donderdag 27 april 2017

Jong en oud

Onze schaaksport heeft promotie nodig om te groeien of zelfs te overleven maar zelden wordt zijn grootste troef goed uitgespeeld. Met schaken kan je jezelf een heel lang leven amuseren en blijft altijd intrigeren. Ik ben al meer dan 25 jaar verknocht aan het spel en nog dagelijks ontdek ik nieuwe dingen. Schaken is voor mij een oneindige bron aan spannende verhalen die zowel op als naast het bord gebeuren. Talloze voorbeelden hiervan kwamen aan bod op deze blog.

Niet in het minst speelt het ontbreken van absolute leeftijdscategorien hierin een belangrijke rol. Elke fysieke sport moet rekening houden met leeftijd maar in het schaken is het best mogelijk om een piepjonge speler te zien spelen tegen een zeer oude ervaren rot. Schaken is een absolute bruggenbouwer tussen generaties want het levert naast samen tonnen spelplezier ook een zeer gemakkelijk gespreksonderwerp.

Trouwens piepjong mogen we best letterlijk nemen. Op 3 jaar zijn er al kinderen die in staat zijn om de spelregels aan te leren en kunnen die ook toepassen in een partij. Mijn zoon Hugo was nog geen 4 jaar toen hij samen met zijn zus Evelien kennismaakte met het schaken zie vals spelen. Op de foto hieronder zien we Hugo thuis net voor zijn 4de verjaardag een partijtje spelen. 
Nee, ik ben zeker geen ouder die zijn kinderen wil pushen om te schaken. Mijn dochter haakte al snel af en Hugo bleef op een zeer gezapig tempo verder schaken. Niets moest waardoor het 2 jaar duurde om stap 1 af te ronden. Ik meen dat er een groot contrast is met het optreden van de 3 jarige Misha Osipov in een Russische TV show. Geniaal kind of niet maar ik ben niet de enige die zich afvraagt of dit nog gepast is.

Anderzijds ondersteuning van de ouders is bij zeer jonge kinderen absoluut noodzakelijk. Clubs moeten de ouders hierop attent maken wanneer ze zien dat dit onvoldoende gebeurt. Ik durf zelfs te stellen dat bepaalde minimum voorwaarden moeten worden gesteld aan de ouders bij inschrijven van hun kind in een schaakclub. Te vaak zie ik ouders hun 7/8 jarigen wekelijks droppen in de les en de kous is af. Sorry maar dan is het voor de kinderen niets meer dan een veredelde opvang. Vanaf stap 2 mag/ moet je durven jeugdtornooien te spelen. Eerder raad ik niet aan omdat de spelregels onvoldoende zijn gekend en het kind meestal enkel tegen een lange reeks nederlagen zal aankijken. Voor Hugo betekende dit dat we op 6,5 jaar samen jeugdtornooitjes begonnen af te schuimen (zie basis).

Begin 2017 bereikte Hugo stap 3 en dat betekende tijd om te proeven van standaardschaak. Echter hierbij botste ik op een probleem want geen enkele club in de buurt heeft een reguliere competitie overdag. Men had nog nooit eerder rekening moeten houden met spelers die bedtijd hebben tussen 8 en 9 uur 's avonds. Ik speelde met het idee om mijn oude club de Torrewachters in Roeselare te contacteren want ik weet dat ze een mooi kampioenschap hebben zaterdagmiddag om 14 uur. Echter elke week bijna 300 km rijden voor 1 partijtje werd na enige reflectie afgevoerd. Uiteindelijk bood KMSK zelf een noodoplossing aan door Hugo een plaatsje te geven in 1 van hun 10 interclubploegen. 1 dag na zijn 8ste verjaardag beet hij de spits af. Toeval of niet maar dit betekende maar eventjes 75 jaar verschil met zijn 83 jarige ploeggenoot Walter Huyck.
Beide schakers zien we allebei genieten van de namiddag samen een potje interclub spelen. Het enorme leeftijdsverschil was geen obstakel. Trouwens Walter wist nog een leuke anekdote te vertellen aan Hugo want 17 jaar geleden had hij al eens tegen mij gespeeld. Schaak blijven spelen op hogere leeftijd helpt blijkbaar voor het geheugen want ik heb inderdaad een partij in mijn persoonlijke database staan die ik tegen Walter gespeeld heb.

