vrijdag 31 oktober 2014

Live borden

In de Nederlandse interclub speelt men dit jaar voor het eerst met het standaard fidetempo : 90 minuten voor 40 zetten, 30 minuten voor de rest en 30 seconden increment voor iedere zet. Eerder deze maand werd ook geruisloos door de algemene vergadering dit tempo goedgekeurd voor de Belgische interclub. Het is mij onduidelijk of dit echt een noodzakelijke verbetering is voor het Belgisch schaken. In elk geval heel wat spelers zien dit nieuwe tempo wel zitten. De arbiters rol wordt in de partij tot een minimum herleid en de partij wordt gemiddeld met een uurtje of zo ingekort. Mijn ploeggenoot Thierry vond zelfs dat men ook het aanvangsuur had mogen vervroegen naar 13 uur zoals in de Nederlandse interclub waardoor we nog een vrije zondagavond zouden overhouden. Persoonlijk vind ik het kwaliteitsverlies aan speelduur belangrijker dan een vrije zondagavond. Als ik snel wil spelen dan verkies ik blitz op cafe of internet maar smaken en prioriteiten verschillen uiteraard.

In tornooien met een strak speelschema van 2 partijen per dag zoals Open Gent of Open Leuven is een increment vaak geen optie. Er moet maar 1 partij meer dan 100 zetten duren en de organisatie draait in de soep. Daarom dat die tornooien dan ook kiezen voor de oude K.O. formules. Met 2 uren elk voor de hele partij kan je ongeveer tot zet 30 toch standaardschaak spelen. Daarna wordt het tempo steeds sneller van rapid naar blitz of zelfs bullet. De reglementen zeggen dat we met minder dan 5 minuten niet meer hoeven te noteren en dat gebeurt geregeld als spelers voorbij zet 40 geraken. Als je dan nog doorspeelt tot zet 80 of zelfs 100 dan is het vaak onmogelijk om achteraf de partij nog te reconstrueren. Toen ik dit aanhaalde bij mijn ploeggenoot Daniel, haalde hij zijn schouders op. Rapid, blitz of bullet dat heeft toch geen zin om te analyseren en met tijdnoodblunders wordt enkel gelachen.

Dit is een droge praktische kijk op het schaken. Echter ik hanteer een wetenschappelijke aanpak en dan wil ik ook graag de waarheid kennen dus ook in de uitvluggerfase. Nu had ik het geluk in de Open van Gent dat al mijn partijen live werden gebroadcast. Dit is een fantastische service van de organisatie. Zo kunnen schakers maar ook vrienden of familie (zoals mijn schoonvader in Oefa) mijn schaakzetten live meevolgen. In een naburig zaaltje van de tornooizaal plaatste de organisatie een gigantisch scherm waarop de top 16 borden live werden geprojecteerd. Iedere passant stond het vrij van zijn commentaar te spuien en kon tezelfdertijd genieten van een hapje of drankje.
Naburig zaaltje met gigantisch scherm in Open Gent (fotograaf: Dirk Gregoir)
Tenslotte beschikten de betrokken spelers achteraf ook over een complete notatie van de partij want als de spelers ophouden met noteren, blijft de electronica foutloos alles registeren. Ik vind het buitengewoon hoe de electronica erin slaagt om dit met zulke hoge graad van nauwkeurigheid te doen want in de uitvluggerfase worden de stukken vaak niet mooi op de velden geplaatst.

Voor het reconstrueren van 3 eigen partijen maakte ik achteraf gebruik van deze live borden. De eerste was in ronde 2 tegen Martijn Maddens. Een stukje van de partij werd al vermeld in mijn artikeltje stervluchten. Hieronder volgt de dramatische ontknoping van de partij.

