijk kunnen komen uit een schooltaak van mijn dochter: "Wie hoort niet in het rijtje thuis?"  Makkelijk uiteraard want het 8ste bord van beide topteams valt helemaal uit de toon. Puur toeval dat er net een sterke speler afbelde en op het laatste moment moest worden vervangen. Tja en dat gebeurt nu enkel in de wedstrijd tegen Deurne. De eerste vervanger dat Wirtzfield vond, staat pas op de 56ste plaats. Amay deed iets beter en liet speler 34 van hun rangschikking opdraven. Dat er in de lagere teams vele spelers met hogere ratings meespeelden in dezelfde interclubronde is onbelangrijk. Kortom het is voor mij duidelijk dat beide ploegen centen wilden sparen en het voldoende achtten om 7 sterke borden op te stellen om de match te winnen (1 van de nadeeltjes door het wijzigen van bordpunten naar matchpunten). In Frankrijk heeft men om dit soort fratsen te vermijden in hun hoogste afdeling beslist om een minimumrating van 2000 elo te hanteren, zie Reglements 3.7.

De reglementen laten het allemaal toe maar een promotie van het schaken is het in elk geval niet. 1ste klasse lijkt vandaag op het Wilde Westen als ik de beschrijving gebruik van een ploeggenoot. Wie is er verantwoordelijk voor deze spaghetti en wie moet er actie ondernemen? In een reactie op chessvibes brengt een fide-afgevaardigde een niet te missen boodschap: "I do not think it is Fide, it is the responsibility of national federation."

2 jaar geleden heb ik op mijn blog reeds enkele problemen aangekaart, zie interclubcompetitie of interploegcompetitie. Vorig jaar werd in de bav van 1 juni 2013 een poging ondernomen om nieuwe wedstrijdreglementen te introduceren maar zonder succes wegens een slecht uitgewerkt dossier. Daarna ondernam ik zelf een poging door een sterk afgeslankt voorstel eerst af te toetsen bij enkele clubs. Minstens 4 eerste klasse clubs ondersteunden schriftelijk mijn voorstel om 1 jaartje in 1ste klasse toe te laten tot 100 elopunten te roteren maar het bondsbestuur liet niet eens toe om erover te stemmen op de A.V van eind vorig jaar. Voorlopig zijn de mogelijkheden dus uitgeput en kan ik niet meer dan sensibiliseren. Misschien over 1 a 2 jaar wanneer de mandaten van enkele bestuursleden aflopen, gaan opnieuw enkele deuren open. Volgend jaar zijn we met Deurne alvast verlost van de mikmak want onze degradatie staat al vast. Sterkte gewenst aan de overblijvende amateurploegen in 1ste afdeling !

Brabo

woensdag 12 februari 2014

Mode

Dat ik bij het studeren van openingen aandachtig kijk naar wat de (sterke) grootmeesters spelen, heb ik al verteld in mijn artikeltje analyseren met de computer. Echter de keuze van welke openingen blijft voor mij een puur individuele aangelegenheid. Trouwens die keuze ligt al min of meer 20 jaar voor mij vast (zie het artikeltje de volgorde). Zelfs een variant wordt slechts vervangen als er geen reparatie meer mogelijk is (voorbeelden op mijn blog zijn hollandse stappen in de engelse opening , de valse waarheid ). Dit past allemaal in de filosofie van de wetenschappelijke aanpak maar de meeste spelers spelen het spelletje heel wat competitiever. Er wordt regelmatig veranderd van openingen om niet te voorspelbaar te worden.  

Dit betekent uiteraard voortdurend op zoek zijn naar nieuwe speelbare openingen. Als amateur heb je veelal noch de tijd, noch de zin om al het noodzakelijke onderzoek te doen dus ga je kijken wat de grootmeesters vandaag op hun repertoire hebben staan. Het spreekt voor zich dat hoe sterker de grootmeester is, hoe meer spelers aangetrokken worden door dit repertoire. Als een absolute topgrootmeester een opening op zijn repertoire zet die bovendien ook nog makkelijk inzetbaar is voor de amateur (en/ of prof) dan zien we soms een kettingreactie. Een aantal spelers pikken het op en hun tegenstanders zijn zo onder de indruk dat ze het op hun beurt in hun repertoire opnemen. Als dan nog na enige tijd blijkt dat zwart een plusscore kan voorleggen op meester-niveau dan is het hek helemaal van de dam.

