dinsdag 29 juli 2014

Praktische eindspelen

Een lange partij betekent niet altijd een interessante partij. Mijn interclubpartij tegen Tom Piceu nam wel 53 zetten in beslag maar was eigenlijk al beslist na 27 zetten. Het is dus zeker voor een stuk nonsens om te stellen dat activiteit afhangt van het aantal zetten gespeeld zoals ik in mijn vorig artikeltje insinueerde. Daarentegen heb ik afgelopen seizoen ook een aantal complexe eindspelen op het bord gehad die m.i. wel de moeite zijn om de lezer eens voor te schotelen.

Uiteraard begin ik met het afgebroken dame-eindspel tegen Bart. Aanvankelijk vind ik de juiste zetten maar met de remisehaven in zicht gaat het toch nog mis.

Met deze verliespartij had ik exact een status quo voor mij fide-elo en met een degradatie die al enige tijd vaststond (zie het wilde westen) zou je kunnen stellen dat er geen man over boord was maar eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat ik toch zwaar aangeslagen was. Bart had weliswaar op een knappe wijze problemen kunnen voorschotelen maar zonder mijn amateurisme had dit nooit tot enig succes kunnen leiden. 

Het was niet het enige dame-eindspel dit seizoen dat ik op het bord kreeg. In de Open van TSM speelde ik 4 partijen waarvan 2 voor rating. De ene partij voor rating verloor ik op dramatische wijze van Steven wat ik eerder besprak op mijn blog, zie het sadistische examen maar ook de 2de partij liep niet zoals gewenst. Een pionnetje meer kon ik niet verzilveren tegen Jan Gooris.

Na de partij was ik ongelukkig met het resultaat maar als ik nu achteraf objectief het eindspel bekijk dan moet ik gewoon toegeven dat winst er eigenlijk nooit in zat. Misschien met een trager tempo (na zet 40 kreeg ik slechts 15 minuten erbij en werd vooral op de increment van 30 seconden gespeeld) had ik meer problemen kunnen creëren maar zelfs dan is het nog koffiedik kijken of Jan een fout zou hebben gemaakt. Ik vond het in elk geval jammer dat de competitie reeds eind december was afgelopen zodat ik in de volgende 6 maanden slechts nog interclub speelde. Het spook van inactiviteit is moeilijk te verjagen.

Dit seizoen was echter zeker niet allemaal kommer en kwel in het eindspel. In de artikeltjes een morele overwinning en universele systemen toonde ik al hoe ik een paar keer iets mindere stellingen kon houden. Echter die voorbeelden verbleken als we kijken naar het volgende eindspel waar ik op onwaarschijnlijke wijze remise maakte met 2 pionnen minder tegen de Franse FM Ludovic Carmeille.

Dit soort halve puntjes smaakt erg zoet. Een andere spectaculaire ontsnapping gebeurde in mijn partij tegen de Bulgaarse grootmeester Dejan Bojkov (fragmenten van die partij werden al eerder besproken in camouflage en einstellung effect). De winst was zeker niet triviaal voor zwart.

Ik was even bang dat hij mij door de vlag wilde duwen wat net een van de grootste nadelen is van zonder increment te spelen maar het bleef gelukkig sportief. In elk geval zal ik niet klagen over mijn eindspelresultaten.

Kunnen we onszelf trainen in dit soort eindspelen? Wel als we de diverse stellingen overlopen dan valt het op dat ze allemaal uniek zijn. Het zijn praktische eindspelen die je niet kunt terugvinden in de boekjes. Het is zelfs twijfelachtig of het interessant is om ze te bestuderen want de kans dat je iets in een ander eindspel kunt hergebruiken is miniem. Ik ben graag bezig met eindspelen dus ik spendeer er heel wat tijd aan maar ik zal het niet aanbevelen aan spelers die eindspelen haten.