De 2de partij was in ronde 5 tegen Andrew Stone waarvan het slot al helemaal werd besproken in het artikeltje bouwstenen. De 3de partij was mijn 100 zetten-partij tegen de Hongaarse IM Adam Szeberenyi die een droog remise-eindspel bleef doorspelen omdat hij 30 minuten tegen 5 minuten meer tijd had. Hij ging hierbij tot het laatste gaatje want hierdoor kreeg ik op 1 bepaald moment plots een unieke winstkans die ik in mijn haast spijtig miste.

Lange partijen maken dus steevast deel uit van mijn bordpraktijk waarmee ik wellicht een stuk boven de gemiddelde activiteit van een doorsnee-schaker zit (zoals ook eerder opgegeven in mijn artikeltje eten en drinken). Echter de hoofdvogel van langste partij kon ik dit tornooi niet op mijn naam schrijven want die ging naar de dramatische partij in ronde 7 tussen de Zweedse grootmeester Thomas Ernst en onze Belgische topper Mehr Hovhanisian die 108 zetten duurde. 

Eigenlijk kan ik live borden iedere organisatie aanraden. Het is een kleine investering maar het rendement vind ik dubbel en dik terugverdiend in publiciteit en entertainment. Er zijn mogelijks ook nog een paar verbeteringen mogelijk. Zo wordt door Open Leuven niet alleen een registratie gedaan van de zetten maar ook het tijdsverbruik van elke zet. Dit vind ik persoonlijk erg handig niet alleen om beter de partij te begrijpen maar ook om eventueel als betrokken speler conclusies te trekken. Tenslotte zou de organisatie ook een commentator kunnen plaatsen in de zaal waar het grote scherm staat met de projecties van de live-partijen. Dit kan snel prijzig worden maar ik geloof dat een lokale 2200 speler ook al voor een ruim publiek kan commentariëren. Vals spelen is dan wel een nadeel van de technologische vooruitgang maar er bestaan zeker ook vele voordelen.

Brabo

dinsdag 21 oktober 2014

Interferenties

Geregeld op deze blog toon ik tekortkomingen aan van onze beste schaakprogramma's. Enerzijds om programma's onderling met elkaar te vergelijken maar ook om te tonen dat sommige ideeën gevonden door mensen, nog niet in een algoritme kunnen worden beschreven. Ondanks de tekortkomingen zullen er weinigen nog twijfelen aan het nut van schaakprogramma's. Zelfs mijn ploegkapitein Robert verraste mij gisteren door computerevaluaties in zijn verslagje door te sturen wat ik enkele jaren geleden nog als compleet onmogelijk had beschouwd. We kunnen het niet ontkennen dat de schaakprogramma's ons allemaal hebben voorbij gestoken in sterkte. "I can't beat the best computers" zei Carlsen enige tijd geleden in een interview. 

Recent stond op Quality Chess een mooi voorbeeldje van hoe groot het krachtsverschil wel is geworden tussen mens en computer. Aan een + 2650 speler werd gevraagd hoeveel grote fouten (directe winst of een belangrijke tactische wending)  hij zelf had gemaakt in 24 partijen (waarbij sommige tegenstanders slechts 2200 elo hadden). Een schaakprogramma kon er al snel 10 vinden ondanks de matige tegenstand. Als 2300 speler maak ik uiteraard een veelvoud van dit soort zware fouten. Sommige van die fouten zijn zonder twijfel vermijdbaar maar ik denk dat er ook fouten zijn waartegen de beste tijdsindeling en tactische trainingen geen remedie zullen bieden.

Zo mistten zowel mijn tegenstander als ikzelf een prachtige tactische wending in ronde 6 van Open Gent. Het was de enige smet op een anders vrij rimpelloze overwinning. Net voor slapen gaan na de speeldag ontdekte ik het met een schaakprogramma. Het mag na middernacht zijn maar het onmiddellijk checken van de zonet gespeelde partij(en) is iets waaraan ik niet kan weerstaan. Sommige spelers vertellen mij dat ze net het omgekeerde doen omdat ze dan helemaal niet meer kunnen goed slapen.

