maandag 31 augustus 2015

Overleven

Mijn deelname aan een tornooi heb ik nooit laten afhangen van het prijzengeld. Ik speel voor mijn plezier en dus zal ik veel meer aandacht schenken aan het tempo, de te verwachten tegenstand, locatie,... Een profschaker kijkt hier uiteraard helemaal anders tegenaan. Recent las ik op de blog van Natalia Pogonina dat het voor heel wat profschakers steeds moeilijker wordt om de eindjes bij elkaar te knopen.

Een belangrijke reden zou het teruglopend prijzengeld zijn in heel wat tornooien. Klopt dit of is dit een fabeltje? Ik deed de proef op de som met een vergelijking van het prijzengeld voor Open Gent in 1997 en  2015. Het algemeen prijzengeld daalde van 7437 euro naar 7125 euro. De eerste prijs daalde van 1859 euro naar 1800 euro. De CPI voor België (consumentenprijsindex of inflatie) zou ongeveer 40% betekenen over die periode. Alhoewel dit officiële data zijn, is het algemeen geweten dat de goederen in de basket een zeer uitgekiende selectie is die niet overeenstemt met de werkelijke verhoging van de uitgaven voor elk gezin. Zelf slaagde ik er bijvoorbeeld in om in het jaar 2009 mijn appartement 100% boven de aankoopprijs van het jaar 2000 te verkopen.

Behalve het lagere prijzengeld is er uiteraard ook de invloed van het groeiend aantal grootmeesters wat ik al aanhaalde in mijn vorig artikel. In 1997 namen 3 grootmeesters deel aan Open Gent. Dat is de helft minder t.o.v. de laatste jaren: 7 grootmeesters in 20135 grootmeesters in 2014 en 6 grootmeesters in 2015. Zelfs met een totaal prijzengeld van 3455 euro en eerste prijs van 800 euro zagen we in Open Brasschaat al 4 grootmeesters tot verwondering van de organisatoren. Dus niet alleen is de koek kleiner geworden maar die moet ook over meer spelers worden verdeeld. De tijd dat een speler zoals Bernard De Bruycker in de jaren 70 kon leven in Spanje van het schaken zoals beschreven in het boek Wat is er mis meneer Kasparov? is ver weg en komt zeker niet meer terug.

Over de negatieve gevolgen van deze evolutie hebben we het al gehad op deze blog in eerdere artikels: profschaak en stoppen met schaken. Echter er bestaat ook een positieve zijde aan het verhaal. Vooreerst krijgen (sterke) amateurs meer kansen om tegen een grootmeester te spelen. Daarnaast ervaar ik ook een veel hogere competitiviteit tussen de topspelers. Een decennium geleden was een speler zoals de Bulgaarse grootmeester Boris Chatalbashev een uitzondering in het Open profcircuit. Terwijl al zijn collega's makkelijk onderling een aantal salonremises speelden, was hij de enige die elke partij voluit speelde zoals ik eens in levende lijve kon ervaren in Plancoet 2004. Vandaag gaat hij nog steeds verder op deze elan met af en toe soms klinkende overwinningen zoals laatst in Maribor waar de Pirc Memorial plaatsvond.

Vandaag is Boris al lang geen uitzondering meer waardoor we in heel wat Open tornooien soms een heel grillig verloop zien waarbij het pas na de laatste ronde duidelijk wordt wie gewonnen heeft. In Open Gent gingen zelfs 2 + 2600 spelers zonder prijzengeld naar huis. In Brasschaat deelde de ongetitelde Stefan Colijn de overwinning. In Charleroi waren er ondanks een spervuur van beslissende partijen toch 5 gedeelde winnaars. Uiteindelijk werd Aloyzas Kveinys tot tornooiwinnaar uitgeroepen met de betere scheidingspunten ondanks een nederlaag in ronde 8. Zijn partij van een ronde eerder tegen Igor Naumkin is een mooi voorbeeld van dit gladiatorengevecht.