Een zekere basiskennis over eindspelen lijkt mij daarentegen niet overbodig. Echter ook dat staat op losse schroeven als je Nakamura hoort vertellen dat hij de Vancura positie niet kende maar zelf achter het bord de juiste zetten vond. Een heel ander geluid is het recente werk Grandmaster preparation endgame play van Jacob Aagaard waarin het bestuderen van eindspelen naar een nieuw (hoger) niveau wordt getild. Van de ambitieuze student wordt verwacht dat hij de opgaven in een serene omgeving tracht op te lossen om zo vaardigheden aan te leren die ook in tornooischaak nuttig zijn.

Het boek heeft duidelijk bloed zweet en tranen gekost maar desalniettemin kwam er al snel heel wat kritiek waarmee de auteur duidelijk niet kon lachen, zie zijn reactie op Quality chess. De opgaven waren veel te moeilijk was 1 van de meest gehoorde kritieken. Zelfs de Duitse grootmeester Joerg Hickl kloeg dat hij slechts 10% kon oplossen. Het feit dat in vele voorbeelden de juiste zet in de praktijk niet werd gespeeld o.a. door Ivanchuk, laat verstaan dat het inderdaad moeilijk is. Anderzijds is het ook zo dat de juiste zet vinden in een opgave een stuk makkelijker is dan in de praktijk zoals eerder aangehaald door Glen in een reactie op mijn blogartikel 'de expert'.

We kunnen alleen maar spreken van trainen als dit op een serieuze wijze wordt gedaan dus in een serene omgeving waarin men zich goed kan concentreren op het oplossen en bestuderen van de eindspelen. Dit is hoe de auteur de kritiek weerlegt. Alleen zie ik vandaag dat heel wat praktische eindspelen moeten worden afgehaspeld in heel weinig tijd. Zeker met de tegenwoordig steeds populairdere 30 seconden increment blijft er slechts tijd over om voornamelijk op instincten en minimale berekeningen te spelen.

Met een langzamer tempo (zoals in de Belgische interclub) geloof ik wel dat zulke trainingen hun nut kunnen hebben. Niet zozeer in het feit dat men bepaalde combinaties of schema's zal kunnen copieren in de praktijk maar eerder in het stimuleren van het denkproces om tot oplossingen te geraken. Ik denk ook dat het effect van zulke trainingen tijdelijk zijn en bijgevolg geregeld moeten worden herhaald. Je kan het misschien vergelijken met het oplossen van IQ-testen. Slimmer wordt je niet door het oplossen van de IQ-testen maar men heeft wel kunnen bewijzen dat je de score op een IQ-test kunt verbeteren door vooraf meerdere gelijkaardige testen te maken. Ook werd opgemerkt dat het effect snel terug afneemt wanneer geen nieuwe testen meer worden gemaakt. Praktische eindspelen bestuderen is dus niet triviaal. Elke amateur bepaalt best voor zichzelf of het sop de kolen waard is.

Brabo

vrijdag 18 juli 2014

Eten en drinken

De computer wordt aangezet. Een paar tellen later ben ik aan het blitzen op Playchess met een lang verlopen account (sorry voor de spelers die willen chatten want ik wil hiervoor niet betalen). Bijna elke 5 minuten krijg ik een andere speler voorgeschoteld. Duitsers, Spanjaarden, Fransen, Amerikanen, Russen,... zijn de nationaliteiten van mijn tegenstanders. Na een tijdje log ik af van de site en bekijk ik nog snel met een schaakprogramma de meest interessante partijtjes. De webserver bewaart alle gespeelde partijtjes automatisch in een persoonlijke database op mijn PC die met een paar klikken achteraf te consulteren is.

Dit is geregeld hoe ik fun heb met het schaken en tezelfdertijd toch ook een stukje oefen. Wat een groot verschil met de jaren 90 toen er niets anders op zat dan naar een schaakclub te gaan om te blitzen. In mijn studentenjaren ging ik vaak vrijdagavond blitzen in de KGSRL. Ik keek rond in de club en daagde steevast de sterkste speler(s) uit. In die periode liep heel wat schoon volk rond in de club: Schalkx, Abolianin, Deleyn, Goormachtigh, Van der Stricht,...  Allemaal spelers van 2300 elo of meer en tevens sterke blitzers want vele (alle?) namen prijken op de erelijst van het vergane 24 uren blitztornooi de Kameleon.