Aan speelsterkte heeft Walter in de laatste jaren wel wat ingeboet maar dat zal hem allerminst deren. Korchnoi of Sterke Jan zijn/ waren grote uitzonderingen. Jan werd dit seizoen 70 en speelt nog steeds ons 1ste bord in 2de afdeling met een 2300 rating. Buitengewoon zeker als je weet dat hij vorig jaar nog een tijd in de spoed heeft gelegen met een herseninfarct. In het verleden zijn al meerdere spelers tijdens een wedstrijd geveld door een hartfalen zie bv. deaths at the chess olympiad. Ik ken daarom ook meerdere (oudere) spelers die op aanraden van hun dokter de harde competitie vaarwel hebben gezegd.

Veel hangt natuurlijk af van hoe je als speler schaakt. Blijft winnen zeer belangrijk of kan je een nederlaag snel van je afschudden. Als ik kijk naar mijn eigen zoon Hugo dan zie ik al een positieve evolutie. Het is al een tijdje geleden dat ik nog traantjes heb gezien ondanks dat de eerste 3 interclubwedstrijden werden verloren. Het vuur blijft desondanks duidelijk aanwezig wat een brede glimlach verraadde na zijn allereerste intercluboverwinning vorige zondag tegen de 55 jarige Griek Nikolaos Zaimis.

Het is nog te vroeg om Hugo naar grote internationale tornooien mee te nemen zoals Gent, Charleroi,... Stap 4 vind ik een minimum met een bijhorende rating van 1400. Dit wil ik niet forceren zoals ik sommige andere jeugdspelers zie doen. Bij de -10 hoor ik dat sommigen al in stap 5 of 6 zitten terwijl ze in de praktijk technisch hopeloos achterop hinken.

Een reëel gevaar is dat kinderen die te snel vooruit willen of worden geduwd, vroeg of laat opgebrand geraken. Nu ik zie ook soms volwassenen die zichzelf onrealistische doelstellingen opleggen. Het plezier moet centraal blijven staan. Pas als we dat steeds respecteren, wordt schaken iets uniek waarvan oud en jong tezelfdertijd kan genieten.

Brabo

vrijdag 21 april 2017

Dogma's deel 2

Zeer weinig competitieschaak spelen gebruik ik graag als excuus om schaakboeken te lezen die schaaktechnisch weinig of niets bijbrengen. Ik vind het in elk geval veel plezierig om allerlei schaakanekdotes en verhalen te lezen dan mijn hersenen te pijnigen met moderne openingsvarianten of het oplossen van allerhande oefeningen. De boeken Nadorf x Najdorf en Timman's Titans waren dan ook voor mij de perfecte leesliteratuur in de voorbije maanden. Najdorfs dochter schrijft een soort biografie over haar vader met haar wel zeer merkwaardige maar tevens uiterst interessante invalshoek. Jan Timman verraste mij aangenaam met een zeer vlotte schrijfstijl waarbij hij bij elk van de 10 oud-wereldkampioenen er steeds in slaagde om een uniek en persoonlijk verhaal op te hangen.
In tegenstelling met Najdorfs boek doorspekken kwalitatief hoogstaande analyses Jan Timman's boek. Zo heeft Jan er duidelijk lol in om tal van verbeteringen te tonen op de reeds klassieke My Great Predecessors geschreven door oud-wereldkampioen Garry Kasparov. Sinds de publicatie ervan is er ondertussen weer heel wat water naar de zee gevloeid waardoor Jan uiteraard over veel krachtigere software en hardware beschikt dan Garry Kasparov toen. Naast zijn eigen partijen met de wereldkampioenen focust Jan zich vooral op hun minder bekende of zelfs onbekende partijen. Hierbij wordt ruimschoots aandacht geschonken aan een serie geheime trainingspartijen die Botvinnik speelde tussen 1936 en 1970.

Ragozin, Kan, Averbakh en Furman waren Botvinniks belangrijkste sparringpartners. Een partijtje gespeeld in Moskou 1953 tegen Ilya Kan, vooral  bekend voor een Siciliaanse variant, trok mijn aandacht. In het bijzonder zet 16 waarin Botvinnik een zeer merkwaardige keuze maakt.