Interessante openingskeuze van de witspeler vooral als je Hollands speelt. In onze onderlinge partij van 2012 kwam een andere variant op het bord (die partij werd even vermeld in het artikel sitzfleisch) maar ik kreeg het wel vorig interclubseizoen op het bord.

De vraag van al dan niet sofia regels wordt hierdoor ook minder belangrijk. Ik kan mij voorstellen dat heel wat grootmeesters minder gelukkig zijn van het verplicht spelen in overlevingsmode. Sommigen beslissen daarom maar om naast het schaken ook een normale job te nemen. Dat dit vaak leidt tot mindere resultaten aan het bord zoals Mher wellicht kan bevestigen met het voorbije Open Brasschaat is zonder twijfel pijnlijk.

Brabo

vrijdag 14 augustus 2015

Onzichtbare zetten

Puzzelkampioen, een fietsdiploma, een medaille voor de beste zakkenloper,... Mijn kinderen geraken heel snel gehecht aan punten, diploma's, titels,... Op zich niet perse slecht in de prestatie-maatschappij die we leven maar gehaaide commerçanten slaan er graag munt uit. Ook onze fide heeft al lang ontdekt dat er heel wat geld te verdienen valt met het toekennen van titels. Wat vroeger een exclusiviteit was, is nu een geldmachine geworden. Vandaag hebben we ongeveer 1500 grootmeesters en nog steeds stijgt dit aantal elk jaar met ongeveer 50 daar de nieuwe vele malen de overledenen overstijgen.

Discussies over de waarde van de titels en de erg uiteenlopende trajecten om eenzelfde titel te behalen, zijn bijgevolg onvermijdelijk. Een ex-fide official gaf op zijn blog alvast te kennen dat hij best ok was met het huidig kader. Persoonlijk vind ik dat de titels al lang niet meer een garantie voor kwaliteit staan vandaar dat ik op mijn blog steeds een bijkomende nuancering gebruik. Grootmeester is voor mij tot 2600 elo. Sterke grootmeester tussen 2600-2700 elo en top-grootmeester vanaf 2700 elo.

Bordschaken is niet de enige schaakdiscipline waar je vandaag titels kunt verdienen. Heel wat online-sites hebben ondertussen een eigen beloningsmodel gecreëerd om spelers te binden. De waarde van de behaalde onderscheidingen is buiten de desbetreffende sites erg beperkt of vaak onbestaande. De titels toegekend door ICCF voor correspondentieschaak daarentegen worden wel door een veel breder publiek gerespecteerd. Echter ook hier zijn we de afkalving van de exclusiviteit ondanks we al over een nichemarkt mogen spreken.

Een nog veel kleinere niche is oplosschaak. Slechts 28 grootmeesters zijn er waaronder onze Eddy Van Beers. Spijtig dat zijn titel in 2009 zo weinig belicht werd want uit ervaring kan ik meegeven dat het een erg knappe prestatie is die slechts met behulp van vele jaren toewijding en een flinke dosis talent kan worden behaald. Misschien wel de meest exclusieve en meest gerespecteerde grootmeestertitel is die van het compositieschaak. Pas om de 3 jaar kan je punten verdienen om de titel te behalen waardoor het vaak iets is van een heel lange adem. Op chess.com werd enkele maanden geleden de Israelier Yochanan Afek gelauwerd als 1 van de 7 levende grootmeesters in eindspelcomposities maar eerlijkheidshalve bestaat er geen aparte titel voor eindspelcomposities. Er wordt enkel gesproken over een grootmeestertitel voor composities dus ruimer omvattend dan eindspelen. De volledige lijst is ook langer dan slechts 7 als je kijkt op wfcc wat natuurlijk geen afbreuk doet op de prestatie waaraan Afek meer dan 48 jaar heeft gewerkt !