Een fantastische zet waarna de computerprogramma's aanvankelijk stellen dat zwart gelijkspel heeft maar bij verder rekenen toch een groot voordeel kunnen aantonen in de complicaties. Het stukoffer creëert een interferentie tussen dame en loper. Dit soort interferenties zijn uiterst zeldzaam in bordschaak maar in de compositiewereld is het welbekend. Zo bestaan een stel thema's rond (Holzhausen) interferenties. Omdat ik dit zowel interessant als mooi vind, zal ik vervolgens in een notendop schetsen wat er allemaal mogelijk is.

De Grimshaw kwam al aan bod in mijn blogartikeltje schaakcompositities want het wordt veelvuldig gebruikt in mijn werkje over Loydse orgelpijpen. Een Grimshaw is een onderlinge interferentie van 2 stukken. Het eenvoudig voorbeeld hieronder legt dit thema goed uit.
Grimshaw-probleem Wit geeft mat in 2
Wanneer de onderlinge interferenties van de 2 stukken gebeurt door een stukoffer dan spreken we over een Novotny. In probleemschaken is dit erg gewoon en dus meestal verwerkt in een groter concept. Hiervan selecteerde ik een zeldzaam voorbeeldje uit de bordpraktijk die in zijn eenvoud het idee goed toont.

Als de Novotny gebeurt door stukken die bewegen in dezelfde richting (diagonaal of verticaal) dan kunnen we spreken over een Plachutta. Een eenvoudig maar duidelijk werkje van de Amerikaanse topcomponist William Anthony Shinkman is hieronder na te spelen.
Plachutta-probleem Wit geeft mat in 3
Mijn partijfragment is geen Plachutta ondanks er een stukoffer gepleegd wordt en de dame + toren rechtlijnig bewegen. Er is slechts 1 interferentie en geen 2. De dame kan het paard niet slaan omdat de dame dan verloren gaat en niet omdat de toren geinterfereerd wordt. Tenslotte wanneer we een Plachutta hebben over eenzelfde lijn dan spreken we over een Anti-Bristol. Van dit laatste en meest complexe thema is het al moeilijker om een eenvoudig voorbeeld te vinden.
Anti-Bristol Wit geeft mat in 3
Het thema anti-Bristol is afkomstig van de Bristolruiming die ik al eens eerder besproken heb in mijn artikeltje probleemzetten. Er bestaan dus heel wat soorten van interferenties. Erg nuttig zijn deze weetjes niet om goed te kunnen schaken maar als amusementswaarde denk ik dat het wel kan tellen. Schaken doen we toch eerst en vooral voor ons plezier, niet?

Brabo

Oplossingen:
Grimshaw-probleem: 1.Db1 (dreigt Db7#)
1...., Lb2 2.Dh1# De loper interfereert de toren.
1...., Tb2 2.Df5# De toren interfereert de loper.

Plachutta-probleem: 1.d5 (dreigt Ta8# en Tg8#)
1...., Lxd5 2.Tg8+ Lxg8 3.Ta8# De loper interfereerde de dame.
1...., Dxd5 2.Ta8+ Dxa8 3.Tg8# De dame interfereerde de loper.

Anti-Bristol: 1.c3 (tempo)
1...., Dc6 2.Pd6+ Dxd6 3.Pe3# De dame interfereerde de toren.
1...., Tf6 2.Le6+ Txe6 3.Pa3# De toren interfereerde de dame.

maandag 13 oktober 2014

Gratis

De lezer die mijn blog al even volgt of eenvoudig mijn profiel eens bekeken heeft, zal zonder twijfel opgemerkt hebben dat ik van heel veel schaakwalletjes al gegeten heb. Correspondentieschaak, oploschaak, compositieschaak, openingsstudies, eindspelstudies, partijanalyses, reglementen, schaakgeschiedenis, ...  Kortom er zijn weinig domeinen in het schaken waarmee ik helemaal geen ervaring heb. Ook praten over het schaken doe ik erg graag. Op cafe kan best wel leuk zijn maar schrijven over schaken vind ik persoonlijk een veel efficiëntere methode omdat je dan de tijd kunt nemen voor opzoekwerk, om standpunten met voorbeelden toe te lichten,... M.a.w. met schrijven kan je makkelijker diepgang creëren.