In 1998 gaf Jan 2 uitroeptekens aan de zet. Vandaag vind hij het nog steeds de beste praktische keuze voor een bordpartij maar toont tezelfdertijd aan dat de huidige computers erin slagen om het concept te neutraliseren.

In mijn meest recente les maakte ik dankbaar gebruik van dit partijfragment. Na eerst een reeks goede voorbeelden van pionstructuren te hebben besproken, vond ik het hoogtijd om mijn leerlingen ook te waarschuwen voor te dogmatisch denken. Dynamische elementen moeten vaak voorrang krijgen op structurele aspecten. M.a.w. je moet soms met opzet je structuur laten verzwakken om de stukken actief te krijgen.

Omdat mijn leerlingen vaak zich afvragen of dit soort schaak ook op hun niveau kan afspelen, had ik mij op voorhand al gewapend met een voorbeeldje uit mijn eigen bordpraktijk. De toen 21 jarige Nederlander Sebastiaan Smits imponeerde mij met zijn gedurfde 17de zet.

De complete partij kan je trouwens ook naspelen in mijn artikel de neo scheveningen.

Dit was niet het enige voorbeeld in mijn bordpraktijk. In 2003 kreeg ik dezelfde themazet op het bord in de Open Le Touquet. De Duitser Erwin Hein leek mij heel wat sterker dan zijn rating.

Hier liep het dus uiteindelijk verkeerd af voor zwart maar in de partij verkreeg hij er zeker voldoende spel mee.

Hierna waren mijn leerlingen overtuigd dat het goed is om ook aandacht te schenken aan niet alledaagse thema's die we zien in grootmeesterpartijen. Je weet tenslotte nooit wat er op het bord zal komen. Vele kleintjes helpen uiteindelijk ook om een stap verder te zetten in het schaken.

Brabo

dinsdag 11 april 2017

Schaakcomfort deel 2

Op school kan het wel eens saai zijn. Bepaalde verplichte vakken boeien soms helemaal niet en een lesgever die zijn cursus slechts afleest, is allesbehalve interessant. Desalniettemin heb ik zeer weinig gespijbeld in mijn schooljaren. Slechts op de hogere school bijna uitsluitend wanneer het academisch kwartiertje er al op zat, durfde ik een les over te slaan. Echter dit betekent niet dat ik elke les aandachtig was. Zo gebeurde het wel eens dat ik  tijdens de les een partijtje blindschaakte met een medeleerling die toevallig 1900 elo had. Het schaakcomfort was allesbehalve maar dat was toen uiteraard van ondergeschikt belang.

Maximaal schaakcomfort heb ik meegemaakt in de hoogste afdelingen van de Franse interclub. Zo herinner ik mij een match waar we in een luxueuze vergaderzaal van een 5 sterren-hotel speelden. Tijdens de wedstrijd was er gratis drank en zelfs kleine versnaperingen voor alle spelers. Grote geluidsdichte deuren en een attente arbiter zorgden voor complete stilte in de speelruimte. Van zulke condities kunnen we enkel dromen in Belgie. Anderzijds zoals ik in de commentaren van het vorig artikel reeds schreef, loopt het geregeld de spuigaten uit. 

Zo ook laatst in de interclubronde tegen Jean Jaures. Jean Jaures speelt dit seizoen in hetzelfde clubhuis als KGSRL en moet het bijgevolg stellen met de lokalen die nog op overschot zijn. Gevolg is dat 2 ploegen in een piepklein lokaaltje worden gepropt. Ik vermoed dat er 20 personen op 15m2 waren gepakt. De wedstrijd was nog maar begonnen en ons 1ste bord Jan Rooze liet mij weten dat hij mij steeds zou moeten storen om naar buiten te kunnen gaan. Bovendien met 6 van de 8 spelers die + 50 zijn heb je automatisch veel meer toiletbezoekjes dan gemiddeld (leeftijd speelt een belangrijke rol voor de prostaat). Het enige paardenmiddel dat ik kon toepassen was mijn tafel met mijn buik vooruit te duwen als mijn tegenstander Ashote Draftian even van zijn bord weg was. Niemand kloeg zelfs niet wanneer bijna het kader achter hem van de muur viel door een botsing.