Sommige slimme lezers zullen het ondertussen al door hebben dat ik het deze keer wil hebben over het Aronian systeem of ook wel de Cozio defense deferred genoemd. 5 jaren geleden werd het nog als een zonderlinge variant bekeken maar vandaag hebben heel wat (sterke) spelers dit systeem in hun repertoire. Het systeem heeft dan ook enkele unieke eigenschappen. Vooreerst biedt het een onmiddellijk antwoord op het Spaans, nog steeds geacht als het belangrijkste wapen voor de witspeler na e5. Dus het valt in dezelfde categorie van openingen zoals het Schliemanngambiet of het Berlijns. Bovendien kan je de opening spelen via tal van zet-volgorden. Toen Aronian het systeem begon te spelen in 2009, koos hij voor de volgorde 1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Lb5 Pge7 4.0-0 a6 5.La4 g6 6.c3 Lg7. Echter al snel ontdekte men dat het ook mogelijk was om eerst a6 te spelen of zelfs g6. Al deze permutaties betekenen het toelaten of uitsluiten van bepaalde nevensystemen. Ik ken niet de gevoeligheden maar ik weet wel dat sinds 2011, Aronian overgestapt is naar de volgorde 1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Lb5 a6 4.La4 Pge7 enz waardoor dus opnieuw de afruilvariant van het Spaans wordt toegelaten maar dus ook wellicht enkele vervelende varianten (snel d4?) worden vermeden. De impact van die overstap zien we bijvoorbeeld duidelijk als ik in een tijdslijn de populariteit (aantal partijen per jaar met een speler van +2300 elo in mijn database) van deze specifieke volgorde toon.
Populariteit 1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Lb5 a6 4.La4 Pge7
Ook eind vorig jaar in het Europees landenkampioenschap (waar Bart grootmeester werd) zagen we meerdere partijen met deze opening. Vooreerst wil ik een pareltje tonen van Aronian die het witte experiment hardhandig weerlegt.


Lezers die mijn blog al een tijdje volgen zullen zeker begrijpen dat ik helemaal niet verrast ben dat ook onze Belgische topspeler Tanguy Ringoir deze opening in zijn repertoire heeft opgenomen. Ook hij is een echte supporter geworden wat uiteraard versterkt wordt als je partijtjes wint zoals onderstaande. 

Nu hij is bijlange niet de enige Belg die deze trend volgt. Zo zag ik nog in de voorbije interclubronde de opening succesvol gespeeld door GM Luc Winants. Andere bekende Belgen (of ruimer genomen met sterke Belgische banden) die het ook spelen zijn o.a. FM Hans Renette, IM Koen Leenhouts, FM Michel De Wit en Roel Goossens. Over de laatste speler in de rij wil ik even uitweiden want hij speelde een dijk van een tornooi in de voorbije Open Leuven en miste slechts op een haartje de tornooioverwinning (zie de eindstand). In onze onderlinge partij was ik sterk onder de indruk van zijn spel want ik mag van geluk spreken dat ik uiteindelijk remise kon behalen. Ik moet wellicht niet vertellen dat het de Aronian-variant betreft zeker?

De voorbeelden tonen stuk voor stuk allemaal aan dat zwarts opening heel wat potentieel heeft. De scores van zwart zijn bijzonder goed wat we bijvoorbeeld kunnen zien uit een screenshot van mijn openingsboek. Echter hierbij moet ik ook eerlijkheidshalve opmerken dat zwart veelal de hogere elo heeft.
Wit scoort slechts 47,1% na Pge7 !



De popularisering draait alvast op volle toeren want bijvoorbeeld in een recent boek Dangerous Waepons: The Ruy Lopez geschreven door de Engelse GMs John Emms, Anthony Kosten en de Engelse IM John Cox staan er maar liefst 30 pagina's gewijd aan de opening.
Echter het blijft koffiedik kijken of het een modeverschijnsel is of toch meer wordt. Ik verwacht in elk geval niet dat de opening ooit dezelfde omvang zal krijgen zoals het Berlijns. Of de opening een vaste plaats zal krijgen in een grootmeester-repertoire zal veel afhangen of er weerleggingen gevonden zullen worden of minder scherp gesteld lastige varianten. In mijn analyses van mijn partij tegen Roel kan je een mogelijk pad zien waar enig voordeel kan worden gevonden. Ik geef wel toe dat het erg complex is maar ik heb reden om optimistisch te zijn want ik vond achteraf terug dat Tony Kosten dit concept ook aanstipt in zijn boek.