In dit artikel zal ik het verder niet hebben over de vele prachtige studies die Afek heeft gemaakt want ieder geïnteresseerde kan de database van Harold van der Heijden aanschaffen. Ik wil het eerder hebben over een boek dat hij geschreven heeft : Invisible moves en dat natuurlijk in het verlengde ligt van zijn ander werk.

Eerst moeten we natuurlijk het eens geraken over wat onzichtbare zetten zijn. Als je live-uitzendingen af en toe meevolgt dan ondervind je al snel dat spelers het grondig oneens kunnen zijn over wat wel of niet moeilijk/ makkelijk is. Ik spreek niet alleen over de onervaren kibitzers die blindelings het oordeel van hun computerprogramma volgen maar ook commentatoren schatten vaak verkeerd in wat wel of niet zal gevonden worden door de topschakers. De moeilijkheidsgraad kan nauwkeuriger worden bepaald in specifieke oplossessies. Zo geven diverse servers aan de hand van eerdere oplosresultaten aan welke rating een bepaald probleem heeft : chesstempochessbasects, ...

Nadeel van die oplossessies net zoals met trainingsboeken is dat het sterk afwijkt van wedstrijd-omstandigheden. Het is veel makkelijker om een sterke zet te vinden als iemand op voorhand al zegt dat er een sterke zet verborgen is (zie mijn artikel mijn mooiste zet). Daarom wil ik in dit artikel mij concentreren op specifieke stellingen waarvan ik weet dat niet alleen meerdere spelers maar ook de meerderheid niet de beste zet vonden in een standaardpartij.

Middenspelen en eindspelen vallen bijna onmiddellijk af omdat ze bijna nooit 2 keer voorkomen in de bordpraktijk laat staan dat er 2 keer eenzelfde fout wordt gemaakt. Dus blijven enkel openingen over. Omdat spelers natuurlijk leren uit de geschiedenis is het ook hier niet zo evident om stellingen te vinden die voldoen aan beide voorwaarden. Een eerste die voldoet is onderstaande stelling die in 3 partijen van de Big Database 2015 voorkomt en geen enkele keer in de praktijk correct werd opgelost.

De trouwe bloglezer zal wellicht de stelling herkend hebben uit mijn artikel belgische interclubs apotheose want daar werd mijn partij tegen Glen De Schampheleire besproken. Trouwens later vertelde Glen in een blogcommentaar dat de combinatie in een bijna identieke stelling werd gevonden door de Italiaanse grootmeester Axel Rombaldoni maar bijna identiek is niet identiek dus telt hier niet mee.

Een tweede veel frequenter gespeelde stelling die ik toon, is al bekend van 1892. In 178 partijen werd slechts 23 keer de beste zet gespeeld en dan nog hoogstwaarschijnlijk bijna uitsluitend door spelers die de stelling al eens eerder hadden gezien.

Grootmeesters Kevin Spragett, Alonso Zapata en zelfs Anatoly Karpov misten de beste zet. Kevin Spragett mistte de zet zelfs 2 keer. Het toont aan dat niet iedereen het eens is om alle partijen grondig te analyseren zoals ik aangaf ik mijn artikel welke partijen analyseren. Oud-wereldkampioen Alexander Alekhine speelde de eerste keer de juiste zet maar zag daar van af in een 2de ontmoeting. Er moeten inderdaad best wel enkele tactische varianten worden uitgerekend maar was dat net niet de specialiteit van Alekhine? Zelf vond ik de zet uiteraard ook niet de eerste keer maar online kon ik ondertussen al 40 keer mijn blitztegenstanders imponeren met Kf1.

Een 3de en laatste voorbeeld haal ik van de excellente maar nu slapende curiositeiten site van Tim Krabbe. De stelling komt minder frequent voor dan de vorige want slechts 41 keer maar blijkt nog veel moeilijker want 0 keer werd de winnende zet gespeeld in standaardschaak.