Schrijven over schaken deed ik al van bij het prille begin dat ik schaakte. Ik heb wellicht nog de schriftjes (jaren 92-95) ergens liggen waarin ik elke dag neerpende wat ik gedaan had voor het schaken. Nee die ga ik nu niet opzoeken om iets uit te citeren want mijn schrijfsels zijn nu nog niet veel soeps en toen was het uiteraard nog veel erger. Voor het clubblad van mijn 1ste club schreef ik ook heel wat artikels. Daarnaast schreef ik ook verslagen van interclubontmoetingen of tornooien. Sedert 1998 postte ik ook heel wat op het internet maar deze blog is zonder twijfel het grootste schrijfproject waaraan ik ooit heb gewerkt. Ik heb de uren niet bijgehouden die ik erin gestoken heb maar het zijn er erg veel al.

Eigenlijk sta ik er zelf versteld van dat deze blog nog altijd loopt. Bij aanvang van de blog had de oud-wereldkampioen correspondentieschaken Gert-Jan Timmerman mij gewaarschuwd dat ik snel zonder onderwerpen zou geraken. Zelf had ik ingeschat dat ik na 2 maanden wel uitgepraat zou zijn maar vandaag kan ik stellen dat ik zeker nog 5 ideeën heb die ik kan uitwerken in artikels. Dus de blog is nog niet direct aan zijn laatste adem toe. Echter dit betekent niet dat ik geen nieuwe schrijvers meer verwelkom. Eind 2012 deed ik een eerste oproep om er een multi-blog van te maken en de uitnodiging op de startpagina is nog steeds geldig.

Ik vind het spijtig dat er op een aantal uitzonderingen na hierop niet vaker is geantwoord. Meer antwoorden had ik niet perse verwacht maar wel op gehoopt want met meer schrijvers kun je de blog veel aantrekkelijker maken. Ik klaag maar zie dat ook schaakfabriek met dezelfde problemen kampt. Jan Lagrain heeft duidelijk minder tijd dan enkele jaren geleden om zijn nobel project van (Vlaamse) schaakactualiteit te verslaan en er komt spijtig nauwelijks steun van gastschrijvers om het journalistiek niveau van weleer te behouden.

Met bewondering maar ook een zekere afgunst stel ik vast dat wat in Vlaanderen/ Belgie niet lukt, wel kan in Nederland. Schaaksite blijft bijna dagelijks met interessante artikels op de proppen komen waaraan zelfs heel wat topspelers aan meewerken. Is het een mentaliteitsverschil waardoor Nederlanders ook meer topspelers hebben of is er toch iets anders aan de hand? Vorige zomer werd de sluier opgelicht toen er een bericht op schaaksite verscheen voor financiële steun. 35.000 euro tot 50.000 euro per jaar zou er worden uitgegeven door schaaksite. Een bedrijfje had afgelopen jaren dit geld er steeds ingepompt en wou deze uitgaven nu (crisis?) terugschroeven. Tja dit nieuw gegeven brengt uiteraard een heel nieuwe kijk op over schaken schrijven. 

Naar alle waarschijnlijkheid zou schaaksite net met dezelfde problemen kampen als wij hier in België als de financiële steun aan de schrijvers zou wegvallen. Een grote stap verder gaat de kenilworthian die 3 keer de prijs kreeg van beste Amerikaanse blog door te stellen dat professioneel bloggen vandaag amateurblogs irrelevant heeft gemaakt. De amateur kan nooit dezelfde kwaliteit en kwantiteit leveren en wordt hierdoor verwezen naar de achtergrond. Zoiets weiger ik aan te nemen vooral van een blogger die zelf er net de brui aangeeft en wellicht een tikkeltje verbitterd is.

