dinsdag 25 maart 2014

Camouflage

De meeste schakers doen er alles aan om de voorbereiding of superieure openingskennis van de tegenstander te vermijden. Verscheidene van deze ontwijkingsstrategieën heb ik op deze blog al besproken:
- een opening spelen waarmee nog geen partijen van jezelf in de database vermeld staan: toevalverrassen met het hollandseen hollands gambietjebelgische interclubs apotheose, ...
- erg snel afwijken van elke bestaande theorie: de gelukzak

Al deze strategieën vertrekken vanuit het standpunt dat de tegenstander best kan worden verslagen door niet het standaard repertoire te spelen. Nu hoe kun je zoiets weten op voorhand want het is erg onwaarschijnlijk dat een standaard repertoire opbouwen helemaal geen nut heeft. Een absoluut antwoord bestaat hierop uiteraard niet maar er zijn wel middeltjes om de kansen redelijk in te schatten. Van de meeste (Europese) spelers die een zeker niveau behaald hebben in het schaken, staan partijen in de commerciële databases. Gewapend met een openingsboek (zie artikeltje groene zetten) kan je snel detecteren of iemand veel of weinig theorie kent en of hij die theorie al kent bij de eerste partij of slechts na enkele gespeeld te hebben met dezelfde opening.

Voor de meeste lokale (top-)spelers heb ik vandaag uiteraard nog weinig geheimen. Ik draai ondertussen al ongeveer 20 jaar mee in het schaakcircuit en ik heb tegen de meeste Vlaamse topspelers wel al 1 of meerdere partijen gespeeld. Bovendien het laatste stukje verrassing op gebied van mijn openingsaanpak kan op deze blog open en bloot worden gelezen dus ik maak mij geen illusies. Desalniettemin zal ik evenmin beweren dat al mijn tegenstanders perfect op de hoogte zijn van deze blog en mij goed kennen. Nee zeker voor buitenlandse spelers ben ik nog vaak onbekend en die zullen daarom veel minder snel afwijken van hun standaardrepertoire. 

Bij het spelen tegen een (relatief) onbekende tegenstander zal een sterke speler trachten informatie te halen uit de ontwikkelingen in de partij zelf. Als je weet dat een tegenstander afwijkt van zijn standaard repertoire (door vooraf zijn partijen te screenen in de commerciële databases) terwijl je zelf nog niet afgeweken hebt dan mag je er bijna zeker van zijn dat de tegenstander iets voorbereid heeft. Op de blog van de Oekraïense grootmeester Igor Smirnov wordt terecht gesteld dat je vanuit competitief perspectief in zulke situatie zo snel mogelijk zelf moet afwijken van je standaardrepertoire om te vermijden dat je tegen zijn computer speelt i.p.v. de tegenstander. In het filmpje bespreekt Igor een voorbeeld. Iemand speelt uitsluitend 1.e4 maar net voor die ene partij tegen jou speelt hij 1.d4 dus erg duidelijk dat hij iets voorbereid heeft. Toevallig heb ik op mijn blog zie artikeltje schaakintuitie aangetoond wat er kan gebeuren als je in zulke situatie niet afwijkt, namelijk een smadelijke nederlaag. Je moet mijn artikeltje de wetenschappelijke aanpak lezen om te begrijpen waarom ik niet heb afgeweken.

Naast het opzettelijk afwijken van het standaardrepertoire is het ook mogelijk aan de snelheid van het zetten af te lezen of de tegenstander al dan niet op de hoogte is van belangrijke openingsinformatie. In een langzame partij zal iemand die uit boek is, tijd spenderen om een plan te vinden en zetten te produceren. Vooral in stellingen met een geforceerd karakter is het belangrijk om de kennis/ voorbereiding van de tegenstander te vermijden door tijdig af te wijken zeker als je zelf niet recent (grondig) de theorie bestudeerd hebt. Om dit laatste te vermijden in de praktijk heb ik al een aantal keren camouflage-technieken toegepast. Ik verlies met opzet bedenktijd om de tegenstander te doen geloven dat ik uit boek ben.