De Philipijnse grootmeester Eugenio Torre is de bekendste speler die de ongelooflijke zet Ke2 miste.

Kunnen we de laatste zet als de meest onzichtbare zet beschouwen of gaat je voorkeur naar de vorige? Misschien ken je nog een moeilijkere zet uit je repertoire met openingsvalletjes. Laat het weten in de commentaren met welke zet/stelling je al heel wat makkelijke winsten hebt kunnen scoren.

Brabo

vrijdag 7 augustus 2015

Vakantie

Vakantie : schaken, schaken, schaken – en koude pintjes drinken !

De zomerperiode is bij de schaker bekend als de periode tussen twee seizoenen. Clubkampioenschap, interclub, liga: het zijn allemaal winteractiviteiten. De zomer daarentegen is de periode van (vooral) de open tornooien, het mooie weer dat lonkt, kortom de kans om eens zot te doen en deel te nemen aan een tornooi in het buitenland. Het is geen nieuw verschijnsel, maar het is de jongste jaren (laat ons zeggen, sinds 2000) wel sterk verbreid, zo lijkt het. Goedkoper transport (low cost vliegtuigmaatschappijen, dank u Ryanair) en vooral internet, waardoor het gemakkelijker is om in te schrijven in verre tornooien (en de nodige accommodaties te boeken, dank u booking.com), hebben de stap kleiner gemaakt. Let wel, al in de 70’er jaren van vorige eeuw trokken bijvoorbeeld Roeselaarse spelers naar Badalona (beginaugustus startte de 41ste editie), dus nieuw is de trend niet.

Het probleem om deel te nemen is vaak niet tijd of geld, maar eerder de passie en de familiale situatie – het profiel van de buitenlandse schaaktoerist is ofwel dat van de student of dat van de vrijgezel. Weinig schakers krijgen het fiat om hun vakantie (vaak dan nog alleen) te spenderen aan het schaken (want ze zijn meestal de rest van het jaar al het halve of hele weekend weg). Namen als Marc Lacrosse, Marc Daels of Ben de Cat (net nog een NATO-tornooi in Amsterdam  afgewerkt – zie ook VSD 2015-14, dank u Jan Gooris) zijn in het buitenland geen onbekende meer.

Tenslotte wil je als zomerschaker niet elk jaar het open tornooi van Gent of Brasschaat spelen, maar eens echt als buitenlander tussen een hoop Fransen, Duitsers of verder wonende nationaliteiten zitten schaken - het gevoel delen dat schaken een internationale hobby is. Vlaanderen zendt zijn zonen uit – dit jaar zitten er bijvoorbeeld een aantal in het verre Montreal (!), maar ook een paar in het Siciliaanse Erigi. Het verging die laatsten goed: de spelers die gekozen hadden om ervaring op te doen in de sterke A-groep (+1800 elo) (Martijn Maddens, Yasseen De Herdt en Michiel Bleys) speelden op een hoger niveau dan hun elo weergaf. De Belgen verloren van sterkere spelers in de laatste ronde en bleven zo steken op hun puntenaantal. De reizigers die gokten op een mooie geldprijs in het B-tornooi (<2000 elo) (Tim Vandenbroucke en Simon Van Poucke), speelden bijna continu op de topborden. Na acht ronden bevonden ze zich in de uiterst comfortabele situatie dat ze als enigen 6,5/8 hadden, met bovendien een vol punt voorsprong op de nrs 3. Tweemaal raden wat in de laatste ronde gebeurde J. Tim en Simon dus gedeeld tornooiwinnaar, met een vol punt voorsprong op een batterij Italianen. Ook mindere goden Peter Degrieck en Joren De Bode speelden boven hun niveau en kunnen zeer tevreden zijn over de combinatie vakantie en schaken. Joren haalde 5/9, Peter Degrieck 4/9, maar ook zij wonnen dus elopuntjes.