Zelf kan ik makkelijk een hele middag op mijn stoel blijven zitten als er te weinig plaats is om te bewegen. Ik neem trouwens al geruime tijd zelf eten en drinken mee naar wedstrijden. Echter tegen het lawaai was ik niet gewapend. Iedereen was zeer verwonderd dat de deur naar de speelzaal niet dicht kon ondanks zeer recente grondige renovaties waardoor er heel wat geluidshinder kwam van beneden en de gang. Ik vergeet nog steeds dat oordopjes deel moeten maken van mijn wapenarsenaal want ik verloor in de opening opnieuw erg veel tijd doordat ik mij niet kon concentreren. Schaken met de vingers in de oren is allesbehalve comfortabel. Gelukkig kon ik erger vermijden in tijdnood door af te wikkelen naar het eindspel.

Ook Marcel Van Herck kloeg achteraf over de abominabele speelomstandigheden. Ook hij kon zijn plaats nooit verlaten waardoor hij de tussenstand niet kende en daardoor moest gokken of de remise al dan niet kon worden aangenomen. Bijzonder pijnlijk is het om daarna vast te stellen dat de match verloren werd met het kleinste verschil. Dit zou wel eens het detail kunnen zijn die besliste over wie volgend seizoen naar 1ste afdeling mag gaan. Anderzijds is er weinig animo in onze ploeg voor 1ste afdeling zie verslag over de meest recente interclubronde tegen Temse. Het schaakcomfort is in de hoogste afdeling vaak een stuk minder. Zo herinner ik mij dat er eens 1 enkel kindertoilet beschikbaar was voor alle interclubploegen, er geen of nauwelijks verwarming was in putje winter....

Ik vind persoonlijk zoiets ongehoord zeker als je dan weet dat heel wat spelers betaald worden. Het toont een compleet gebrek aan respect voor de schakers om enkel winnen als prioriteit te stellen. Trouwens ook Jean Jaures is in hetzelfde bedje ziek want ze waren niet beschaamd om toch een grootmeester op te stellen op hun 1ste bord. Onze sterke Jan was de dupe.

Sorry maar i.p.v. de grootmeester had Jean Jaures in een behoorlijk lokaal kunnen investeren. Na de wedstrijd gaf ik dan ook luidop aan niet meer te willen meespelen in de interclub indien zou blijken dit de norm te zijn in alle interclubwedstrijden.

Ik snap ook wel dat veel schaakclubs weinig middelen hebben maar zeker voor wedstrijden met profs zou ik toch als bond een minimum aan schaakcomfort eisen. In Duitsland bestaat zoiets al zie schachblev turnierordnung met o.a. eisen over temperatuur (20-23 graden Celsius), 75m2 voor 1 ontmoeting, minimum 2,6m hoogte,... Zonder enig reglement mag je niets van schaakcomfort verwachten. Zo durfde eens een thuisploeg het aan om hun tegenstanders uit te nodigen in een prostitutiehuis waarna uiteraard terecht protest kwam.

Brabo

donderdag 6 april 2017

Schaakcomfort

Het materiaal van den schaker

De instrumenten van de schaker: op zijn minst een pen, potlood of balpen. Maar de stoel waar hij op zit is minstens even belangrijk – net als de tafel, het bord, de stukken en de klok natuurlijk. Maar bij een beetje competitie zijn klok, bord en stukken vastgelegd en kan je niet onderhandelen over alternatieven. Ook de stoel of tafel is dat vaak niet, maar lijkt me even belangrijk voor de concentratie, het schaakgevoel en de latere herinnering aan de partij.

Beginnen we bij de klok: mijn voorkeur ging altijd uit naar Gardé klokken (jawel met accent aigu, dat werd me pas later duidelijk – en hoe kon een Duitse klok nu Gardé noemen?). Klassiek, degelijk – en verrassend kwalitatief voor een Oost-Duits product. De witte plastic Russische klokken daarentegen hadden een oncomfortabel drukgevoel en boven alles een goedkope uitstraling. Dan had je nog die hele kleine analoge klokjes (merk?) en dat was het zo’n beetje bij ons in de club. Neen, Gardé stak er met kop en schouders bovenuit. Goede klokken om mee te blitzen ook trouwens. Algauw werden er ringetjes rond de drukknoppen gelijmd, om blitzers die de klok met de vlakke hand insloegen, te ontmoedigen. Een beetje schaker kan echter met één vinger de klok even hard indrukken. Incidenten, waarbij de drukknop van de tegenstander letterlijk de lucht invloog door de kracht van het indrukken, maken ondertussen deel uit van de onafhankelijk gevalideerde wereldgeschiedenis.