Zoals te verwachten wijkt de tegenstander tenslotte wel af van zijn repertoire maar ondertussen heb je wel bereikt wat je wilde, namelijk een mooi voordeeltje in de opening met veel/ voldoende tijd op de klok. Dit is iets wat je veel moeilijker behaalt zonder de camouflage. De camouflage is steeds een evenwichtsoefening. Enerzijds wil je zo weinig mogelijk tijd verbruiken om je kennis/ voorbereiding te camoufleren want de extra tijd komt van pas in de rest van de partij. Anderzijds moet je voldoende tijd spenderen om de camouflage te laten lukken. Een ander voorbeeldje was tegen Jan Van Mechelen ook in 1999.

Jan rook onraad en week uiteindelijk af waarna de schade beperkt bleef. Ik had misschien een tikkeltje meer bedenktijd moeten spenderen maar dat is natuurlijk moeilijk in te schatten. Onlangs gebruikte ik de camouflage ook met succes in de Belgische interclubs tegen de Bulgaarse grootmeester Dejan Bojkov. Tot mijn verbazing liet hij mij toe om niet alleen 22 zetten voorbereiding te spelen maar ook een openingsvoordeeltje te behalen. Ik vermoed dat mijn tegenstander mij nooit in staat had geacht om zo uitgebreid voorbereid te zijn op deze specifieke lijn. Het was slechts de 2de keer op 9 ronden dat Dejan op bord 1 speelde voor Amay en bovendien heeft hij een breed repertoire.

Alhoewel Dejan het allemaal al eerder op het bord had, spendeerde ook hij een half uur dus ik vermoed dat hij lang twijfelde om al dan niet af te wijken van de theorie. Wellicht heeft hij zelfs gezocht naar interessante risicoloze alternatieven. In elk geval vond ik het opmerkelijk en kon ik tijdens de partij nauwelijks mijn vreugde verbergen toen ik eindelijk eens loon kreeg na de vele vaak saaie uren voorbereiding thuis.

Camouflage kan dus een wapen zijn in de psychologische strijd van hoe de opening te spelen. Nu het omgekeerde blijkt ook door sommige spelers te worden toegepast. Door snel te spelen wordt geïnsinueerd dat de opening serieus werd bestudeerd terwijl in werkelijkheid dit helemaal het geval niet is. De tegenstander wordt hierdoor geïmponeerd en verkiest af te wijken van zijn repertoire. Zo zou voormalig secondant Jan Smeets over Topalov eens gezegd hebben dat Topalov altijd de opening snel speelt. Soms is het voorbereiding en soms is het bluf. De tegenstander weet het nooit (behalve de secondanten). Zie chessvibes.

Om dit soort psychologische trucs toe te passen moet je uiteraard eerst een zekere kennis hebben van de theorie. Ik ben nu wel benieuwd of er lezers zijn met gelijkaardige ervaringen en die hier willen delen.

Brabo

maandag 17 maart 2014

Theorie

Als we schaakopeningen studeren dan kijken we uiteraard eerst naar wat de theorie ons vertelt vooraleer zelf enig onderzoek te doen. Echter wat is nu precies schaaktheorie. Wikipedia vertelt ons dat het wijdverspreide literatuur is over de openingen maar dat is uiteraard erg vaag. Trouwens vandaag met het internet is gigantisch veel materiaal voor iedereen beschikbaar waardoor de definitie eigenlijk waardeloos is geworden. Een betere omschrijving zou kunnen zijn om openingstheorie als een kwalitatieve publieke databank van openingen voor te stellen. Hiermee rijst onmiddellijk een nieuwe vraag want hoe bepalen we wat voldoende kwaliteit bevat om als openingstheorie te kunnen worden bestempeld.

Een paar decennia terug was deze vraag makkelijk te beantwoorden. De kwaliteit van de openingstheorie lag toen nauw verbonden met de sterkte van de schaker. Vandaag is deze link grotendeels verdwenen. We beschikken allemaal over erg sterke schaakprogramma's die zelfs een stuk sterker bordschaak spelen dan de wereldkampioen. Iedereen kan met een minimum aan schaakkennis mits tijd en geld te investeren zeer hoogstaande analyses creëren. Ik durf zelfs een schep hier bovenop te doen dat inbreng van eigen schaakkennis t.o.v. computeranalyses vaak de kwaliteit drastisch naar beneden haalt.