In de eerste ontmoetingen kreeg ik een pak slaag en mocht ik blij zijn om occasioneel een puntje te pakken. Nu ik ben niet de persoon die snel afhaakt. Ik bekeek thuis de systeempjes die mijn tegenstanders graag speelden met mijn allereerste PC en langzaam keerden de kansen. Na verloop van tijd was ik zeker de evenknie van de beste spelers en dit gecombineerd met de alcohol die steeds rijkelijk vloeide, ontaardden de blitzavonden geregeld in uitbundige feestjes tot in de vroege uren. Zo herinner ik mij eens een leuke anekdote.

Op een erg laat uur kwam Geert Van der Stricht binnengewandeld toen de sfeer er al duidelijk inzat. Geert wou wel enkele partijtjes spelen zodus organiseerden we een blitz 4-kamp waarbij de verliezer een rondje zou trakteren. Makkelijk verdiend moet Geert gedacht hebben want hij was de enige die nog nuchter was maar het liep helemaal anders. In onze onderlinge partij werd mijn hyper-agressie aanvankelijk goed opgevangen en ik stond al snel 3 pionnen in het krijt. Echter met de verdwenen pionnen, kwam ook heel wat tactiek in de stelling. Geert miste iets en ging plots spectaculair mat. Schalkx lapte hem iets gelijkaardigs zodat de laatste ronde niet meer belangrijk was en Geert met flinke tegenzin moest trakteren.

Achteraf begon ik te denken dat het misschien wel loont om voor blitzpartijtjes alcohol (met mate uiteraard) te drinken. Ik experimenteerde hiermee in het eveneens verdwenen internationaal blitztornooi van Blankenberge. Midden het tornooi stond ik 1,5 punt los maar na een paar pinten tijdens de pauze gedronken te hebben, gaf ik het alsnog uit handen. Ik kreeg wel nog de winststellingen met het hyper-agressief schaak dat ik speelde maar de afwerking bleef achterwege. De cruciale laatste ronde van dit tornooi kan je hieronder nog naspelen wat ik achteraf publiceerde als curiositeit op 1 van de allereerste fora.

We mogen dus stellen dat het dubieus is of een beetje alcohol drinken bevorderlijk is voor blitz. Wel heb ik geregeld voor officiële partijen 1 pintje vooraf gedronken om meer relax te zijn. In mijn artikeltje het sadistische examen liet ik eerder optekenen dat ik vaak heel wat zenuwen heb bij partijen en alcohol helpt mij om te kalmeren. Vandaag tracht ik over het algemeen alcohol te vermijden tijdens een tornooi. Ik kan makkelijker relativeren waardoor de zenuwen minder gespannen staan en ik voel ook dat ik minder goed tegen alcohol kan dan 20 jaar geleden toen ik nog student was. Alcohol maakt je sneller vermoeid, doet je trager rekenen en beïnvloedt ook de broodnodige nachtrust + belangrijke partijvoorbereidingen. In een buitenlands tornooi waar je vaak afgezonderd zit, is de verleiding groot als liefhebber van bier en wijn maar Sterke Jan bleef stoïcijns zich concentreren op het schaken, zie schaakfabriek. Ook voor onze wereldkampioen Magnus Carlsen is alcohol zelfs een dag voor een wedstrijd compleet uit den boze, zie the guardian.

Geen alcohol drinken betekent niet niets drinken. Zeker wanneer partijen over de 3 uren duren, is het absoluut belangrijk om te drinken. Het is iets wat ik al eens durf te verwaarlozen wanneer ik alleen nog oog heb voor de stelling. Barstende koppijn na een partij is iets wat ik al aantal keren heb meegemaakt in die mate zelfs dat ik verplicht was om een pijnstiller zoals dafalgan te nemen. Een fles water meenemen naar de tornooizaal vind ik bijgevolg zeker niet overbodig maar wordt soms door de tornooiorganisatie niet toegelaten.