Uiteindelijk kwamen er digitale klokken aan – eerst een redelijke variëteit, maar toen DGT met zijn klok kwam (en de steun van FIDE kreeg) was het zo goed als voorbij met “duizend bloemen”. Later zijn er toch weer andere merken van digitale klokken opgekomen (ik herinner me dat de KOSK met een heel apart type speelde – en misschien nog), maar de DGT is de referentie gebleven. Op zich geen probleem, de DGT is een goede klok, maar ook hier was eerst gewenning nodig, want wanneer was die vlag nu gevallen… Maar voor blitzers is de digitale klok een zegen gebleken. Eindelijk 100% zeker dat je met vijf tegen drie minuten speelt, of dat dat vlaggetje niet 10 seconden te vroeg is gevallen. Ook tijdnoodadepten kussen hun beide handen. Ikzelf heb het ooit gepresteerd om de klok even uit het oog te verliezen op mijn 38ste zet in een interclubpartij, waarin ik gewonnen stond. Ik had mijn keuze gemaakt – keek nog even op de klok of ik nu al zou zetten en … nog 3 seconden! Ik voerde mijn zet onmiddellijk uit. 3 seconden… voor twee zetten. Mijn tegenstander had toen snel moeten zetten, maar wou in plaats daarvan mij nerveus maken en ging even wandelen. Dat gaf me de tijd om alle varianten uit te rekenen en het juiste antwoord op de twee waarschijnlijkste varianten uit te rekenen. Het is me gelukt om de 40ste zet te halen en de partij te winnen. Zonder digitale klok was ik verloren geweest.

Stukken en bord dan – zolang het bord een opplooibaar wit-bruin/zwart plastic/karton bord is, mogen het van mij verzwaarde plastic stukken zijn. Elke schaker weet dat bij goedkope houten stukken het paard een probleemgeval is – als enige stuk dat niet op een draaibank kan vormgegeven worden, is het vaak samengesteld uit twee stukken die aan elkaar gelijmd zijn. En die lijm komt vroeg of laat los. Mijn allereerste schaakspel – dat van mijn grootvader – had dat probleem. Dat nadeel hebben plastic stukken niet – gelukkig. Toch blijft het paard een zwak beestje, vooral als de oortjes wat uitspringen. Tweede risicogeval is de toren, die vaak bij het vallen van de tafel een kanteel verliest.

Een beetje competitiestuk is verzwaard. Niet verzwaarde stukken zijn voor amateurs. Sierstukken die je kan kopen in “speciaalzaken” houden hier geen rekening mee. Zo werd ik ooit getrakteerd op een mooi schaakspel met sierstukken (metaal) op houten voetjes. Niet mee te schaken jong – die paarden waren volkomen uit balans! Het bord was wel mooi, maar wat jammer van die stukken…

Als we het geluk hebben om op een houten ingelegd bord te spelen, horen daar vaak mooie houten stukken bij. Dat heb ik niet zo vaak in wedstrijdomstandigheden meegemaakt (Veurne speelde met zo’n stukken in IC, maar dat was zowat de enige club in West-Vlaanderen). Als je niet vaak met een bepaald soort stukken speelt, dan heb je daar aandacht voor – aandacht die niet naar de partij zelf gaat – je wordt je bewust van de stukken waarmee je speelt. Dat effect ebt wel weg, maar “feeling” speelt wel degelijk een rol – zelfs op amateurniveau.

Dus we hebben bord, stukken en klok. Wat meer? Tafel en stoel. Een organisator heeft vaak niet veel keuze wat stoelen en tafels betreft, maar wel over de keuze hoeveel borden er op een rij tafels gezet wordt. En dat is soms een moeilijke keuze. Vaak wordt de fout gemaakt om borden te dicht bij elkaar te plaatsen of zijn de apart geplaatste tafels gewoon te klein. Te klein betekent: geen plaats om je notatieformulier, je balpen, je drankje … op tafel te leggen zonder alles op jouw bord of dat van je buurman te moeten leggen. Te ver van elkaar geplaatste borden zijn aangenaam voor de schaker die zich volledig wil concentreren op zijn partij, maar het gevoel om samen te zitten schaken, de mogelijkheid om eens over de stelling naast je “mee te denken” gaat wat verloren. A fine line…

De rijen tafels op zich kunnen ook te dicht tegen elkaar staan, vooral op tornooien. Wanneer je de pech hebt “ingesloten” te zijn, wordt het een moeilijke trip naar de gang, in een rij van bijna rug-tegen-rug geplaatste stoelen. Daarnaast loopt je er steevast alle truien en jassen af die op de rugleuning gehangen zijn.

