zaterdag 21 maart 2015

Identiteit

Met de schaakberichtgeving die bijna uitsluitend spreekt over topprestaties zouden we wel eens vergeten dat er ook geschaakt wordt op een meer recreatieve wijze. Voor 99% van de schakers is topschaak ver van hun bed. Dat kwam deze week impliciet pijnlijk tot uiting in de harde reacties op het berichtje van Oscar waarin Oscar slechts had vermeld dat onze nieuwbakken grootmeester Tanguy Ringoir zelf de 330 euro moet ophoesten om de titel aan te vragen. Explicieter was vorige interclubronde in Oude God Mortsel toen ik bij heel wat spelers al bij aanvang van de partij een pint bier zag staan naast het bord. Ik ben mij dus goed bewust van het feit dat er slechts weinigen zo serieus/ fanatiek met het schaken bezig zijn als mijzelf. 

Ik mag dan wel in mijn vorig artikeltje spreken over een wetenschappelijke methode om de openingskeuzes te optimaliseren, in de praktijk zullen de meeste amateurs al lang blij zijn als ze de openingsfase zonder kleerscheuren kunnen doorkomen. Het verfijnen van een repertoire door studeren of analyseren is iets waar velen zich niet mee bezig houden. Om te vaak openingsdebacles te voorkomen wordt veelal gekozen voor een sterk afgebakend repertoire van nevensysteempjes. Sommigen spelen dezelfde systeempjes vele jaren of decennia waardoor ze zelfs voor ervaren spelers gevaarlijk kunnen zijn. Het openingsrepertoire wordt een stukje van de identiteit van de speler. Hierbij moet ik onmiddellijk denken aan Leo Boeye die met zijn Ph3/ Ph6 als openingszetten erin slaagde om zijn stempel te drukken op elke partij.

In de luwte onder de kerktoren is het perfect mogelijk om openingstheorie te negeren maar eenmaal er partijen van jezelf in de databases verschijnen en de tegenstanders het schaken wat serieuzer aanpakken dan wordt het veel moeilijker om deze filosofie aan te houden. Dit begint vanaf een 2200 rating zie de sterktelijst. Zo herinner ik mij dat een grootmeester mij eens versloeg met een variant en 2 ronden later in hetzelfde tornooi kreeg ik dezelfde variant opnieuw voorgeschoteld van een 2300 speler. Ook die verloor ik alhoewel ik nog probeerde om het iets anders te spelen. Trouwens hier zien we ook een gevaar van blindelings statistieken te volgen. Er moet maar iemand een zwakke schakel vinden in je repertoire en er staan onmiddellijk andere spelers klaar om dit te kopiëren. In zulke situatie mag je uiteraard niet wachten op de statistieken om het repertoire aan te passen want anders kan je wel eens een lange reeks nederlagen slikken.

Af en toe gebeurt het dat ik een stukje van mijn repertoire moet vervangen dat ik al vele jaren speelde. Dit laat ik nooit zonder slag of stoot gebeuren want het zou niet consequent zijn om elke partij te spelen volgens de wetenschappelijke aanpak maar dan bij het minste probleempje in de analyse de opening op te geven. Nu ik geef toe dat ik al mij meerdere malen afgevraagd heb bij bv. het Hollands of ik niet beter mijn tijd had gestoken in andere openingen i.p.v. steeds opnieuw varianten te herstellen. Ik vind het niet makkelijk om afscheid te nemen van een opening waar je zoveel tijd en energie hebt ingestoken.

Echter wanneer ik overtuigd ben dat ik een variant niet meer kan herstellen dan verdwijnt die onmiddellijk en definitief van mijn repertoire. Het is te zeggen ik speel het enkel nog in blitz/ rapid. Dat zal zeker voor spelers die graag op de man spelen overdreven zijn maar dit is voor mij de logische keuze volgens het schaken dat ik speel. Enkele voorbeeldjes van deze wissels kwamen op deze blog aan bod, zie hollandse stappen in de engelse opening of de valse waarheid. In dit artikeltje toon ik een extreme wissel die ik recent toepaste.