Even terugkeren naar Montréal – daar namen Pieter Claesen, Kim Le Quang en Daniel Vanheirzeele deel aan het open kampioenschap voor Franstaligen. Ze deden het alle drie goed en eindigden beter dan hun plaats op de ranking deed verwachten: Pieter op plaats 11 (6,5/9), Kim op 17 (6/9) en Daniël op 32 (5,5/9). Pieter en Daniël wonnen (veel) ratingpunten, maar Kim moest er wat achterlaten in Canada, wegens een punt te weinig gescoord tegen zwakkere tegenstand. Het tornooi werd gewonnen door de beste speler, Romain Edouard, met 8/9. De lokale schaakhoop in Canada’s bange dagen, Eric Hansen (2583) speelde niet zo bijzonder goed en moest vrede nemen met de 9de plaats.

Deze Vlaamse zonen werden voorafgegaan door een Zottegemse delegatie die zeer succesvol deelnam aan de open in Dortmund. Glen De Schampheleire kaapte – deels tot zijn eigen verrassing (het siert hem) – de hoofdprijs weg. Hierover deed Brabo in een vorig artikel al even melding; op de site van Zottegem kan je de sfeer even proeven. Hierna een partij ter illustratie.

Ook op topniveau is de trend duidelijk. Nu moet een professioneel schaker van +2400 al snel elke week op een andere locatie staan, maar vaak wordt hierbij economisch nagedacht : de kost van de verplaatsing wordt afgewogen tegenover de mogelijke verdienste en vooral de kansen hierop. Als broodspeler moet je net dat tornooi met aardig wat prijzengeld weten te selecteren, dat nog niet wijd en zijd bekend is en derhalve ook andere (sub)toppers kan aantrekken. Het aspect ‘exotische bestemming’ of ‘goed weer’ speelt hier heel wat minder een rol. Spelers als Viesturs Meijers of Alexander Cherniaev kom je tegen in veel tabellen, maar niet noodzakelijk de ‘zonnigste’. Het zijn de werkmieren onder de veelschakers. 

Je kan rustig stellen dat het begrip ‘schaaktoerist’ de facto uitgevonden is door Sergey Tiviakov, die als +2650 speler niet vaak meer werd uitgenodigd in de toptornooien, die telkens maar weer de top 20 tegen elkaar willen zien spelen. Daarom dat hij vaak de ‘leukere’ tornooien uitkoos, die hem gezien zijn sterkte bijna zeker de eerste plaats opleverden. Zoals gezegd : kans x prijzengeld optimaliseren kan ook door je kansen op bijna 100% te zetten – beter bijna zeker 1.500 euro in de hand dan een veel kleinere kans op 15.000 euro. Alina L’Ami en Nigel Short volgden algauw ook deze trend. Short is nog altijd een klassenbak, maar absolute wereldtop is hij niet meer (hij weigerde zijn laatste uitnodiging voor de London Classic omdat hij “niet meer meekon”) en hij maakte de switch naar de betere open tornooien, bij vookeur met startgeld. Zo won hij onlangs (gedeeld) het open tornooi van Thailand – speel zeker zijn partij tegen Ulanday eens na, een mooi voorbeeld van hoe te winnen tegen een 1900-speler door gewoon superieur spelbegrip.

Het is een argument dat organisatoren ook uitspelen – je kan de landschappelijke en culinaire troeven gebruiken om de argumenten van de beter gedoteerde tornooien te counteren. Tenslotte wordt de bulk van een tornooi niet gevormd door de tien (semi)professionele +2400 spelers, maar door de massa clubschakers, die vooral voor de sfeer en het vakantiegevoel komt. Het is dan ook geen toeval dat de zuiderse bestemmingen een opleving kennen van schaaktornooien in de zomer, waarbij soms zelfs combinaties worden aangeboden met andere sporten.