Nee ik heb dit boek (nog) niet aangekocht maar ik vond toevallig bij het voorbereiden van dit artikeltje dat er een review op Chesscafe stond die jawel net dit idee besprak. Wellicht heb ik dus opnieuw het wiel uitgevonden maar dat is nu eenmaal het lot van een schaker die geen boeken (enkele uitzonderlijke leesboeken buiten beschouwing latend) koopt en voornamelijk zich baseert op eigen analyses.

Brabo

Addendum 14 februari 2014
Vass slaagde erin om een "model"partij terug te vinden in zijn databases, zie chesspub met het idee dat ik aanbeveel in bovenstaand artikel.

dinsdag 4 februari 2014

De gelukzak

In Vlaanderen blijft het wachten op de winter want met maxima-temperaturen t.e.m. 10 graden is het uiteraard veel te warm voor de tijd van het jaar. Sneeuw hebben we dus hier nog niet gezien waardoor het altijd extra aantrekkelijk is om de jaarwisseling in het veel koudere Rusland bij familie en vrienden van mijn vrouw door te brengen. Ufa ligt ongeveer 500 km ten Westen van Siberië dus sneeuw is gegarandeerd. Afhankelijk van de buitentemperaturen gaan we dan geregeld buiten op stap met de kinderen. We hadden geluk want pas toen we terugkeerden naar België zakte het kwik met 20 graden naar -30. Dus tijdens ons verblijf viel het reuze mee en konden de kinderen naar harte lust spelen in de sneeuw, glijden van de vele ijsbanen, lopen door een ijsdoolhof ... Omdat ik de vraag kreeg om eens wat meer foto's te gebruiken in mijn artikeltjes, heb ik hieronder eentje geplaatst waar ik mijn 2 kinderen begeleid op een ponytochtje door de sneeuw.
Op bezoek zijn in Rusland betekent ook automatisch uitdelen van cadeautjes. Om zeker niemand te vergeten proppen we bijna een koffer vol met Belgische chocola wat iedereen ten zeerste apprecieert want sommigen bestellen al onmiddellijk bij voor het volgende bezoek. Eenmaal de koffer leeg wordt die opgevuld door cadeaus die wij ontvangen. Voor de kinderen komt Ded Moroz (Grootvadertje vorst) met allerlei snoep en speelgoed dus te vergelijken met Sinterklaas of de Kerstman. Daarnaast is er tijdens de feestdagen in ons logement (bij de schoonouders) ook bezoek van familie en vrienden waardoor er opnieuw cadeaus duchtig worden uitgewisseld. Een tante van mijn vrouw bracht voor mij de meest verrassende attentie niet zozeer in materiële waarde maar omwille van de zeer gepersonaliseerde warme boodschap.
Bovenstaande foto van het object toont een stukje schaakbord met paard, toren en enkele andere omgevallen stukken dus geen twijfel dat het over het schaakspel gaat. Kijk je aandachtiger dan merk je onderaan een hoefijzer op wat duidt op een geluksbrenger. Het opschrift is in het Russisch: "желаю только побед" en betekent "ik wens je/u enkel overwinningen". Ik ben helemaal niet bijgelovig maar gewoon het feit dat iemand tijd en werk gestoken heeft om niet zoals de meesten met een neutraal cadeau te komen, apprecieer ik enorm.

Bijgeloof in Rusland is nog erg aanwezig. Veel mensen geloven er dat je je geluk gunstig kunt beïnvloeden door bepaalde onzichtbare krachten te respecteren. Het is een gevoelig onderwerp. Makkelijker en concreter is om te kijken wat we zelf kunnen doen om onze kansen te verhogen. In dit artikeltje wil ik het dan ook hebben over hoe we onze winstkansen in een partij kunnen verbeteren. Het is een onderwerp dat ik voor een stuk al heb aangesneden zie bv. hoe winnen van een sterkere speler waarin ik o.a. de chaos-theorie heb uitgelegd. Echter deze keer bekijk ik het vanuit het standpunt van de sterkere speler.

Net het omgekeerde doen van wat de zwakkere speler tracht te verwezenlijken is iets te simpel. Uiteraard helpt het om hun strategie te dwarsbomen maar er is meer wat de sterkere speler kan doen. Een sterkere speler rekent beduidend sneller en beter. Dit kan maar hoeft niet perse op basis te zijn van een betere patroonherkenning. Er valt dus zeker iets te zeggen om als sterkere speler meer rekenwerk in een partij te steken tenminste met die verstande dat het geen chaos wordt en dus grote (verliezende) fouten vermeden kunnen worden. Als we dan vandaag ook nog rekenschap houden dat een superieure openingskennis al lang geen garantie meer is voor de sterkere speler met de alom beschikbare databases en openingsboeken dan valt er zeker iets te zeggen om theorie zo vroeg mogelijk te vermijden.