Echter laatstleden op 1 oktober werd Chesscafe plots betalend. Wel het is te zeggen, je moet 50$ betalen en je krijgt het terug in een waardebon van 50$ die je kan spenderen in hun winkel. Dit is geen goed nieuws voor winkels zoals De Denksportkampioen. Dus opnieuw een site met interessante content (op mijn blog refereer ik er af en toe eens naar) die duidelijk de professionele weg opgaat. Zou het dan toch werkelijkheid worden dat gratis steeds minder zal voorkomen op het internet wanneer het over leuke, interessante artikels gaat?

Ik zie sommige clubleden zonder problemen hun portemonnee open trekken wanneer ze iets interessants over het schaken willen weten/ lezen maar ik sta daar veel terughoudender tegenover. Schaken is niet mijn beroep en bijgevolg heb ik altijd getracht om de invloed van geld tot een minimum te beperken. Het is wellicht een dwaze romantische filosofie maar ik geloof nog in het schaken puur om de schoonheid van het spel. Ik sta wellicht eenzaam op een eiland met deze filosofie maar toch hoop ik dat er geregeld mij eens iemand komt vervoegen. Er zijn zeker betere schrijvers dan mijzelf met frisse ideeën. Ik wil niet geloven dat gratis niet meer mogelijk zal zijn.

Brabo

zondag 5 oktober 2014

Bouwstenen

Als er 1 speler vandaag toont dat je met weinig middelen veel partijen kunt winnen dan is het zeker de regerende wereldkampioen Carlsen. Keer op keer bewijst hij dat het spelen van gezonde zetten vaak voldoende is om de tegenstander te doen kraken. Niet iedereen wordt enthousiast van zulke speelstijl wat bijvoorbeeld uit de reactie van de Duitse ere-president Robert von Weizsacker kan worden afgeleid. Zielloos, vervelend, dit heeft niets te maken met wie de betere schaker is maar gewoon wie het langst geconcentreerd aan het bord kan blijven zitten (sitzfleisch) , werden als harde verwijten rondgestrooid.

Of Carlsens partijen al dan niet aantrekkelijk zijn, wil ik het hier niet over hebben want over kleuren en smaken wordt niet getwist. Echter wat ik hieruit wel onthoud is dat de meeste spelers zelfs in gelijke stellingen niet in staat zijn om de balans in evenwicht te houden. Voor het niveau waarop ik speel, is dit uiteraard nog veel meer het geval.  Mijn artikeltje mijn mooiste zet bespreekt dit aspect uitgebreid. Mijn tegenstanders spelen veel minder stabiel dan Carlsens tegenstanders waardoor vaak het vermijden van grove fouten al voldoende is om de partij te winnen. Mijn partijen duren door het toepassen van deze voorzichtige strategie door de regel ook een stuk langer dan gemiddeld. Ik moet toegeven dat de halfoogstsimultaan in Veurne waar ik als simultaangever onlangs speelde hierdoor deels ontspoorde in een ware uitputtingsmarathon. Mijn excuses nogmaals voor degene die dit niet leuk vonden.  

Dus Stevens reactie op mijn vorig artikeltje vind ik deels overdreven. Partijen stranden echt niet zo snel in remise omdat op 1 of 2 momenten niet de kritieke zetten worden gespeeld. Bovendien vooraleer te klagen over het aantal remises, moeten we eerst kijken of we voldoende Sofia regels toepassen. Het heeft weinig zin om meer agressie te eisen in partijen als er te gemakkelijk voortijdig tot remise wordt besloten. Anderzijds moet ik natuurlijk ook toegeven dat de reactie ook een stuk waarheid bevat. Soms maakt de tegenstander evenmin duidelijke fouten en kan je niet meer dan remise behalen zonder risico's te nemen. Dit gebeurde ook in mijn partij tegen Andrew Stone.