Misschien zullen sommige trouwe lezers nog mijn artikeltje Gligorics systeempje tegen de spaanse ruilvariant herinneren. Hierin schreef ik dat ik het systeem sedert 1998 al speelde en ondertussen vrij goed kende maar tevens betwijfelde of het gezonder was dan het veel bekendere 7...,c5. Mijn vermoeden werd werkelijkheid toen ik recent ontdekte bij een partijvoorbereiding met houdini en stockfish dat er een probleem was.


Ik vond geen oplossing dus uiteindelijk koos ik in de partij om het niet te spelen maar ik nam mij wel voor om na de partij met meer tijd er eens serieuzer naar te kijken.

Ook na de partij slaagde ik er niet meer in om de variant te herstellen. De opening ging dus naar de prullenmand alhoewel ik een zeer sterk vermoeden had dat niemand van het probleem op de hoogte was. Noch in de big database noch in correspondentiepartijen kan je de kritieke lijn vinden en wit moet enkele typische problematische computerzetten spelen. Het is een extreme wissel van opening maar ik heb geen zin om te wachten tot iemand zijn huiswerk maakt en op het bord toont wat ik al lang wist.

Nu we het hebben over extreme wissels wil ik ook nog even meegeven dat mijn tegenstander van de vorige partij, Gorik Cools zeker niet moet onderdoen. In de database vond ik partijen van 1989 tot 2011 van hem met het koningsgambiet maar sedert 2012 heeft hij dit omgeruild voor de afuilvariant van het Spaans. Een van zijn koningsgambiet partijtjes die de databases niet haalde kan je hieronder naspelen.

Het type stelling in de afruilvariant van het Spaans verschilt enorm van de tactische stellingen in het koningsgambiet. Toch denk ik dat Gorik er goed heeft aangedaan om deze wissel te doen. Met de steeds sterker wordende schaakprogramma's is het steeds moeilijker om succesvol gambieten op lange termijn te blijven spelen. Daarnaast is het ook moeilijker om tactisch dezelfde frisheid op te brengen dan op 20 jarige leeftijd. Ik las trouwens dat de schrijver van het recente monumentale boek over het Koningsgambiet, John Shaw net dezelfde wissel maakte in zijn repertoire. Het lijkt mij inderdaad verstandig om te beseffen dat je niet eeuwig dezelfde speler blijft en je identiteit met de jaren langzaam verandert.

Brabo

maandag 16 maart 2015

Openingskeuzes

In mijn artikel een repertoire opbouwen beschreef ik hoe ik werkte aan mijn repertoire om mijn openingskennis te verfijnen en te verbreden. Echter een repertoire ontwikkelen voor een onervaren schaker is geen sinecure. Met welke opening begint men best en wat past het best bij mijn stijl? Er mag dan wel gesteld worden dat een schaker om het even welke opening kan aanleren maar ik kan begrijpen dat heel wat spelers zichzelf verliezen in de vele mogelijkheden. Zowel op het internet of de club krijg ik geregeld de vraag om te helpen een keuze te maken. Wordt het e4, d4 of nog iets anders met wit? Speel ik op 1.e4 Siciliaans, Frans, ... en welke variant dan wel?

Op een paar uitzonderingen na, weiger ik meestal om te helpen. Ik heb zelf een erg eng repertoire dus er zijn zeker spelers die beter gekwalificeerd zijn dan mijzelf om openingskeuzes te vergelijken. Je kan ook weinig zinvol vertellen als je geen goed profiel hebt van de vragende partij. Trouwens bij echte beginners is het sowieso koffiedik kijken want men heeft nog geen flauw idee wat schaken kan betekenen.

