vrijdag 29 augustus 2014

Promoties

De laatste reglementswijzigingen opgelegd door de fide zorgden ook in België voor heel wat discussies. De hete aardappel was uiteraard het gsm-verbod in tornooizalen wat velen toch als een inbreuk van de privacy beschouwen.  Nu toevallig las ik deze morgen dat het nog erger kan want in de Hogeschool van Rotterdam mag je zelfs geen horloge meer dragen tijdens examens, zie hln artikel. Als je gsms en horloges verbiedt dan moet je ook lenzen (Bionic_contact_lens), brillen (Google Glass), pennen (pen computer) ... verbieden. 

Spelers kunnen wel horloges en gsms thuislaten maar dit kan je niet eisen voor lenzen, brillen,... . Persoonlijk vind ik dan ook dat we de strijd tegen vals spelen op een verkeerde wijze aan het voeren zijn. De maatregelen schieten hun doel grotendeels voorbij want de 1 of 2 spelers die echt de boel willen belazeren, vinden toch wel weer nieuwe methodes. Daarnaast is iedere eerlijke schaker wel de dupe van de nieuwe verboden. Vandaag gebruik ik als gsm de Nokia 108 die je voor 25 euro op de kop kunt tikken. Het is een basismodel wat ik gebruik voor bellen en sporadisch sms'en. Een internetverbinding kan ik er helemaal niet mee maken maar ook dit model kan ik dus niet meer meenemen naar de tornooizaal. Het verbod voelt voor mij dan ook onredelijk en buitenproportioneel aan. Ik las op chesscafe dat deze mening ook werd gedeeld op het recente fide congress in Tromso waar gepleit werd voor meer flexibiliteit dus misschien komt er wel een aanpassing.

In de voorbije Open Gent werd zulke flexibele toepassing al gehanteerd want het mobieltje mocht de tornooizaal in zolang je het naast het bord legde. Omdat ik toch maar een oud spotgoedkoop mobieltje heb, maakte ik gebruik van deze flexibiliteit. Echter bij de meeste spelers zag je niets naast het bord liggen terwijl ik na de partij toch vaak spelers al heel snel zag gebruik maken van gsms. Ik vermoed dus dat heel wat spelers toch stiekem toestellen bij zich hadden. Er was geen controle (fouillering/ metaaldetector) en zelfs de arbiter vertelde achteraf dat het meebrengen van gsms door hem gedoogd werd zolang hij niet zag dat de spelers de toestellen in hun handen hebben tijdens de partij. Misschien volg ik de volgende keer wel de andere minder legale keuze want 2 keer moest ik na de partij terugkeren naar de tornooizaal om mijn vergeten gsm terug op te halen.

Naast nieuwe reglementen om vals spelen te bestrijden, zien we ook de laatste jaren een veel grotere focus op procedures. Hierbij krijgt de arbiter een steeds grotere rol wat we bijvoorbeeld lazen in mijn artikeltje mat beeindigt de partij of niet. Onze huisarbiter Peter Beeckmans gaf op zijn blog een samenvatting van de laatste wijzigingen, zie artikel maar het stukje over onregelmatigheden is onvolledig. Zo wordt vermeld dat artikel 7.4 a, 7.5 a is geworden maar niet dat het artikel zelf ook nog een belangrijke wijziging kende waarvan ik tot een recent incident op Open Charleroi niet op de hoogte was.

Om te snappen wat de impact is van het nieuwe element, keren we best eerst terug naar de fameuze partij in de 12de ronde van de kandidate-finales tussen Carlsen en Ivanchuk gespeeld in Londen 2013. Ivanchuk promoveerde op zet 86 zijn h-pion maar liet de pion staan op het promotieveld om nog net op tijd de klok te kunnen indrukken.
Ivanchuk speelde op zet 86 : h2-h1 zonder het stuk te definiëren
Carlsen protesteerde niet, sloeg de pion en verloor de partij. Een heel uitgebreid artikel met stevige commentaren kan je lezen op schaaksite over deze partij. Er staat zelfs een foto in het artikel waarin duidelijk te zien is hoe Ivanchuk fout promoveerde. De foto durf ik hier omwille van auteursrechten niet herbruiken.