Het tornooi van Porto Mannu (begin juni – zie bv facebook/PortoMannu) is misschien niet zo bekend qua naam, maar elke schaker kent ondertussen wel de “berenrots” die de affiches van het tornooi telkens siert.
Porto Mannu
In Schach Magazin 64 (juli 2015) bericht Ian Rogers over de meest recente versie net over dit tornooi, dat een eerste prijs kent van amper 1000 euro, maar net daarom de schaaktoerist viseert (of de IM die zijn kansen hoog inschat). En schaaktoeristen waren er wel degelijk – het was dit jaar een droom voor de handtekeningjagers onder ons: een groepje haast legendarische IJslandse grootmeesters was afgezakt om wat vitamine D op te doen: ex-kandidaat Johann Hjartarsson, Margeir Petursson, ex-FIDE voorzitter Fridrik Olafsson, en nog wat “gewone” IJslanders waren van de partij, naast een contingent Duitsers en Nederlanders. Van dit drietal viel vooral Olafsson (°1935!) in positieve zin op:

Zelfs de FIDE heeft de “zomerse” amateur (en zijn geldbeurs) ontdekt: het WK voor amateurs (losjes gedefinieerd als -2200 elo spelers) wordt sinds een aantal jaren (na een winterse aanloopperiode in Hastings) georganiseerd in exotische bestemmingen (Griekenland voorop), waarbij de FIDE graag een graantje meepikt van de hoteltarieven.

Zomertornooien vormen één van de mooiere kanten van het schaakspel – niet enkel is schaken de sport die het meest ‘combineerbaar’ is met internet, het is ook een activiteit die je om het even waar en wanneer kan beoefenen, met elke nationaliteit, in quasi elk land. Overal zijn er mensen die de universele taal van het schaken spreken. Op reis in Mexico hebben Kris Deleu en ikzelf ooit op een pleintje in Morelia ad hoc enkele blitzpartijtjes gespeeld tegen lokale spelers. Het feit dat ik dit fait divers onthouden heb, zegt genoeg niet? En nu een koud pintje.

HK5000 

dinsdag 4 augustus 2015

Stoppen met schaken

Stoppen met schaken: Karel Van der Weide en anderen


Schakers die stoppen met schaken – het is een weerkerend thema. Sommigen worden gek (of evolueren psychologisch zodanig dat ze niet meer functioneren zoals de meerderheid van de mensen), zoals Torre of Rubinstein – en misschien kan je Fischer hier ook wel in onderbrengen. Schakers zijn ook maar mensen en ook deze deelverzameling van de maatschappij kent zijn aandeel minder prettige kanten. Zelfmoord (Oll en vele anderen), alcoholisme (Tal, Stahlberg), misdadigers (Norman Whitaker), ongeoorloofd computergebruik (velen), sjoemelen om te komen tot eigen profijt (Gufeld), extreme interesses (Aleister Crowley), het komt allemaal ook bij schakers voor. Maar over die aspecten gaat het hier niet.

Karel Van der Weide
Recent stelde Karel Van der Weide (al bekend van “Schaken voor huisvrouwen” - zie foto) in Gent zijn boek voor. Het is eerder een verzameling artikelen die hij vroeger geschreven had en nu gebundeld, kan doorgaan als zijn schaaktestament. Het boek is lichte kost, het leest vlot en de partijen zijn uitstekend. Van der Weide was een aanvalsspeler en wat dat betreft is dit boek een topper – op andere vlakken (lay-out, illustraties) scoort het iets minder, maar de jonge uitgeverij Thinkers’ Publishing zet nog maar zijn eerste stappen en moet zijn weg nog vinden. Dat komt nog wel in orde. Bij de voorstelling analyseerde hij luchtig twee mooie partijen, waarbij mij vooral de winst tegen Piket bijbleef (niet in het boek opgenomen).