Daarom is het ook erg belangrijk om als beginner te proeven van allerlei openingen. Ik herinner mij dat ik zelf begon als 1.d4 speler. Lezers die mijn artikel gambieten hebben gelezen zullen misschien nog weten dat ik honderden of duizenden partijen gespeeld heb tegen computers. Proefondervindelijk ontdekte ik dat 1.d4 veel betere kansen opleverde om stand te houden tegen computers dan 1.e4. We weten vandaag allemaal dat 1.d4 meer naar gesloten stellingen leidt en dus efficiënter is tegen computers maar die stelregels hoorde ik slechts vele jaren later. Pas toen ik minder begon te blunderen en ik ook vaker tegen spelers van vlees en bloed begon te spelen, schakelde ik over naar 1.e4.

Externe invloeden spelen dus een belangrijke rol in de openingskeuzes die we maken. Zo herinner ik mij dat ik in mijn eerste tornooi (1993) niet tevreden was van mijn openingskeuze op 1.d4 en in die tijd het boek Dr. Max Euwe Praktische schaaklessen deel 3 net had aangekocht.
Het boek is nog moeilijk verkrijgbaar maar een speler die zijn eerste stappen zet in competitieschaak heeft niet meer nodig. Uiteraard staan de laatste ontwikkelingen er niet in vermeld maar de didactische schrijfstijl is erg verstaanbaar en het boek heb ik zelfs nog vele jaren later geregeld geraadpleegd. Het was door dit boek dat ik het Hollands ontdekte als een aanvaardbaar alternatief op 1.d4.

Computers, boeken hebben dus een grote invloed op onze openingskeuzes maar ook wat andere schakers spelen. Het is geen toeval dat in sommige (kleinere) clubs de helft van de spelers eenzelfde repertoire heeft. De beste speler van de club heeft succes met een bepaald repertoire en andere spelers trachten een graantje mee te pikken door dit te kopiëren. Het is ook logisch om een opening te spelen die je zelf niet kunt weerleggen.

Eigenlijk is ons repertoire dus een product van toevalligheden en emoties. Sommige ambitieuze spelers zijn hiermee niet tevreden. Zou het niet beter zijn om op een meer wetenschappelijke wijze een repertoire op te bouwen? Zelf ontwierp ik in mijn beginjaren een mathematisch model om op basis van stukkenactiviteit te bepalen welke openingen goed en minder goed waren. Hoe meer mogelijke zetten extra je kon spelen t.o.v. van de tegenstander, hoe beter de openingskeuze. In de beginpositie beschik je met wit over 16 pionzetten en 4 paardzetten wat dus samen 20 mogelijke zetten betekent. 1.e4 is de zet die ervoor zorgt dat je het aantal maximaal verhoogt naar 30: 15 pionzetten, 5 paardzetten, 5 loperzetten, 4 damezetten en 1 koningszet.

Een absurde methode uiteraard want kwantiteit zegt weinig over kwaliteit. Anderzijds leerde ik wel hieruit het principe van centrum bezetten en activiteit dus helemaal nutteloos was het evenmin. Een erg gelijkaardig maar complexer mathematisch model werd laatst gepubliceerd op Chessbase waarin op basis van veldbezetting en veldcontrole conclusies worden gemaakt. Hierbij werd de rekenkracht gebruikt van moderne computers om duizenden partijen te verwerken. Echter ook hier geldt dezelfde opmerking dat getallen niet kunnen worden omgezet naar concrete zetten. Een ogenschijnlijk klein detail kan ervoor zorgen dat de situatie helemaal veranderd.

Is er dan helemaal niets dat we hebben om op wetenschappelijke basis openingskeuzes te kunnen maken? Toch wel want vandaag beschikken we over engine openingsboeken die statistieken weergeven over welke openingen goed of minder goed scoren in de praktijk, zie mijn artikel groene zetten. Er zijn ook de Chessbase rapporten die je kan opvragen per speler. Hiermee krijg je niet alleen een zicht op wat de speler allemaal gespeeld heeft en wanneer maar ook hoe goed hij met welke opening scoorde. Echter zoals Kara terecht opmerkte in een reactie op het vorig artikeltje zijn hieraan serieuze beperkingen. Zo geeft het rapport vaak een vertekend beeld voor de amateurs omdat voornamelijk hun partijen tegen professionele spelers worden verwerkt. Van mijn 720 standaardpartijen staan slechts 255 partijen in de Big database 2015 en je kan zelfs slechts 1 gedeeltelijke van mijn 20 correspondentiepartijen in een database terugvinden. Bovendien is het niet perse beter om een variant te kiezen waarin de tegenstander eerder mee verloor. Als de tegenstander de variant herhaalt dan zal hij bijna zeker een verbetering voorbereid hebben. Vaak is het interessanter om net een variant te kiezen waarmee de tegenstander goed scoort of onlangs mee gewonnen heeft op voorwaarde uiteraard dat je zelf een idee hebt voorbereid.