Sinds 1 juli 2014 wordt in artikel 7.5 a het volgende gezegd: "If het player has moved a pawn to the furthest distant rank, pressed the clock, but not replaced the pawn with a new piece, the move is illgal. The pawn shall be replaced by a queen of the same colour as the pawn." Of met andere woorden wanneer de promotie gebeurde zoals Ivanchuk deed dan verlies je achteraf de optie om te kiezen voor een ander stuk dan de dame zonder rekening te houden met de gevolgen van de illegale zet. Een detail hoor ik de lezer denken. Misschien behalve als je zoals een clubgenoot pat veroorzaakt door de foute promotie terwijl je wel degelijk van plan was een minorpromotie te doen. Een voorbeeld van zulke stelling kan je hieronder vinden.
Wit speelt c7-c8 zonder het stuk te definiëren
Ik zie mijzelf niet direct zulke foute promotie doen maar ik vind het toch best interessant om ook dit soort details te kennen. Trouwens een pluim voor de hulparbiter Luc Cornet die correct handelde in deze moeilijke situatie.

Minorpromoties zijn uiteraard vooral het domein van schaakcompositities. Hierbij wordt de Babson task als de heilige graal beschouwd. Een overzicht kan je vinden op de site van Tim Krabbe. Zelf maakte ik 21 jaar geleden een zeer bescheiden poging op het promotie-thema, zie hieronder.
Wit geeft mat in 3
Met de 2 paar gelijkkleurige lopers doet de compositie niet mee voor een eervolle vermelding maar de oplossing blijf ik wel charmant vinden.

Brabo

Oplossing:
1.Dc1
Varianten:
..., Th1 2. Lc5 en 3. Da3#
..., h1(D) 2. Lb4 en 3. Da3#
..., h1(T) 2. Lb4 en 3. Da3#
..., h1(P) 2. Lad6 en 3. Da3#
..., h1(L) 2. Lf8 en 3. Da3#

dinsdag 12 augustus 2014

Koningsgambiet met Pf3

Terwijl de "weerlegging" van het koningsgambiet met Lc4 in John Shaws boek slechts mijn nieuwsgierigheid wekte, was het vooral de anti-dote van mijn geliefkoosd systeempje op het koningsgambiet met Pf3 die mij zorgen baarde. Zelf speel ik al ongeveer 20 jaar de Fischerverdediging. Een anti-dote kende ik niet, integendeel want de laatste jaren was ik er steeds meer van overtuigd geraakt dat zwarts verdediging bijzonder stevig is. We zien trouwens dat ook topgrootmeesters vandaag nog geregeld kiezen voor deze opstelling.

Het beschikbare excerpt op de officiële site van quality chess rept geen woord over de anti-dote maar dankzij enkele reviews op chessvibes en Marsh Towers kwam ik iets meer te weten. In de reviews wordt verteld dat wit tracht een voordelige transpositie te krijgen naar het Quaade-gambiet via 5.g3.

1.e4 e5 2.f4 exf4 3.Pf3 d6 4.d4 g5 5.g3 !?
Met zwarts stelling na zet 4 heb ik reeds 5 officiële partijen gespeeld en ongeveer 320 online blitz/bullet-partijtjes maar nooit heb ik 5.g3 ontmoet. Bovendien een snelle check met de schaakprogramma's liet verstaan dat de zet heel wat punch bevat. Heeft John Shaw iets belangrijks ontdekt of was het toch al bekend? Ik kreeg onlangs het boek in mijn handen en het viel mij op dat er nergens vermeld staat waar 5.g3 vandaan komt. Geen enkel voorbeeld uit de praktijk met 5.g3 staat in het boek. Dus de auteur heeft dit idee zelf gevonden. Nee want ik vond in de megadatabase 5 partijen waaronder 2 wit-partijen van de Nederlandse grootmeester Harmen Jonkman en 1 van de Russische grootmeester Vadim Zvjaginsev. Trouwens die laatst vermelde speler, Vadim is 1 van mijn favoriete spelers waarvan ik steevast zijn partijtjes naspeel wanneer ik ze toevallig tegenkom. Misschien herinnert de lezer nog zijn introductie van 2.Pa3 tegen het Siciliaans in de Russische super-finale van 2005 die hij later nog 8 keer durfde te herhalen zelfs tegen + 2600 spelers.

De geschiedenis van het Koningsgambiet negeren is jammer (zie mijn blogartikeltje handleidingen) maar ideeën voorstellen in een boek als nieuw is op zijn minst dubieus. Je kan stellen dat de eerder vermelde megadatabase partijen allemaal verloren werden door wit en dus onbelangrijk zijn maar een idee moet m.i. op zijn waarde worden beoordeeld en niet enkel op de partij-resultaten (of de rating van de spelers zie blogartikel theorie). Anderzijds moet ik wel toegeven dat de auteur als eerste een belangrijke poging onderneemt om het idee te populariseren. Trouwe lezers weten van het blogartikeltje SOS dat ik gevoelig ben voor dit soort details.