Ook letten op de voeding wordt steeds belangrijker wanneer men ouder wordt. Ik hoor dat soms ploegen voor een interclubwedstrijd copieus eten op restaurant maar ik ben er zeker van dat het de resultaten beïnvloedt. De concentratie tijdens de wedstrijd verslapt en het groot toilet wordt al vaker eens noodzaak tijdens een partij. Trouwens met de heersende achterdocht bij vele spelers t.o.v. vals spelen durf ik bijna niet meer naar het toilet gaan. Helemaal onterecht is de vrees uiteraard niet wat o.a. nog recent werd bewezen, zie schaaksite. Tegenwoordig eet ik dan ook slechts iets licht voor een wedstrijd wat op zich dan wel betekent dat ik moet eten als een wedstrijd lang duurt.

Een interclubwedstrijd kan in België maximaal 6 uren duren dus neem ik steeds enkele boterhammen en wat fruit mee in het geval het later dan 18 uur wordt of er dus al 4 uren gespeeld zijn. In het begin keken enkele ploeggenoten raar op toen ik mijn proviand bovenhaalde maar ik zie dat steeds meer ploeggenoten mijn voorbeeld volgen want vaak is er ter plaatse weinig of niets te koop. Marcel heb ik al eens een boterham toegestoken toen hij hongerig toekeek.

Voor de laatste interclubronde zat ik met een dilemma. De club organiseerde op dezelfde avond van de speelronde een feestmaaltijd waarbij sterk werd aangedrongen om zo talrijk mogelijk aan deel te nemen. Normaal ben ik de eerste om in te schrijven op zulke feestjes maar ik voelde op voorhand al nattigheid. Zelf proviand meenemen en dit opeten om 18 uur zou mijn eetlust grotendeels bederven. Bovendien lag de menu vast en moest je op voorhand betalen dus achteraf nauwelijks iets van eten zou zonde zijn. Tenslotte zou men al beginnen om 18 uur dus wat als je als enige moet doorspelen tot 20 uur. Ik liet mij uiteindelijk overhalen en hoopte op het beste maar het liep natuurlijk helemaal verkeerd.

De stelling die thuis getaxeerd was als remisehet falen bij op winst spelen in de vorige onderlinge partijde kersverse grootmeester-titel van Bart, het ontbreken van proviand, het startende clubfeest, ... zullen allemaal wel ergens een rol gespeeld hebben bij het onbesuisd willen afdwingen van de remise. Remise had ik natuurlijk gemakkelijk kunnen behalen zonder de overhaasting. Dat jonge spelers deze fout maken is makkelijker begrijpbaar zoals recent nog in het open kampioenschap van Azië.

Opnieuw een makkelijk vermijdbare nederlaag waarin de minder ervaren speler te happig was om remise te maken.

Tot slot wou ik ook nog meegeven dat ik uiteindelijk als enige speler na de tijdscontrole doorspeelde tot bijna 8 uur. Ook dat was geen grote verrassing want met een gemiddelde van net geen 53 zetten per partij was ik veruit de actiefste speler. Dit ligt ook compleet in de lijn van mijn artikeltje sofia regels. Toen ik dan uiteindelijk ook aan tafel ging, hadden de andere ploeggenoten al gedaan en vertrokken ze naar huis. In de Franse interclub gingen we ook geregeld achteraf eten maar daar werd steeds gewacht op de laatste speler. Enkele bestuursleden zagen gelukkig ook wel in dat de situatie scheef zat en offerden zich op om mij niet alleen te laten eten wat ik zeer apprecieer maar ik trek sowieso wel mijn conclusies voor de toekomst.

Thuis kreeg ik ook steun van mijn vrouw die mij opbeurde door te stellen dat ik weer een speciaal verhaal heb voor op de blog. Tja als je het zo bekijkt dan heeft elk nadeel toch weer een voordeel.