Dit viel mij bijvoorbeeld erg hard op toen ik mijn analyses van Jan Rooze zijn partij in Augsburg tegen Ivan Hausner vergeleek met Jans analyses van dezelfde partij op de website van skdeurne. Kwalitatief waren mijn analyses duidelijk beter alhoewel ik nauwelijks meer had gedaan dan de partij een paar uurtjes met een schaakprogramma te bekijken. Jan daarentegen gaf achteraf toe dat hij (bijna?) uitsluitend zijn eigen analyse-vaardigheden had aangesproken. Trouwens zulke analyses hebben ook wel een charme/ educatieve waarde want zo krijg je een beter zicht op het denkproces van de (sterke) speler.

Een ander en extremer voorbeeld was de Freestyle-overwinning in 2005 door 2 amateurs Steven Cramton en Zackary Stephen met respectievelijk USCF ratings van 1685 en 1398, zie chessbase. De naam Freestyle laat verstaan dat alles toegelaten is tijdens de partij dus ook het consulteren van schaakprogramma's. Nu was hun overwinning toch een enorme verrassing want met het relatief langzame tempo (1h + 15 seconden extra per zet) werd algemeen verwacht dat de teams met grootmeesters en sterke HW toch zouden zegevieren. Achteraf ontstond zelfs een polemiek over de authenticiteit van het team waarbij de winnaars aan de tand werden gevoeld of er toch geen sterke speler stiekem had meegeholpen.

Correspondentieschaak wordt algemeen bekeken als kwalitatief het hoogst haalbare in het schaken. Toen ik ermee stopte in 2004, zie dit blogartikeltje liet ik al optekenen dat het hard werken was om schaaktechnisch iets te kunnen aanvullen t.o.v. de schaakprogramma's. Vandaag is het er zeker niet makkelijker op geworden wat recent nogmaals werd onderstreept door de nieuwe wereldkampioen Ron Langeveld. Hij is de eerste wereldkampioen in correspondentieschaak die nooit clubschaker is geweest. Het wordt nog eigenaardiger als ik vertel dat er aan de finale zelfs de sterke Braziliaanse OTB grootmeester Rafael Leitao deelnam. Zelf vertelt Ron in een interview dat schaakkennis zelfs funest kan zijn in correspondentieschaak omdat die kennis nooit compleet is. Hij geeft grif toe dat zonder engine-gebruik het onmogelijk is om zich aan de top te handhaven. Dit betekent niet dat er geen menselijke inbreng meer is maar wel dat de klemtoon bij het maken van kwalitatieve analyses verschoven is van schaakkennis naar computervaardigheden.

Ondanks deze feiten zien we vandaag nog steeds dat boeken veel beter verkopen met een sterke titelhouder (liefst grootmeester) als auteur dan zonder. Een mogelijkheid om als onbekende schaker toch iets gepubliceerd te krijgen is vaak een samenwerkingsakkoord te sluiten met een titelhouder. De inbreng van de titelhouder is vaak beperkt tot het aangeven van ideeën en het reviewen terwijl het leeuwendeel op conto komt van de onbekende schaker. Met het leeuwendeel bedoel ik alle administratieve plichten, concreet uitwerken van de layout en tekst, computerevaluaties laten maken of kortom vooral het harde en noodzakelijk labeur die bij een goed boek noodzakelijk zijn. Een aantal boeken waarvan ik vermoed dat ze in die modus gemaakt zijn, zijn The Ruy Lopez: a Guide for Black (Sverre Johnsen, GM Leif Erlend Johanessen) ; Win with the Stonewall Dutch (Sverre Johnsen, IM Ivar Bern, GM Simen Agdestein); Grandmaster repertoire 10 The Tarrasch defence (Nikolaos Ntirlis, GM Jacob Aagaard).

Vraag en aanbod dus ik begrijp ten volle waarom uitgevers vooral de kaart trekken van auteurs met minstens 1 titelhouder. Echter ik heb geen begrip voor het afbreken van auteurs puur omwille van het feit dat ze geen titelhouder zijn. Dit gebeurde zowel op chesscafe als op chesspub met het boek Dismantle the Dutch Defense with the Dangerfield Attack geschreven door de onbekende schaker David Rudel.
Nee ook dit openingsboek heb ik niet aangekocht (zie voor een ander voorbeeld het artikeltje mode) maar ik kan wel gebaseerd op mijn ervaring stellen dat een vroeg Lf4 tegen het Hollands heel wat meer is dan puur een amateurszet. Ik krijg het zelden op het bord maar als het gebeurt dan heb ik toch steeds moeite om een comfortabele opstelling te vinden. Zo herinner ik mij de partij tegen Luc Saligo in Open Gent van 2012 waar ik in de opening zeker problemen had.