Een andere methode om openingskeuzes te optimaliseren is te vertrekken vanuit jezelf i.p.v. de tegenstander. Een coach kan hierbij zeker helpen maar zelfs zonder coach is al veel mogelijk. Als je al enkele jaren schaakt en je archiveert de gespeelde partijen dan kan je hiervan een openingsboek maken die veel nauwkeuriger is dan wat je met een Chessbase rapportje gebaseerd op de Big database 2015 kunt creëren. Indien er veel varianten zijn die je met beide kleuren speelt (zie artikel kleuren omwisselen) dan is het zinvol om een apart openingsboek voor wit en zwart te maken. Om de mogelijkheden van deze wetenschappelijke methode aan te tonen, gebruik ik een voorbeeldje uit mijn wit openingsboek na zet 1.e4.

Met statistieken moet steeds omzichtig worden omgegaan want te snel worden verkeerde conclusies getrokken. Vooreerst moet worden gekeken of er voldoende datapunten zijn om statistische fluctuaties te kunnen opvangen. In het artikel schaakopeningen studeren gaf ik aan dat de invloed van openingen beperkt is t.o.v. het uiteindelijke partijresultaat. 10 partijen is een absoluut minimum om iets te kunnen vertellen maar liefst heb je een veelvoud. Daarnaast moeten we ook rekening houden met de tegenstand. I.p.v. te kijken naar de procentuele score is het daarom interessanter om te kijken naar de TPR die behaald werd.

In het voorbeeldje zien we enkele opmerkelijke verschillen in TPR tussen de diverse zwarte antwoorden op mijn 1ste zet die niet enkel kunnen worden verklaard door statistisch ruis. Sommige openingen liggen mij duidelijk beter dan andere. Zo zien we dat mijn tegenstanders met het Scandinavish (d5) gemiddeld 200 punten onderpresteren (2000-1790) Echter met de Caro-Kann (c6) presteren mijn tegenstanders gemiddeld 100 punten meer (2011-2132) dus verlies ik elo. Dit soort info geeft goed aan waar een repertoire best aangepast wordt of bijgeschaafd.

Hetzelfde proces kan herhaald worden voor stellingen dieper in bepaalde openingen. Het repertoire wordt opgebouwd met openingen die statistisch voor jezelf de beste kansen opleveren. Een extra voordeel kunnen spelers, die regelmatig wisselen tussen openingen, halen uit deze methode door dit ook toe te passen in de voorbereiding. Stel je tegenstander speelt op 1.d4 een variant waarop je lichtjes negatief scoort maar op 1.e4 een variant waar je + 100 TPR scoort dan kies je uiteraard voor 1.e4.

Nu ik ga zeker niet beweren dat met deze wetenschappelijke methode steeds de perfecte openingskeuze wordt gemaakt. Soms ben je in de stemming om iets creatiever te spelen of is een remise meer dan voldoende. Een opening spelen waarin je niet zo goed scoort, kan ook leerrijk zijn. Trouwens een score hoeft niet altijd negatief te zijn zoals onderstaand screenshot van mijn Caro Kann partijen aantoont.

Ondanks een negatieve TPR score van 100 punten zien we dat ik mijn laatste 9 partijen won weliswaar tegen bescheiden tegenstand. Mits enige studie kan een score positief worden beïnvloed. Het is daarom vaak beter om statistieken te maken enkel van de meer recente partijen opnieuw op voorwaarde dat er voldoende partijen zijn.