Genoeg over de oorsprong van het idee want nu willen we uiteraard weten in hoeverre het idee gevaarlijk en interessant is voor de praktijk. Begin juni startte ik met een wekenlange analyse van het idee zonder vooraf te kijken wat John Shaw vertelt in zijn boek. Ik was up to date met mijn analyses van de eigen gespeelde partijen en er bleef tijd over tot Open Gent om eens extra openingsanalyses te maken zoals ik o.a. eens eerder deed voor de Aljechin zie blogartikel. Trouwens in een open tornooi is de kans beduidend groter dat je spelers ontmoet die wel eens zouden kunnen kiezen voor een experiment met bv. het koningsgambiet en bovendien ook nog op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen.

Het voordeel van niet op voorhand te kijken naar wat het boek vertelt, is dat je onbevooroordeeld kunt kijken naar de stelling en makkelijker nieuwe ideeën kunt vinden. Zo vond ik inderdaad een interessant concept met f5 dat na achteraf checken in het boek niet werd besproken.

Ik claim zeker geen voordeeltje voor zwart maar f5 lijkt mij goed speelbaar. Iemand die blindelings Johns boek volgt, kan je hiermee snel dwingen zelfstandig zijn weg te zoeken wat in de explosieve stelling zeker geen pretje is.

Vervolgens keek ik naar g4 wat de computerprogramma's aanbevelen. We belanden hiermee in het Quaada-territorium. Ik spendeerde veel tijd aan de diverse type stellingen want dit is bijna allemaal braakliggend schaakland en tal van subtiliteiten beslissen over wat wel of niet speelbaar is.

In het boek staat een sterk vereenvoudigd beeld van de mogelijkheden en misleidt daarom deels de taak waarvoor beide spelers staan. Ik moet wel toegeven dat het type stelling mij erg aantrekkelijk lijkt voor de gepassioneerde koningsgambiet-speler want wit heeft zeker flinke compensatie voor de geofferde pion.

Daarna kwam Lg7 aan de beurt. Mijn analyses overlappen compleet die van het boek maar ik ben wel minder optimistisch over wits kansen in de hoofdlijn voornamelijk na het napelen van een recente sleutelpartij.

Kent de auteur deze partij niet waarin het toch duidelijk is dat wit hard moest vechten voor een half punt of erger werd de partij met opzet genegeerd. In het boek staan partijen van 2013 vermeld dus vreemd. Tenslotte wil ik een laatste interessante mogelijkheid de lezer niet onthouden die niet toevallig mij ook de beste kansen lijkt op te leveren om het idee te weerleggen.

Na de 8ste zet vertelt de auteur: "Dit is exact het soort positie dat wit wil bereiken in het koningsgambiet. Het is scherp, interessant en zeer weinig onderzocht want er zijn slechts 5 partijen in de database met dit systeem.... In zulk onontgonnen terrein is het onmogelijk om een alomvattend overzicht te geven." Dus de lezer wordt aan zijn lot overgelaten in wat ik als meest kritieke test van het idee 5.g3 beschouw. Is het net niet de taak van een auteur om een serieuze diepgaande analyse (zoals gebruikelijk in top-correspondentieschaak) te maken in zulke situatie? Mijn idee 6..., Ld7 wordt niet vermeld en is zeker even interessant dan 6...,fxg3. Daarnaast kom ik ook met verfijningen en schema's op de proppen die nuttig zijn voor de 6...,fxg3 variant.

Ondanks de opmerkingen moet ik wel toegeven dat het boek echt wel heel goed is. Het bevat een compleet overzicht van de bestaande theorie met correcte evaluaties (zelfs al zijn die soms een beetje te subjectief). Echter ik kan ook de commentaar van MNb begrijpen op mijn vorig artikeltje. Iemand die al veel materiaal liggen heeft van het koningsgambiet zal weinig of geen nieuwe inzichten vinden in het boek. Ik betwijfel sterk of er echt originele ideeën worden aangeboden waaraan weken is gewerkt zoals ik deed voor de analyses in dit artikeltje. Een referentiewerk voor bordschakers is het boek zeker maar een correspondentieschaker kan beter gewoon de recente databases raadplegen en zelf met een engine het onderzoek leiden.