Nu als een wereldtopper zoals Aronian het systeem op zijn repertoire plaatst (ok eerst Pf3 en dan pas Lf4) dan verstomt de kritiek helemaal. Het voorbije Wijk aan Zee tornooi werd gewonnen door Aronian (zie bv chessvibes) en in de laatste ronde speelde hij naar eigen zeggen zijn interessantste partij tegen Loek Van Wely in jawel dit systeem.

Klopt het liep niet goed af maar dat had uiteraard niets te maken met de speelbaarheid van de opening. Feit dat Aronian het ondertussen al gespeeld heeft o.a. tegen Kamsky, Carlsen en Ponomariov laat verstaan dat hij er meer in ziet dan puur een verrassingswapen.

We beseffen het allemaal maar toch zien we vandaag nog erg vaak dat een idee/ concept naar de prullenmand wordt verwezen puur omwille van de persoon. Spijtig want hierdoor missen we kansen om een idee ten volle naar waarde in te schatten. Tenslotte wil ik besluiten met een quote van de Britse topgrootmeester Mickey Adams die ik las op qualitychess blog: "Ik kijk in alle boeken die men mij opstuurt want zelfs in Everyman boeken staat wel altijd iets dat ik kan gebruiken."

Brabo

zaterdag 8 maart 2014

Sofia regels

De meeste schaaktornooien staan of vallen met het vinden van vrijwilligers. Deze keer (voor het eerst?) was niemand bereid om het Belgisch kampioenschap in te richten. Het heeft weinig zin om te zoeken naar een schuldige want uiteindelijk is het ook voor een stuk een gedeelde verantwoordelijkheid van alle schakers. Nu om toch maar een Belgisch kampioen te kunnen aanduiden, werd een overeenkomst gemaakt met de organisatoren van het Open Zomerse tornooi van Charleroi, zie bv. schaakfabriek. Beter dit dan helemaal niets uiteraard. Trouwens zelf ook al eens meegespeeld in Charleroi en ik vind het tornooi sowieso een aanrader.

Verrassend bij de aankondiging was de vermelding van Sofia-regels. Die regels worden al in diverse buitenlandse tornooien toegepast (of in een iets lichtere vorm voor de x eerste zetten) maar voor zover ik mij herinner is dit een primeur voor België. Nu zonet nog eens de affiche bekeken van het tornooi en daar staat niets meer over deze regels vermeld dus het zou kunnen zijn dat ze al opnieuw afgevoerd zijn. Desalniettemin vond ik het toch eens interessant om er een artikeltje aan te wijden. Wat zijn de voor en nadelen van deze regels?

Laat mij eerst eens kijken naar de voordelen. Een partij kan op elk moment worden beëindigd wanneer 2 spelers hiermee akkoord gaan. Zo kan je tenminste zelf bepalen om te stoppen wanneer de muziek uit de stelling is verdwenen. Je hoeft niet te zoeken naar een zetherhaling of te wachten wanneer de 50 zetten regel in werking treedt. Daarnaast kunnen remisevoorstellen ook een verrijking van het spel betekenen. Een voorstel is de tegenstander voor een extra vraagstuk plaatsen waaraan hij vaak extra tijd zal spenderen. Het kan ook een andere psychologische betekenis hebben door bv. de tegenstander te laten verleiden om ondoordacht aan te vallen.

Op de site van de torrewachters las ik onlangs een opmerkelijk verslag van Bert Feys die terecht erg trots was op een bijzonder knappe tornooi-overwinning in Fenain
Bert Feys
Een klassiek tornooi waarvan ik nog nooit gehoord had maar in 2012 had de Belgisch kampioen Tanguy Ringoir er gewonnen dus met al een zekere reputatie. Ik vermeld het omdat hij zelf vertelt hoe hij op sluwe wijze in de laatste 2 cruciale ronden remise voorstelde. Zo slaagde hij erin om zijn tegenstanders voor een stuk te destabiliseren waarna hij in extremis de belangrijke punten kon binnenhalen. Bert was zo vriendelijk om zijn laatste ronde partij op te sturen zelfs met enkele lichte commentaren om dit aspect te kunnen uitlichten waarvoor ik hem uiteraard bedank.