Veel spelen en proberen is een basisvereiste om een aanvaardbaar rendement te verkrijgen met deze methode. De laatste jaren speel ik zelf door combinatie prive-werk uiteraard veel te weinig waardoor het meestal bij aanmodderen in de marge blijft. Kleine aanpassingen in mijn keuzes durf ik wel te maken maar voor grote experimenten pas ik. Pragmatisme of angst dat laat ik in het midden.

Brabo

woensdag 11 maart 2015

Kibitzen in Cappelle La Grande

Een tweede tornooibezoek bracht me naar Cappelle-la-Grande, al sinds 1985 een belangrijk trefpunt voor de schaaktop. Voor de Belgische schaker die een groot en vooral sterk tornooi zoekt om de winter door te komen, look no further. CLG is een tornooi dat misschien wel midden in het seizoen valt (de tweede ronde op zondag viel op een Belgische interclubdag), maar qua schaaksfeer leunt het dicht bij Wijk aan Zee (en Hastings for that matter) aan. Het is winter, je zit op een boogscheut van de havenstad Duinkerken, in het dorp is niets te doen, maar het schaken – how!

Wanneer je de speelzaal binnenkomt, dan zie je dit :

De zaal is ruim en op het podium achteraan zitten de tien topborden. Voor het podium zit een rij ‘aspirant topborden’ (tot en met bord 26). Daarna de massa – het peloton – en opzij, op een verhoogd platform aan beide kanten, de achterhoede. Het komt er voor de schaker op aan om in het peloton te zitten. Een beetje zoals vroeger, toen het open tornooi van Gent in de Sint-Pietersabdij werd gehouden (in verschillende zalen), om in één van de twee hoofdzalen te zitten en de warme zolderzaal te vermijden. Niet dat er ongemakken aan verbonden zijn om op de zijplatforms te spelen, maar pas op het grote veld zit je ‘onder de mensen’.

De vele deelnemers (zo’n 550 spelers die het tornooi uitspeelden), mede dank zij de vele ratingprijzen en de mogelijkheid om normen te scoren, zorgen ervoor dat dit tornooi een topper blijft op de kalender. Het deelnemersveld komt letterlijk van overal ter wereld naar hier afgezakt. In totaal waren er maar liefst 192 spelers uitgenodigd (en niet enkel toppers, maar ook schakers met ratings van 2100, 2000 of zelfs 1900 en lager). Ook die grote variatie aan nationaliteiten maakt van CLG een uniek tornooi – wanneer kan je als Belg eens spelen tegen iemand van Brazilië, Canada, Colombië, Indië, Zweden of Japan? De grote meerderheid is Frans natuurlijk, meteen gevolgd door de Belgische delegatie (ruim 50 spelers sterk), maar wie zou denken dat de Britten of Duitsers dankzij de nabijheid de derde nationaliteit zijn – ik heb het niet nageteld, meer de Oekraïners vormen telkens een grote delegatie. Vorig jaar – toen het conflict met Rusland net begonnen was – speelden vele Oekraïners met de blauw-gele strepen op de wangen.

Ik bezocht het tornooi tijdens de achtste ronde (vrijdag 6 maart), toen het stof van de versnelde paringen al neergedwarreld was. Die versnelde paringen hadden meteen effect, want het topbord, de Chinees Li Chao (in FIDE-termen Li Chao ‘b’, omdat er nogeen Li Chao van 2320 is), mocht meteen een half Zwitsers gambiet uitproberen, na zijn remise tegen Tomas Laurusas (2411). Het legde hem geen windeieren, want hij zou later zonder nederlaag het tornooi winnen met 7,5/9.