De tafel zelf moet van de juiste hoogte zijn. Je wil geen “bargevoel” door een te hoge tafel of te lage stoel, noch te ver moeten reiken om je stukken op de laatste rij te verzetten (zeker niet in tijdnood). Fischer bezorgde ooit een tafelmaker een halve hartaanval (ik geloof dat het bij het WK in 1972 was), toen hij wou dat een stuk van een wedstrijdtafel met ingelegd bord, minder breed moest zijn. Een stuk eraf dus… De mooiste foto vind ik in dat opzicht die van Burn tegen Owen (zie bv Edward Winter's chess explorations 54). Het lijkt onmogelijk dat beiden comfortabel zitten: Owen in een gemakkelijke zetel, Burn rechtop in een hogere stoel – zo’n 20 cm hoger gezeten lijkt het wel. En toch bevinden hun hoofden zich op bijna dezelfde hoogte.

Wat je zeker niet wil is een tafel die te laag is, zodat je maar met moeite je knieën eronder krijgt (ik ben nogal groot), of je benen niet comfortabel kan kruisen. Finaal is er nog de horror van de wiebelende tafel. Niet ergers dan dat, vooral als het effect zich voordoet bij elke verandering in houding van jezelf of je tegenstander. Dan begint een subtiel spel van druk uitoefenen (of net niet). Bierkaartjes zijn niet altijd voorhanden en dan is het een kwestie van stilzwijgende afspraken.

Uiteindelijk hebben we de stoelen. In Gent heb ik het ooit eens gezien dat iemand op de twee achterpoten van de witte tuinstoelen balanceerde en er prompt doorheen schoot – niet doen dus. Zijn de tafels soms niet al te veel soeps, de stoelen zijn vaak nog van bedenkelijker kwaliteit. Vaak zijn de klassiekers nog de beste stoelen om in te schaken. Beroemd zijn de testsessies van WK-matchspelers voor het eerste treffen; de zaal wordt geïnspecteerd, het licht, het geluid, het bord, tafel, stukken en … stoel. Comfort mag niet overheersen, want dan verdwijnt de scherpte. De stoel moet ondersteunen, maar mag zich niet op de voorgrond plaatsen.

Het laatste comfortaspect is de belichting. Ik moet bekennen dat de slechtste omstandigheden die ik meemaakte, deze waren in de open van Leuven (sorry mensen). Geen daglicht, onvoldoende sterkte van de verlichting – sommige tafels hadden zelfs een eigen bureaulamp gekregen (eigen of vanuit de organisatie verschaft?). Het was quasi onmogelijk om hier foto’s te nemen. De analysezaal met bar aan de straatkant had veel betere speelomstandigheden, maar was waarschijnlijk net te klein om een wissel door te voeren.

Belichting is voor schakers heel belangrijk – Fischer (hij weer) kon er enorm over doorbomen, maar zijn opmerkingen zorgden er ook voor dat alle andere spelers mee profiteerden. Fel zonlicht is uit den boze (hier is de raad van Ruy Lopez nog altijd geldig: ga met je rug naar de zon zitten), maar een plaats dichtbij het raam is altijd te verkiezen boven ééntje in het midden van de zaal. Daglicht is onovertroffen en soms is het TL-licht een kwelling, vooral als de ballast niet goed werkt en de TL flikkert. Halogeenlampen zijn ook nog OK, maar het gele licht zal snel de indruk wekken dat er onvoldoende lichtsterkte is.

Dus – een schaker kan veel in slechte omstandigheden, maar topprestaties worden enkel geleverd in optimale omstandigheden. En dan heb ik het nog niet over het geluid gehad (het eeuwige bar-probleem), de verwarming, tocht, repetities van andere clubs naast, boven of onder het speellokaal…

HK5000