Brabo

maandag 7 juli 2014

Ideeën

Als we geen rekening houden met de psychologische aspecten in het schaken dan blijft enkel de theoretische evaluatie over van de zetten. De zet waarvan we verwachten dat ze cruciaal is voor de theoretische evaluatie van een stelling, wordt in het schaakjargon als kritiek beschouwd. Zelf heb ik altijd erg veel tijd gespendeerd in het zoeken van kritieke zetten wat op deze blog al veelvuldig aan bod kwam: correspondentieschaak, groene zetten,...

Of het nu kritiek, verwondering of simpel een opmerking was, feit is dat Bart Michiels het uiteraard bij het rechte eind had door achteraf te stellen dat ik met 8.Le2 in onze onderlinge partij niet een kritieke voortzetting had gekozen. Rekening houdend dat ik hiervan voorafgaand de partij al op de hoogte was, zal voor sommige lezers wellicht inconsequent klinken met mijn eerder artikel over de wetenschappelijke aanpak. Zelfs Kara schreef in een reactie dat hij zelf voor een andere en vanuit theoretisch perspectief interessantere zet zou hebben gekozen.

Verantwoording afleggen voor mijn openingskeuze is natuurlijk niet verplicht maar een aantal zaken wil ik wel even verder toelichten omdat ik meen dat ze ook voor andere schakers interessante elementen bevatten. Eerst en vooral is een kritieke zet niet altijd de beste praktische zet. Een kritieke zet plaatst mogelijks wel meer druk op de tegenstander maar vaak ook op jezelf. In mijn vorige onderlinge partij met Bart koos ik bijvoorbeeld voor een kritieke zet in het eindspel i.p.v. een afwikkeling naar een remise-eindspel met een pion minder om dan uiteindelijk zelf als eerste in de fout te gaan.

In heel wat openingen met een goede reputatie (zoals het Marschallgambiet, het Berlijns,...) is het vaak ook heel moeilijk om te stellen wat precies de kritieke zet is (net omdat niemand tot nu toe in staat was om een concreet voordeeltje aan te tonen). Daarnaast is het ook zo dat net de interessantste varianten uiteraard ook het meest waarschijnlijk door de tegenstander zullen onderzocht zijn. Een recent mooi voorbeeldje waarin we deze risico's terugvinden, is de cruciale partij van het rapid WK op bord 1 tussen Anand en Caruana in jawel de Modern French.

Anand kwam nog goed weg met slechts een blauw oog. Echter dit voorbeeldje is evenmin een bewijs dat het kiezen van een kritieke opening onzin is. Ik stel enkel dat een juiste inschatting moet worden gemaakt van de risico's. Mits voldoende training, studie op voorhand is het kiezen van de kritieke voortzetting meestal correct. Nu ik ben niet schuw van het nemen van (te) grote risico's in een opening (zie bv. schaak-intuïtie deel 2) maar iets complex spelen zoals 8.a3 zonder training, studie of zeker te zijn dat het een kritieke lijn is tegen een speler met 200 punten meer, vond ik erover en evenmin wetenschappelijk.

Eenmaal de keuze gemaakt om niet verder te zoeken naar een kritieke voortzetting is het wel best zaak om een alternatief klaar te hebben liggen. Een dubieuze openingsvariant kiezen is een oplossing waarvoor heel wat amateurs (zelfs sterke) kiezen maar niet voor mij. Het is niet alleen risicovol maar gaat eveneens helemaal in tegen mijn wetenschappelijke aanpak. Variëren met een totaal andere opening die geen deel uitmaakt van het repertoire is een andere mogelijkheid die relatief makkelijk is als je met wit speelt. Minder risicovol dan de vorige oplossing maar een openingsvoordeeltje mag je normaal vergeten en wetenschappelijk is het ook al niet. Tenslotte kan je ook kiezen om het normale repertoire te spelen maar je tracht er voldoende ideeën in te weven. Met ideeën bedoel ik geen "killer"-nieuwtjes die belangrijk zijn voor de theoretische evaluatie van de stelling. Het doel van een idee is om vooral tijd te winnen op de klok en een positie op het bord te verkrijgen waarin men zich goed voelt. In correspondentieschaak zijn zulke ideeën vrij waardeloos maar in bordschaak hebben ze hun nut al talloze malen bewezen.