En hoewel dat versneld Zwitsers ervoor zorgt dat je niet zoals in Gent in de eerste ronde met wat geluk tegen een (groot)meester kan aantreden, is dat in CLG geen belemmering om in de volgende rondes wel schakers met titels tegenover je te krijgen. Zo had Veurnaar Aurèle Lenoir (1773) de pech / het geluk (alnaargelang het standpunt) dat hij met 3,5 op 4 startte en daar in ronde vijf nog een remise aan plakte tegen Ryosuke Nanjo (2349). Zijn volgende tegenstganders hadden ratings van 2307, 2321, 2143 en 2048 en Aurèle eindigde het tornooi met 4/9. Maar daarvoor kom je natuurlijk naar CLG – om toch eens de degens te kunnen kruisen met die toppers.

Even de Belgen bespreken : Hanne Goossens (2138) was goed op dreef en speelde een perfect ‘+/-‘ tornooi : 5 maal winst met wit, afgewisseld met 4 maal verlies met zwart. In ronde acht mocht ze tegen Alina L’Ami aantreden, vrouw van IGM Erwin en voor de Chessbase-volgers bekend als fotografe van dienst bij grote tornooien. Ze verloor die partij maar ik had dus het geluk om Hanne en de fotografe te kunnen fotograferen wanneer ze eens niet achter een fototoestel zit/ligt/hangt/staat.
links Alina L'Ami, rechts Hanne Goossens
Nu we bij L’Ami zijn – onder de foto’s op Chessbase, stonden er enkele met witte papagaaien. Ik had er nog niet bij stil gestaan waar die vandaan kwamen, maar dat werd me algauw duidelijk gemaakt toen volgende speler zijn onhoudbare eindspel had opgegeven : 

Franky Deketelaere is een bekend gezicht in West-Vlaanderen en daarbuiten. Hij heeft enkele jaren na elkaar een simultaan in Torhout georganiseerd, waarbij hij grootheden als Bronstein, Van Wely en Van der Wal kon strikken. Daarnaast staat hij vermeld in een boek van Paul Motwani en heeft hij als een mini-versie van Marc Lacrosse al aan tornooien over heel Europa deelgenomen (Hastings, Vlissingen, Oost-Europa, …). Nog niet zo lang geleden (in 2013) kaapte hij in Leiden de eerste prijs wegin het B-tornooi. Een echte schaker dus, niet weg te slaan van het bord, en vooral : altijd gemotiveerd. Maar een andere hobby van hem is het houden van papagaaien en de witte exemplaren neemt hij soms mee op zijn schaakavonturen. In CLG had hij ze een drietal keren mee, soms het koppeltje, soms het vrouwtje alleen. En dat zorgde dus voor de opmerkelijke foto’s.

Toppers genoeg in CLG, jawel. Vorig jaar nog Ding Liren, nu Li Chao, met 2728 top dertig in de wereld. Faalde Ding Liren vorig jaar nog in CLG, dan zorgde Li Chao ervoor dat hij het vertrouwen van de Chinese schaakfederatie niet beschaamde. Hij werkte zich na zijn remise in ronde één gestaag op naar de topborden en versloeg in ronde zes leider Onischuk (5/5), wat van groot belang was voor de eindzege. Hiermee kwamen beiden op 5/6, daarna volgden ze hetzelfde parcours : eerst nog een remise in ronde zeven en dan winst in rondes acht en negen. Beiden 7,5/9 en gedeelde tornooiwinst.

Het belang van een goede eindspurt in een Zwitsers tornooi werd nog onderstreept door de nummers drie en vier, die ex aequo op 7/9 eindigden. Zij wonnen maar liefst hun laatste vier partijen (na een nederlaag in ronde vijf). Het toont maar aan dat je nooit moet wanhopen in een Zwitsers tornooi, ook niet met 3/5.