Misschien dat deze psychologische remise-voorstellen invloed hebben gehad op het resultaat maar tenslotte moet je uiteraard nog altijd zelf voldoende goede zetten spelen om te winnen dus het zou te kort door de bocht zijn om zijn tornooi-overwinning aan een psychologisch spel toe te kennen.

Daarnaast heb je ook situaties waarin de spelers zelf geen zin meer hebben om nog verder te spelen. De interesse ligt al bij de bar, men voelt zich niet kiplekker,... Met sofia-regels wordt men verplicht om verder te spelen tegen zijn zin en dat kan toch ook niet een propaganda zijn voor het schaakspel.

De andere kant van de medaille is er natuurlijk ook. Je krijgt korte zinloze remises. Noch de sponsors, noch de organisatoren, noch eventuele toeschouwers worden er warm van dus het kan alleen maar leiden tot negatieve propaganda voor het schaken. Daarnaast kunnen vroege remise-voorstellen ook gewoon storend zijn. De lijn tussen een psychologisch voorstel en een storend voorstel is vaag. Bert geeft bijvoorbeeld aan dat hij remises voorstelde waarvan hij wist op voorhand dat die geweigerd zouden worden. Hierbij kun je dus afvragen of dit nog wel gepast is. Op Quality chess blog werd bijvoorbeeld geopperd door een lezer dat 1 fout remise-voorstel al storend is. Nu persoonlijk vind ik dat overdreven want het blijft een spel. Bovendien vaak beseffen spelers niet eens dat ze de tegenstander storen. Zelf neem ik sedert enkele jaren wel enkele richtlijnen in acht bij het voorstellen van remises. Zo stel ik geen remise voor als ik sterk vermoed dat mijn tegenstander het toch niet zal aannemen (bv als we beiden begrijpen dat ik minder sta). Remises voorstellen aan hoger gekwoteerde spelers (100 elo en meer) heeft ook weinig zin want ze accepteren enkel als ze duidelijk minder staan en dan is het uiteraard jammer. De hoger gekwoteerde spelers bepalen zelf wel wanneer het tijd is om de winstpogingen te staken in een remise-stelling.

In tornooien zijn korte remises ook vaak een middel om gemiddeld uiteindelijk hoger te kunnen scoren. Je krijgt meer rust en vaak ook net iets makkelijkere tegenstanders wat uiteraard geen sportief voordeel is t.o.v. spelers die wel elke ronde 100% spelen. Sofia regels worden soms ook opgehemeld om meer beslissingen te krijgen op het bord en dus het remisepercentage naar beneden te kunnen halen. Zeker op de hogere niveaus kunnen de remisepercentages zo hoog worden dat er nog weinig afscheiding tussen de spelers is (zie chessbase ) en beslissende partijen spreken het publiek altijd meer aan.
Bron: Chessbase
















Over het effect van de Sofia-regels bestaan heel wat discussies dus vond ik het eens interessant om hier wat dieper op in te gaan. Uit de megadatabase kunnen we niets of nauwelijks iets afleiden want bij geen enkele partij staat vermeld of er Sofia regels al dan niet werden toegepast. Echter dankzij mijn persoonlijke partijen die goed geordend en becommentarieerd zijn, kunnen wel enkele voorzichtige conclusies worden getrokken. Hieronder staat een tabel waar ik over de jaren heen toon, hoeveel serieuze partijen (met een langzaam tempo) werden gespeeld, hoeveel remises en hoeveel van die remises uiteindelijk door een voortijdig akkoord (in vergelijking met de sofia-regels) tot stand kwamen. De cijfers werden niet opgesmukt dus zijn puur rechtstreeks het resultaat van mijn persoonlijke database zoals ik ook in mijn artikeltje schaakopeningen studeren heb gedaan.





