Brabo

dinsdag 5 augustus 2014

Koningsgambiet met Lc4

Vele clubspelers spelen vandaag nog geregeld het koningsgambiet ondanks de bedenkelijke reputatie. De exacte evaluatie van de stellingen is voor deze amateurs veel minder belangrijk dan het krijgen van een complexe stelling op het bord waarin compromisloos schaak kan worden gespeeld. Ik begrijp dan ook niet goed welke markt John Shaw met zijn monumentaal boek over het koningsgambiet wil aanboren. 680 pagina's telt het boek dus duidelijk geen lichte lectuur waarin de amateur op een vrij moment even zal bladeren. Ik vroeg recent aan Ben van de denksportkampioen hoeveel hij er al van verkocht had en ik meen mij te herinneren dat het er ongeveer 15 waren. Dit lijkt mij weinig voor een topboek (want dat is het wel degelijk) maar stemt wel overeen met het aantal spelers waarvan ik acht dat ze niet alleen compromisloos schaken ambiëren maar tevens ook adept zijn van het koningsgambiet.
Het boek kreeg uiteraard ruimschoots aandacht in reviews op het internet. De meeste commentaar ging terecht over de weerlegging die de auteur gevonden had op de Lc4 variant van het koningsgambiet. Oud-wereldkampioen Robert James Fischer heeft deze opening meerdere malen met wit gespeeld dus ik was wel nieuwsgierig wat er precies ontdekt was. Openingsboeken koop ik nog steeds niet maar dankzij chesspub kon ik toch vrij snel een goed idee krijgen waar de hete hangijzers liggen. Hieronder kan je een samenvatting lezen van wat ik als belangrijkste lijnen beschouw.

De weerlegging met 3... Pc6 lijkt mij dus een erg geflatteerde evaluatie. Zwart heeft comfortabel spel maar een concreet voordeeltje durf ik zwart niet toe te kennen. Zelf speel ik al geruime tijd 3...d5. Het is zeker niet beter dan 3...Pc6 of vandaag het meer populaire 3....Pf6 maar heeft wel als voordeel dat de witspeler meestal op een terrein komt waarin ik de stelling beter ken. Recent in de bekercompetitie kreeg ik het wel 2 keer op het bord.

Rapidwedstrijden had ik al een decennium niet meer gespeeld maar zoals aangeven in mijn vorig blogartikeltje sukkelde ik met problemen van inactiviteit dus met het motto "beter iets dan niets" schreef ik mij in. Rapidwedstrijden passen niet in mijn wetenschappelijke aanpak en blitz vind ik beter als puur voor fun. Dus de bekercompetitie speelde ik voornamelijk mee als voorbereiding op het Open van Gent. Ik ben bijlange niet de enige die zo tegen rapidtornooitjes aankijkt, zie Bart Michiels uitspraak op Schaakfabriek: "Mijn volgend tornooi is de olympiade en ik zocht een rapidtornooi om mijn speelritme te behouden." Ik wijk af uiteraard van het onderwerp dus hoogtijd om terug te keren naar het koningsgambiet met Lc4.

In de kwart-finale kreeg ik het een eerste keer voorgeschoteld door Marcel Van Herck. Marcel heeft het koningsgambiet al decennia op zijn repertoire maar gevaarlijke nieuwtjes verwachtte ik niet. Dit bleek enigszins optimistisch want achteraf verraste hij mij door te vertellen dat hij de inhoud van het boek van John Shaw kende. Marcel had enkele weken eerder gezien dat ik last had met een variant in elke blitzpartijtjes en wou mij wel eens op de rooster ermee leggen.

Het positieve uit de partij is dat wits opening best wel interessante elementen bevat die kunnen herhaald worden. In de halve finales kreeg ik het een 2de keer op het bord van onze voorzitter en oud Belgisch kampioen Robert Schuermans. In de reguliere rapidpartijen had Robert mij onaangenaam verrast met openingen die ik hem nog nooit eerder heb zien spelen. In de barrage-blitzpartijen greep hij terug naar zijn huidig repertoire wat ik een dubieuze strategie vond. Sedert een paar jaar speelt Robert ook geregeld het koningsgambiet op zijn Fischers dus met Lc4. Het is algemeen bekend dat Robert een grote fan is van Fischers schaakwerk, zie bv. het interview op radio 1. Robert koos in tegenstelling tot Marcel voor de principiële aanpak met 5.Pc3 wat ik als kritieker beschouw maar hij botste op een beter gewapende tegenstander.

Uiteindelijk mocht ik dus met een tikkeltje geluk de finale spelen en had ik mijn streefdoel om competitieritme op te doen gehaald. Echter ook Robert haalde zijn gram uit de bekerwedstrijden. In ronde 3 van de Open van Gent speelde hij tot mijn verbazing dezelfde opening tegen de Franse FM Julien Lamorelle. Ik had al snel meer aandacht voor de ontwikkelingen op zijn bord dan op mijn eigen bord.

Dat de opening niet populair zal worden bij profspelers kan ik goed begrijpen maar voor de gewone stervelingen is de opening zeker voldoende om uren plezier te hebben. Een duidelijke weerlegging bestaat voorlopig niet en meer heeft de romantische speler niet nodig.

Brabo