(borden één en twee in ronde acht : Kotronias die gaat verliezen van Onischuk en Li Chao die gaat winnen van Mekhitarian)
 
Enkele voorbeelden dat dit geen tornooi voor doetjes is: het Duitse talent IM Dennis Wagner (2523) behaalde “slechts” 5,5/9. Kevin Spraggett – een vaste klant in CLG en ooit nog kandidaat voor de wereldtitel (1985 Montpellier, wie weet dat nog) – had een eindspurt van 4/4 nodig om nog bij de groep met 6,5/9 te komen. Diverse grootmeesters met een rating van meer dan 2500 zaten in de groep van 5/9 en schaakbelg Vadim Malakhatko (2522) kende een barslecht tornooi-einde: 0/3 en gestrand op 4,5/9.
Vadim Malakhatko: een tornooi om snel te vergeten
FIDE-meester FabriceWantiez (2332) werd eerste Belg, op een 171ste plaats met 5/9. Hij was in goed gezelschap, want Christian Bauer (2651) stond maar één plaatsje boven hem. Hij kan terugblikken op een sterk tornooi, dat al begon in ronde 1 : remise tegen Mekhitarian (2556), die uiteindelijk zesde werd. Ronde 2 : verlies tegen Artur Gabrielian (2251) ; daarna vocht hij zich terug, wat hem nog een topgrootmeester opleverde in ronde zes : Alexander Areshchenko (2661) – het werd weer een verlies, maar de prestatie mag er zijn.

Hanne Goossens hebben we al gehad – ook zij speelde een prima tornooi, waarbij ze dus de pech had om steeds tegen de sterkere tegenstand met zwart te moeten aantreden, om dan de dag erop met wit de iets zwakkere tegenstand te moeten oprollen.  Haar verliespartijen waren tegen toppers : Ognjen Jovanic (2474), Nikolaj Milchev (2409) en dus Alina L’Ami (2392). Niettemin een prima tornooi, waarin ze haar waarde bevestigde.

Dan vinden we het vriendentrio Willem Van Melkebeke, Ruben Smekens en Martijn Maddens. Alle drie op een zakdoek (plaats 198-210) met 5/9, maar met een verschillend parcours achter de rug. Alle drie namen ze een forfait in ronde twee (interclub gaat voor), maar daar houdt de vergelijking op. Willem mocht in ronde vier (met 2/3) aantreden tegen Volodymyr Vetoshko (2404) en hield remise. Zijn beloning was een partij tegen Pavel Martynov (2410), die hij verloor. In ronde zeven kreeg hij nog een nul te verwerken tegen Kevin Roser (2395), maar om nog met zo’n tegenstand 5/9 te scoren is prima uiteraard. 

In ronde acht speelde Ruben Smekens met vuur, maar haalde in het verre eindspel de vis toch op het droge. Een remise in de laatste ronde bracht hem op 5/9. Maar ook hij liet sporen na bij het getitelde schakersgild: in ronde 7 hield hij FM AlexisDouriet Duany (2307) op remise.
Ruben Smekens (rechts) bezig een eindspel uit te persen tot winst in ronde 8.
Martijn Maddens van Roeselare kende een gelijkmatig tornooi, maar verloor wel zijn partij na de forfait in ronde twee. Hierdoor moest hij eerst enkele zwakkere spelers verslaan om dan in ronde 7 IM Razvan Preotu (2441) op remise te houden. In ronde acht bood hij goed weerwerk tegen Pier Luigi Basso (2382), maar in de analyse bleek dat de Italiaan (die een sterk tornooi speelde) wel enorm veel gezien had.
links Pier Luigi Basso, rechts Martijn Maddens
Kortrijkzaan Pieter Truwant hees zich ook nog bij de groep met 5/9, door eveneens een eindspurt je van 2/2 uit de hoed te toveren. Hij ontliep een beetje de hoge elo’s maar kreeg toch zijn deel +2100 – spelers. Door in de laatste ronde de bekendeschaakfransman Alain Fayard (FM 2247) te verslaan, maakte hij zijn tornooi nog goed. Hierna een foto van het winnende eindspel dat hij in ronde acht op het bord kreeg (er staan geen stukken achter de waterfles).
links Pieter Truwant
Na wat foto’s genomen te hebben van andere topborden en hier en daar nog een bekend gezicht, vond ik het welletjes. Een lange terugtocht naar huis wachtte me nog en nu is het uitkijken naar wat deze zomer dichtbij blijkt te zijn – Dortmund misschien?