Natuurlijk kwam het gesprek uiteindelijk bij het punt waarom hij gestopt was. Het was heel herkenbaar: geen progressie meer, een te moeizaam schakersbestaan, te weinig steun van de federatie, maatschappelijk niet echt een beroep waarmee je kan uitpakken. In het boek geeft Van der Weide nog wat extra inzicht in enkele karaktertrekken, wat het begrip voor zijn beslissing te stoppen vergroot. Bijvoorbeeld wanneer hij heel tevreden rustig op zijn kamer het slotdiner van een tornooi aan zich laat voorbijgaan, of wanneer hij de orde en rust van een Oostenrijks tornooi verkiest boven de halfdronken sfeer van de Gentse open. Op zich zijn dat geen karakterkenmerken die iemand doen stoppen met wat hij graag doet, maar het is deel van een persoonlijkheid (die ik ook bij mezelf terugvind - ik verkies ook liever een goed boek boven matig gezelschap of een nietszeggend gesprek), die wel in die richting wijst. Als de kern van de motivatie wegvalt, dan zijn de – al dan niet verplichte randactiviteiten (reizen, ceremonies, uithuizig zijn, niet ter zake doende commentaren, slechte speelomstandigheden) plots negatieve bijzaken, die een beslissing om te stoppen versnellen. 

Ik kan me goed voorstellen dat KVDW streng voor zichzelf is/was en de lat voor zichzelf als schaker hoog heeft gelegd: als je niet meer op een bepaald niveau kan meedraaien, dan wegen de andere aspecten van het schakersbestaan niet meer op tegen de vreugde van het spelen. Ik vond dit in elk geval heel herkenbaar, het was min of meer ook de reden waarom ik zelf stopte (waarbij ik mijn schaaksterkte allerminst wil vergelijken met die van KVDW). Niet zozeer omdat ik al jarenlang stapsgewijs achteruitging, maar vooral omdat ik meer en meer goed opgezette partijen begon te verknallen door blunders. Geklopt worden op je waarde door een evenwaardige of sterkere tegenstander is één ding, tegen zwakkere spelers partijen weggeven is iets totaal anders. Vergelijk het met een 1500-meter loper die meer en meer een zekere overwinning misloopt, omdat hij zijn veters niet goed meer kan knopen. Het is slechts de echte schaker gegeven om ook in deze omstandigheden ‘waardig ouder te worden’.

Het leger van ex-schakers is groot – veel groter dan het leger actieve schakers, dat steeds maar kleiner wordt. Bekende ex-schakers zijn er voldoende – en dan bedoel ik niet de gepensioneerde schaker die door zijn pennenvruchten zijn pensioen aanvult (Hans Ree en Genna Sosonko zijn hier respectabele voorbeelden van, die literair nog altijd bijdragen aan de schaakcultuur). Ik heb het over mensen die het spel hebben gelaten voor wat het is en hun carrière elders hebben opgebouwd. Iemand als Kenneth Rogoff bijvoorbeeld, IGM, maar nu PhD en professor economie. Zelfs Josh Waitzkin, bekend van de schaakfilm Searching for Bobby Fischer, heeft het later (in 2004) nog geschopt tot WK Tai Chi. De nog niet zolang overleden Richard Von Weiszäcker (zie Schachbund en chessbase) was ook een goed schaker, maar de wereld zal hem zeker niet hiervoor herdenken. Op lokaal vlak ken ik enkele goede clubschakers die hun academische carrière in de USA hebben voortgezet en dan ook het schaken als hobby gelaten hebben voor wat het is. Je kan ze geen ongelijk geven, wanneer ze professioneel op een veel hoger niveau kunnen komen dan het schaken hen biedt.