Allemaal mooi en wel zullen sommigen denken maar hoe werkt dit in de praktijk? De commentaar van Bruno op mijn artikeltje spelen op de man omschrijft deze visie het best: " Dat je op vele plaatsen kan afwijken van de theorie wil ik ook best geloven. Dat het eenvoudig is om zulke varianten te vinden die ook nog passen bij je speelstijl en die niet leiden tot droge stellingen geloof ik minder." Het is een terechte opmerking/vraag waar meer dan een eeuw al spelers hun tanden stuk hebben op gebeten. Zo kwam ex-wereldkampioen Jose Capablanca al in 1920 met zijn eigen variant van het schaakspel door 2 kolommen toe te voegen met enkele nieuwe stukken. Ex-wereldkampioen Bobby Fischer introduceerde op zijn beurt dan weer Schaak 960 of Fischer Random Chess wat een variant is op het al oudere shuffle-schaak. Bij deze oplossingen vertrekt men steeds vanuit het standpunt dat het top-schaken geen toekomst meer heeft en zal sterven aan een langzame remise-dood. Kasparov lacht met de kortzichtigheid van Capablanca in zijn boek Garry Kasparov on my Great Predecessors, Part 1 maar maakt iets later een gelijkaardige fout door te stellen dat hedendaags topschaak pas begint na heel wat theoriezetten. Anders geformuleerd blijft er vandaag na het verplicht spelen van alle theoriezetten op topniveau nog slechts een beperkte (oninteressante) partij over waar men op eigen kracht speelt. Ik meen dat net daarom een decennium geleden het speeltempo is opgedreven om de spektakelwaarde terug te vinden.

In 2004 werd dit boek door Kasparov op de markt gebracht en toen was dit inderdaad de norm. Echter eind 2011 kwam er voor het eerst duidelijk een breuk in deze zienswijze toen aangetoond werd in een artikel op Chessbase dat de huidige topspelers plots gemiddeld veel minder theorie spelen dan hun voorgangers. Onderstaand grafiek toont de diepte van het gemiddeld nieuwtje t.o.v. de tijdlijn.
Bron Chessbase
Het tijdstip van deze ommekeer is natuurlijk verbonden met de opkomst van Carlsen. Carlsen toonde aan de schaakwereld dat je wel degelijk iedere schaker kunt verslaan zonder te buigen op een dominante openingskennis wat schril in contrast staat met zijn voorgangers. Ik geloof na het behalen van de wereldtitel dat ook de laatste ongelovigen (zie de wetenschappelijke aanpak) nu zullen toegeven dat ze onterecht zijn aanpak bekritiseerd hebben als inefficiënt en gebaseerd op geluk.

Om partijen te winnen, moet je de tegenstander onder druk zetten (dit werkt zelfs in wereldkampioenschappen). Carlsen toont vandaag aan dat je minstens even succesvol (en dat is wellicht te zwak uitgedrukt) kunt zijn met het toepassen van een minder grote maar meer langdurige druk. De druk is minder groot omdat het niet uitgaat van super-menselijke openingen (vandaag vooral intensief op voorhand gecreëerd met behulp van computerprogramma's) maar eerder gebaseerd is op de eigen speelsterkte. Echter door veel sneller van de theorie af te wijken en bovendien te kiezen voor stellingen waarin veel mogelijkheden zijn, wordt de tegenstander verplicht veel meer denkwerk aan het bord te verrichten. Als je i.p.v. zet 20 al op zet 10 uit boek bent dan heb je bij een gemiddelde partij van 40 zetten een 50% verhoging van het aantal zetten die je zelf moet bedenken.

Een sterkere speler zal dus makkelijker het verschil kunnen maken als meer denkwerk aan het bord moet worden verricht. Echter door ons huidig speelritme is er nog een 2de element die een belangrijk rol speelt in het succes van deze aanpak. De bedenktijd die men krijgt, hangt voor de eerste 40 zetten niet af van hoeveel zetten men zelf moet over nadenken. M.a.w. met die aanpak worden de meer klassieke spelers gedwongen om af te stappen van hun normale meer langzame tijdsverbruik om tijdnood te vermijden. Van Carlsen wordt gezegd dat hij sneller speelt dan zijn meeste tegenstanders maar hij houdt er gewoon beter rekening mee dat zijn type spel meer beslissingen zal inhouden. Hierbij mogen we niet vergeten dat deze strategie nog versterkt wordt als je ook technisch sterker bent dan de tegenstander en dus in minder bedenktijd nog steeds ongeveer evenveel kunt zien.