Eén bedenking misschien – pas nu besef ik hoeveel officiële partijen nog door de mazen van het net van de almachtige databanken glippen. Van de 250 partijen die hier dagelijks werden gespeeld, zal slechts een handvol (een paar honderd?) Chessbase halen. Het is onbegonnen werk om iedereen aan een elektronisch bord te laten spelen, maar het toont nog maar eens aan dat je wel degelijk nog op hoog niveau iets kan spelen zonder dat het meteen op internet komt. 

HK5000

woensdag 4 maart 2015

Kwaliteitsoffers

De meeste clubschakers hebben wel al eens materiaal geofferd om een leuke aanval op te zetten. Echter offeren puur voor strategische of positionele redenen is toch iets wat ik bijna uitsluitend bij meer ervaren spelers zie. Minder ervaren spelers hebben nog geen goed begrip van activiteit, sterke velden en zwaktes. Offeren voor iets waarvan je de waarde niet ten volle begrijpt, ga je uiteraard niet doen.

In deze categorie van offers zal veelvuldig gebruik worden gemaakt van de kwaliteitsoffers. Een speler geeft een toren op voor loper of paard. De meeste topspelers draaien hun hand niet om voor dit type offers maar als ik kijk in mijn persoonlijke database van standaard schaakpartijen dan moet ik toegeven dat het in mijn praktijk erg zeldzaam is. Dat ik geen aanvallende speelstijl heb (zie gambieten) verklaart niet alles want een partij speel je steeds met 2.

Een van de eerste keren dat ik een kwaliteitsoffer op mijn bord zag, was in de Open Gent van 2000 door de Belgische grootmeester Vladimir Chuchelov  (tegenwoordig geen actief schaker meer maar trainer van o.a. de nummer 2 in de wereld Fabiano Caruana)

Een eenvoudig maar efficiënt voorbeeld van hoe snel een verdediging uit elkaar kan spatten na een kwaliteitsoffer. Heel wat creatiever was mijn kwaliteitsoffer in 2002 tegen Raf De Coninck.

Zwart had uiteraard niet de kwaliteit mogen nemen maar begreep veel te laat hoe groot de compensatie was. Soms is het offeren van de kwaliteit technisch niet helemaal correct maar is het wel een ideaal middel om het karakter/ verloop van de partij te wijzigen.  Dit speculatief/ praktisch offer pleegde Wouter Gryson in de onderlinge partij. De volledige partij kwam al aan bod in het artikel de valse waarheid.

De vorige voorbeelden zijn helder maar vaak is het veel minder duidelijk. Zo moest ik laatst beslissen of ik een kwaliteitsoffer zou toelaten of niet in mijn partij tegen de Belgische FM Gorik Cools. Uiteindelijk koos ik om niet de mogelijkheid toe te laten maar belandde hierdoor wel wat in de verdrukking.

Het kwaliteitsoffer was dus zeker speelbaar maar niet winnend. Het is een open vraag wat er precies zou gebeurd zijn als ik de verwikkelingen wel had toegelaten. Deze terughoudendheid zien we bij topspelers veel minder terug. Toch was het voor iedereen een grote verrassing in het voorbije wereldkampioenschap dat Anand durfde de kwaliteit te offeren in zijn laatste zwart-partij vooral omdat er perfect aanvaardbare alternatieven waren.


Kwaliteitsoffers zijn dus zeker niet altijd gesneden koek. Zowel voor verdediging als aanvaller is het steeds wikken en wegen. Persoonlijke smaak, tornooisituatie,... spelen een belangrijke rol. Wel staat vast dat de kwaliteitsoffers min of meer garant staan voor creatieve stellingen en interessante verwikkelingen. Heb je zelf eens zulk soort kwaliteitsoffer gespeeld die zowel creatief is (dus niet het overbekende offer op c3 van de Draak) en er geen directe tactische rechtvaardiging is dan schrijf het neer in een reactie!

Brabo