Ik ben dus duidelijk niet vies van een (te) snelle remise waarover ik eerder al berichtte op deze blog: vroege remisevoorstellen in de interclubeen korte remise in de laatste rondelars schandorff, ... Als we aandachtig kijken naar de data dan zien we dat de jaren voor 2005 heel wat minder remisepartijen, gespeeld volgens Sofia-regels bevatten dan de jaren na 2005. De reden ligt niet bij een sterk gewijzigde speelsterkte want mijn rating bleef steeds in een interval van 100 elopunten. Ik geloof evenmin dat mijn speelstijl sterk gewijzigd is want in het blogartikeltje mode geef ik o.a. op dat mijn openingen al 20 jaar min of meer vast liggen. Nee de reden moet m.i. gezocht worden bij het feit dat ik plots begon te beseffen dat verliezen helemaal niet zo erg was en ik meer plezier had van door te spelen. Dat ik in het eindspel ook best mijn mannetje kan staan, zie bv. eindspelen loper tegen paardeindspelen paard tegen paardeindspelen met een kwaliteit meer,... helpt uiteraard om sneller te beslissen door te spelen. Echter onmiddellijk conclusies trekken uit bovenstaande tabel kan niet omdat de tabel niet vertelt wie de tegenstand was. Er zijn jaren dat ik erg sterke tegenstand heb gehad door in 1ste afdeling te spelen en relatief zwakke door het lokale clubkampioenschap mee te spelen. Het remisepercentage en in mindere mate ook het doorspelen van een stelling, hangt uiteraard sterk af van de tegenstand. Een tweede tabel brengt deze verschillen mooi in kaart opnieuw volledig gebaseerd op mijn eigen partijen.














Met deze data kunnen we nu voor elk jaar berekenen wat volgens de elotegenstand het remisepercentage gemiddeld zou moeten zijn en gemiddeld het % remisepartijen niet uitgespeeld met de sofia-regels. De truuk die ik hiervoor gebruikte, is uiteraard bij elke partij de excelfunctie VLOOKUP te gebruiken.
De totalen van de remise% en de niet uitgespeelde remise% met sofiaregels kloppen dus mogen we de berekeningen vertrouwen. Dit laat ons eindelijk toe om een vergelijking te maken en conclusies te trekken. Omdat jaar 2014 nog te mager is, laat ik die even weg. De vergelijking wordt gemaakt tussen de eerste 9 jaren: 1996-2004 met de laatste 9 jaren: 2005-2013.
Dus zonder rekening te houden met de elotegenstand verkreeg ik bij een 51% (36,36% t.o.v. 74,63%) vermindering van niet uitgespeelde remises met de Sofia regels, een vermindering van bijna 20% (30,65% t.o.v. 38,07%) remises. Wel rekening houdend met de elotegenstand verkreeg ik bij een 34% (51% corrigerend met de waarden 62,94% en 50,69%) vermindering van niet uitgespeelde remises met de Sofia regels, een vermindering van een ruime 20% (20% corrigerend met de waarden 34,52% en 34,93%) remises.

Met dit rekenwerk wil ik zeker de lezer niet laten denken dat dit voor iedere speler eenzelfde resultaat zal opleveren. Echter voor mij is wel duidelijk dat het doorspelen i.p.v. voortijdig remise overeenkomen een beduidend hoger aantal beslissende partijen oplevert. M.a.w. sofia regels zorgen zeker voor meer spanning waar we niet rouwig kunnen om zijn. Of doorspelen ook meer elo oplevert, is niet duidelijk uit de TPR die ik per jaar berekende. De laatste jaren speelde ik slechts 30-35 serieuze partijen/ jaar en dat is uiteraard te weinig om progressie te maken. Nu ik heb een sterk vermoeden dat doorspelen uiteindelijk van jezelf ook een sterkere meer weerbare speler maakt.

Sofia-regels hebben dus onmiskenbaar enkele duidelijk voordelen. Een verplichting voor het profschaak lijkt mij zeker niet slecht. Echter voor amateurs verkies ik eerder de keuze te laten aan de speler en hen trachten te overtuigen met argumenten i.p.v. regels. Het feit dat we een wereldkampioen hebben die vandaag bijna in elke partij tot het laatste gaatje speelt, zal zeker helpen.

Brabo