Dit is ook de reden waarom ik op zet 42 plots wel besliste om een stuk te offeren op g4 voor 2 verbonden witte pionnen. Met minder dan 5 minuten resterend op de klok moet ik toegeven dat het grotendeels intuïtief was maar snel bleek dat het offer volledig correct was. Achteraf vertelde ik aan Kara dat ik pas erg laat in de partij aan het offer had gedacht toen ik begon door te krijgen dat rustige solide zetten niet voldoende zouden zijn voor de winst. Kara antwoordde mij droog dat het offer bekend is uit het Koningsindisch. Tegenwoordig ben ik bezig met de Kasparov reeks over My Great Predecessors om o.a. mijn gebrekkige kennis van de schaakhistorie bij te schaven. Dit is een absolute must voor mij wegens mijn eng repertoire maar dit type offer was ik nog niet tegengekomen in de Koningindische partijen.

Op Kara's advies speelde ik ook alle winstpartijen in het Koningsindisch na van oud wk-finalist David Bronstein en de Franse grootmeester Igor Nataf die beiden in deze opening specialisten zijn/waren maar het offer op g4 kon ik niet terugvinden. Trouwens g4 wordt m.i. zelden of nooit door wit gespeeld in het Koningsindisch dus ik denk dat er wellicht een verwarring is met de standaard offers op h3. Het ene offer is het andere niet. Ik kon 3 grote categorieën van lichte stukoffers voor 2 verbonden pionnen vinden.

Een eerste categorie is het stukoffer in het eindspel. Een licht stuk wordt geofferd om zelf 2 verbonden en ver opgerukte pionnen te verkrijgen die in sterkte het lichte stuk overtreffen. Ik herinner mij een anekdote met de huidige Belgisch kampioen Geert Van der Sticht die na een pijnlijke nederlaag tegen oud wereldtopper Michail Gurevich zijn hart kwam luchten.

Achteraf had Mikhail iets gezegd in de stijl van "Elementary, my dear Watson" wat voor Geert uiteraard niet aangenaam was. Het stukoffer was bijlange niet winnend maar praktisch is het wel erg kansrijk. Nu een speler van het kaliber zoals Mikhail kent wel wat meer bouwstenen dan de meeste schakers dus hij had wel gelijk. Een variant van dit thema kan je bijvoorbeeld terugvinden in de beroemde partij Capablanca - Lilienthal die besproken wordt in My Great Predecessors part 1.

De tweede categorie is de meeste bekende namelijk het lanceren van een koningsaanval. Het pionnenschild voor de koning wordt ontmanteld waarna de koning onder vuur komt te liggen. Als speciaal voorbeeldje koos ik een Koningsindische partij met een stukoffer op g4 waarvan ik eerder vertelde dat ik geen voorbeelden vond. Wel het verschil zit hem uiteraard in het feit dat wit offerde en niet zwart.

Tenslotte heb je de moeilijkste categorie en dat zijn de meer positionele stukoffers. Er wordt geen directe koningsaanval gelanceerd of er dreigen geen onmiddellijk pionnenpromoties maar de tegenstander wordt vooral beperkt in zijn tegenspel. Een prachtig voorbeeld hiervan is zonder twijfel Bronstein - Botvinnik terug te vinden in My Great Predecessors part 2.

In mijn partij tegen Stone kan je m.i. de 3 bouwstenen terugvinden. Wanneer ik het stukoffer uitvoer, is het al grotendeels een eindspel. Echter eerder in de partij was het stukoffer ook mogelijk en waren de omstandigheden anders. Mijn analyses hieronder bespreken de diverse mogelijkheden in detail.

De analyses vergden heel veel tijd vooral omdat computerprogramma's ook vandaag nog vrij hulpeloos zijn in het plannen van dit type stukoffers. Leren schaken bestaat uit het studeren van een groot aantal van dit soort bouwstenen en computers zijn hierbij niet de beste leermeesters. Ik realiseer mij dan ook steeds meer dan het onontbeerlijk is voor de eigen schaakontwikkeling dat we de klassieke meesterwerken uit onze rijke schaakgeschiedenis op zijn minst moeten bekijken.

Brabo