Daarnaast zijn er ook de topschakers die er al dan niet gedwongen mee ophouden. Zo schijnt Danailov, de manager van Topalov een actieve rol te hebben gespeeld in de te korte schaakcarrière van Valeri Salov. Topalov vond in Salov een tegenstander met een ongrijpbare positionele stijl en Danailov zou organisatoren onder druk hebben gezet om voor tornooien waar Topalov werd uitgenodigd, zeker Salov niet uit te nodigen. Zou, zou… in elk geval, wie nu op internet naar Valeri Salov zoekt, vindt enkel een grote leegte na zijn schaakcarrière. Zelf zou hij nog in een interview in 2009  gezegd hebben dat zijn kritiek op Kasparov eerder de uitnodigingen voor toptornooien stop zette. Ik kan me voorstellen dat de jeugd vandaag de dag Salov niet zo goed kent – uiteindelijk was zijn carrière relatief kort. Als eerste kennismaking beveel ik de spannende partij tegen Karpov uit Rotterdam 1989 aan – geen toppartij misschien, maar deel van de legendarische 0/3 waarmee Karpov een zekere tornooi-overwinning (en misschien wel winst in de World Cup) vergooide.

Zijn mooiste tornooi-overwinning was misschien wel het Polugaevskytornooi in Buenos Aires 1994, waar het Siciliaans verplicht was – Salov had 1.e4 niet eens op zijn repertoire.

Het bekendste recente voorbeeld van een vrijwillige uitstap is zeker Gata Kamsky, die éénmaal in Amerika aangekomen (na zijn verloren WK-finale in 1996 tegen Karpov), stopte met schaken om medicijnen én rechten te studeren en daarna (vanaf 2004) een succesvolle comeback maakte, die zelfs indruk op Kasparov maakte. Kamsky heeft al vaker te kennen gegeven dat hij gaat stoppen als hij 40 is, maar we zijn dat punt nu gepasseerd en hij blijft spelen, misschien door de nieuwe uitdagingen die Nakamura, So en Caruana hem stellen. Enrique Mecking, wereldtopper, stopte toen hij ernstig ziek was, maar kwam uiteindelijk ook terug – een goede, maar geen schitterende comeback.

De tegenpolen van de vroege ‘quitters’ zijn de dinosauriërs van het schaken. Kortchnoi, Reshevsky, Najdorf, Smyslov, Lasker, Mieses… bleven tot op hoge leeftijd meedraaien op topniveau. Nakamura heeft al te kennen gegeven dat hij het doorspelen van Kortchnoi – zelfs in rolstoel – niet echt een voorbeeld vindt van professionalisme, maar ik vind dat je wel bewondering moet hebben. Bovendien krijgen jongere spelers dan de kans om tegen een echte levende legende te spelen. Dat laatste aspect heb ik altijd fascinerend gevonden – dat contact met het verleden. Spelen tegen iemand die nog mensen heeft gekend, die je alleen vanuit boeken of databases kent. Zo schreef Afek in een nummer van New in Chess (jaargang 2000) over zijn (ver) familielid I.M. Vistanieckis, die nog actief was op hoge leeftijd (hij was toen de oudste I.M. in de wereld) – en jeugdspelers in Israël over zijn knie legde - maar wel al in de jaren 20 en 30 van vorige eeuw gespeeld had met mensen als Mikenas.

Besluit: vroegtijdig stoppen met schaken is onderdeel van het leven – ook andere sporten kennen hun “afvallers” (zonder hierover negatief te willen zijn). Life goes on en de ene maakt keuzes in die richting, de andere in een andere richting. Ergens denk ik wel dat het vuur blijft sluimeren (een beetje zoals een roker die gestopt is met roken), maar onderdrukt wordt tot het moment weer rijp is. Het mooiste voorbeeld in Vlaanderen is natuurlijk de sympathieke Jan Rooze, één van de toptalenten van zijn lichting in België, maar die een professionele carrière uitbouwde. Pas na pensionering gooide hij zich weer ten volle op het schaakspel en kon dit verzilveren in een Europese titel en de IM-titel. Misschien is hij wel het te volgen voorbeeld voor de uitstappers?

HK5000