Carlsens eerste overwinning in het wereldkampioenschap etaleert deze filosofie zeer goed. Reeds op zet 10 komt Carlsen op de proppen met een onbekende damezet die zeker geen weerlegging is van de zwarte stelling maar wel een open gevecht garandeert. De reacties op twitter vertellen voldoende: "Dit wordt geen korte remise." en "Dit ziet er uit als een spectaculaire niet-indrukwekkende openingsvoorbereiding van het Carlsen team".

Een buitenstaander ziet fouten die Anand in een normale situatie nooit maakt en denkt foutief dat Carlsen geluk had. De Schotse grootmeester Jonathan Rowson omschreef het fenomeen op chessbase alsof Carlsen erin slaagde op een magische wijze om de talenten van zijn tegenstanders te laten verdwijnen.

Ok allemaal goed en wel maar wij zijn geen Carlsen. Bruno's commentaar: "Ik heb weinig twijfels dat ook Carlsen enorm veel werkt aan zijn openingen, al is het maar om op een goede manier te kunnen afwijken van de theorie." Daar ben ik het deels oneens mee. Het is veel makkelijker om iets speelbaar te vinden in een zijvariant dan de kritieke voortzettingen te bestuderen. Ok er moet nog steeds gewerkt worden maar het is niet meer noodzakelijk om de grote hoeveelheden theorie te studeren. Een speler die deze strategie zeker al succesvol toepast, is de sterke Armeense IM Mher Hovhanisian (wonende in België). Dat Mher geen zin heeft in theoretische debatten, kon je al lezen in mijn artikeltje een uitgebreid zwartrepertoire.

Variëren op dezelfde wijze met witte bestaande openingen zoals met zwarte bestaande openingen, heeft veel minder effect. Zwart bepaalt grotendeels welke opening op het bord komt. Het is voor mij de voornaamste reden waarom voorbereiden met zwart altijd veel sneller gaat dan met wit. Echter een voordeel van het witte kleur is dan weer dat je jezelf meer vrijheid kunt permitteren in het kiezen van de zetten. Ik bedoel een iets mindere zet leidt niet perse met wit tot een moeilijke stelling. Dit toonde Mher ook in de 5de ronde van de Open Leuven in onze onderlinge partij. Wij waren de enige overgebleven met 4/4 dus beslisten onderling wie zou verder gaan als leider. Er was weinig tijd om voor te bereiden maar dat was ook niet nodig want na het bekijken van de database had ik al snel door dat ik onmogelijk zou kunnen voorspellen wat er op het bord zou komen. Trouwens Mher deed zelfs helemaal niets vooraf. In de partij ging Mher op zet 2 reeds in de denktank, produceerde het agressieve b4 en smeet mij uit boek. Na 4 zetten stond reeds een originele interessante stelling op het bord met tal van mogelijkheden.

Achteraf vond Valery Maes dat Mher geluk had gehad met zijn overwinning maar daar kijk ik anders tegenaan. Ik maakte inderdaad een blunder die ik in een rustige situatie wellicht makkelijk kan vermijden maar het is zijn verdienste door sneller en efficiënter te spelen. Trouwens zelfs als ik de fout niet had gemaakt dan nog acht ik de kans reëel dat ik later toch nog een fout maakte onder de aanhoudende druk. M.a.w. de gelukzak heeft zijn eigen geluk gemaakt waardoor we eigenlijk nog nauwelijks kunnen spreken van geluk.

Tenslotte een zet zoals 2.b4 vergt geen enorme voorbereidingen om te spelen. Het heeft ook weinig zin om er veel werk in te steken want zwart heeft een brede waaier aan mogelijkheden en de kans dat je het geregeld kunt spelen, is al evenmin groot. Zulke zetten ontdekken is puur een kwestie van de ogen open te houden voor het niet-alledaagse. Zo kan je bijvoorbeeld detecteren in een openingsboek voor schaakprogramma's dat wit er 70% mee scoorde in desalniettemin 38 eerder gespeelde partijen . Met een open blikveld, een redelijk geheugen en vooral een flink stukje lef kom je al een heel eind ver.

Brabo