Deze strategie van een vast repertoire doorspekt van ideeën is niets nieuw wat ik vertel en wordt al geruime tijd ook door topgrootmeesters gebruikt. Zo herinner ik mij nog goed hoe Anand in 2007 de wereldtitel veroverde in Mexico door 4 verschillende ideeën tegen de ongenaakbare Marshall te gebruiken. In het artikeltje Tanguy Ringoir is Belgisch kampioen werd het verhaal al terloops aangehaald maar ik wou deze keer wel eens de partijen concreet tonen.

Anand was niet geïnteresseerd in het weerleggen van de Marshall wat wellicht toch onmogelijk is maar creëerde telkens nieuwe onbekende problemen op het bord voor zijn tegenstanders. Niet elke partij leidt tot winst met deze methode maar met een rendement van 75% kon Anand uiteraard niet klagen. Er zijn een aantal grote voordelen aan deze aanpak. Vooreerst blijf je in grote lijnen binnen het repertoire spelen dus mocht zwart plots iets minder stevig spelen dan de Marshall dan ben je niet perse op onbekend terrein. Alhoewel het idee geen theoretisch voordeel oplevert, kom je zeker ook niet slechter te staan. De grootste troef is uiteraard dat je het idee thuis al bekeken hebt met de computers en de tegenstander naar alle waarschijnlijkheid niet.

Het grote nadeel van het werken met ideeën is dat ze meestal slechts 1 keer in een serieuze partij kunnen worden gebruikt. Na publicatie zullen potentiële tegenstanders snel een anti-dote met de computer vinden. Dus je moet nadat een idee opgebruikt is op zoek naar weer wat nieuws. Dat is een onbegonnen werk voor de meeste amateurs, hoor ik al denken maar dat valt eigenlijk best mee. Een idee neemt een fractie van de tijd in beslag dan voor een killer-nieuwtje want er bestaan een aantal handige hulpmiddelen. MNb gaf aan dat ik behoorlijk goed ben hierin maar ik geloof dat de lezer na mijn tips ook wel zijn plan moet kunnen trekken.

1) Kopieer ideeën uit recente OTB-partijen die onder de radar bleven van het internationale schaaknieuws. Heel wat schakers zijn op de hoogte van wat de top 2700 spelers speelden in hun repertoire maar spelers tussen 2300 - 2700 komen ook vaak met interessante ideeën op de proppen. Het is ook belangrijk dat de partijen recent werden gespeeld zodat de kans klein is dat de tegenstander het idee in de voorbije jaren per toeval heeft ontmoet.
2) Kopieer ideeën uit correspondentiepartijen zelfs al werd het slechts remise voor de witspeler. Bijzonder weinig bordspelers kijken naar die partijen. Bovendien problemen die in correspondentieschaak oplosbaar zijn, kunnen vaak erg moeilijk te kraken zijn achter het bord.
3) Laat een schaakprogramma kijken naar meerdere lijnen per zet. Soms levert de 2de of 3de beste zet een heel interessant idee op. Mijn favoriete knop in infinite analysis mode is de letter 'y', zie Fritz handleiding voor meer info. Hiermee verplicht ik het programma zijn favoriete keuze te negeren en te kijken naar de volgende beste zet. Het grote voordeel t.o.v. meerdere lijnen tezelfdertijd te laten berekenen is dat je veel sneller resultaten krijgt. Dit is niet alleen omdat er minder te berekenen valt maar ook omdat er geen tijd verloren moet gaan tussen het wisselen van de meerdere lijnen.

Dus met een minimum aan tijd en inspanningen kan iedereen met succes ideeën implementeren. Naast het verrassingselement kunnen ze ook worden gebruikt als patches tot wanneer meer tijd beschikbaar is om serieus te werken aan een opening. Ik ben ervan overtuigd dat het zowel voor amateur als prof een uitstekend instrument is voor tornooischaak.

Brabo